Opinie: Vent kerntaak niet langer goedkoop uit
| Bron |
'de Accountant' |
| Schrijver |
Fred Vermaas |
| Nummer |
December 2002 |
| Publicatiedatum |
01-12-2002 |
| Sectie |
|
| Bladzijde |
|
| Volume |
12 |
Niet de financiële band tussen accountants en gecontroleerde is het probleem, maar het door de kantoren verwaarlozen van hun kerntaak, de accountantscontrole. Meer duidelijkheid over werkzaamheden en tariefsopbouw is een betere oplossing, denkt Fred Vermaas.
Op de stelling van Bindenga dat de accountant primair voor het maatschappelijk verkeer werkzaam is valt het nodige af te dingen. De situatie kan ook anders worden uitgelegd. Ondernemingen en andere organisaties worden door de maatschappij verplicht om verantwoording af te leggen. Dit betekent dat ze zich dienen te verzekeren van dienstverlening die hierin kan voorzien. Traditioneel is het de accountant die deze rol op zich heeft genomen en daarvoor wordt betaald door degene die de dienstverlening inkoopt.
Doordat de accountant voor anderen werkt dan zij die hem betalen (hetgeen dus een onjuiste stelling is) ontstaat er volgens Bindenga een probleem. Zou in deze redenering dit probleem dan niet evenzeer ontstaan wanneer de opdrachtgever het maatschappelijk verkeer is?
Nee, het door Bindenga bedoelde probleem ontstaat als de accountant zijn oren laat hangen naar zijn opdrachtgever. Het gaat hier om de rechte rug die, mede door het verkwanselen van de marktprijs van de controle en de commerciële aanpak van de grote kantoren, onder druk is komen te staan. Niet de onafhankelijkheid in wezen is daarbij in het geding, maar slechts de schijnbare onafhankelijkheid, anders was er al geen accountantsberoep meer.
In plaats van na te gaan wat de oorzaken zijn van de toegenomen druk op accountants maakt Bindenga eenvoudigweg via de op stapel staande regelgeving een overstap naar zijn voorstel. Dit gaat mij even te snel. Duidelijk is dat het accountantsberoep door haar kerntaak goedkoop uit te venten en daarnaast zoveel mogelijk andere diensten aan de man te brengen zichzelf een slechte dienst heeft bewezen. De verkoop/verzelfstandiging van consultingafdelingen herstelt een deel van de fouten. Het herwaarderen van de kerntaak (controleproduct) moet nog plaatsvinden.
Volgens Bindenga zal het verbreken van de financiële band tussen de accountant en de gecontroleerde organisatie het vertrouwen van het publiek definitief herstellen.
De suggestie om een centraal orgaan in te stellen dat de fee overeenkomt met de controlerend accountant en deze vervolgens factureert aan de gecontroleerde organisatie vormt echter geen oplossing. Immers, de financiële banden worden niet doorgesneden maar er wordt slechts een extra schakel toegevoegd, die bovendien moet waken voor te krappe budgetten. Omdat aan de prijsconcurrentie een einde moet komen leidt dit voorstel tot de introductie van een kartel.
Bindenga's voorstel dat de opdracht aan een accountant niet zonder gegronde reden mag worden ingetrokken binnen een termijn van bijvoorbeeld tien jaar - en dan nog is er geen sprake van verplichte rotatie - geeft nog een extra dimensie aan deze kartelvorming en lijkt haaks te staan op de huidige maatschappelijke opvattingen.
Het voorstel tot instelling van een internationaal orgaan dat in staat moet zijn tot een eerlijke en onafhankelijke verdeling van juist geprijsde audit fees, die dan vervolgens in rekening worden gebracht, geïncasseerd en gedistribueerd over de controlerend accountants is van een hoog theoretisch gehalte en gaat tevens voorbij aan de soms complexe fee-structuur in de huidige internationale accountantspraktijk. Ook wordt geen acht geslagen op de relatie tussen de internationale opdrachten en de nationale. Deze laatste kan in Bindenga's gedachte slechts een restgroep zijn, omdat van bovenaf internationaal wordt afgedekt. Over de groep middelgrote en kleine ondernemingen wordt verder niet meer gerept.
De redenering dat de prijsconcurrentie verdwijnt maar dat er wel kwaliteitsconcurrentie zal blijven bestaan komt vreemd over. Wie beoordeelt die kwaliteit? Dit zou dan het centrale orgaan moeten zijn. Ook is niet duidelijk op grond waarvan dit centrale orgaan de kennis verwerft om rechtvaardige fees vast te kunnen stellen.
De conclusie is dat Bindenga het vertrouwen in de accountant denkt te kunnen herstellen door het herinvoeren van een beschermde positie voor de accountant. Dat daarmee de kosten sterk zullen toenemen en vertraging wordt ingebouwd dient men op de koop toe te nemen.
De oplossing van het probleem van het door het publiek gepercipieerde gebrek aan onafhankelijkheid ligt elders. In de eerste plaats zal het NIVRA als beroepsorganisatie een duidelijke koers moeten varen. Deze koers is niet het blind volgen van hetgeen elders wordt bedacht doch het nadrukkelijk positioneren van de accountant als onafhankelijke controleur. In plaats van te verbieden wat niet mag zou het aangeven wat wel wordt en mag worden verwacht van de accountant een eerste aanzet kunnen betekenen.
Een volgende stap kan zijn dat ook van de zijde van de opdrachtgevers en het maatschappelijk verkeer wordt aangegeven welke wensen en eisen men stelt aan de accountant. Tot op heden is deze groep niet echt gehoord. Ook Bindenga presenteert zijn voorstel zonder zich af te vragen hoe deze 'consumenten' erover denken.
Belangrijk is voorts dat de accountantskantoren, met de big four voorop, erkennen dat ze met de ongebreidelde groei in de diversiteit van dienstverlening hun kerntaak hebben verwaarloosd. De vraag door het maatschappelijk verkeer naar onafhankelijke controle bestaat. Er is dus geen reden de markt te beschermen. Wel om de markt op een andere wijze tegemoet te treden. Om het vertrouwen te herstellen zullen prijsafspraken gebaseerd moeten zijn op uren maal tarief en niet langer op vaste fees. De accountant zal beide componenten op een goede manier moeten onderbouwen en inzicht moeten geven in de gehanteerde uurtarieven en de opbouw daarvan. Dit geeft duidelijkheid bij de te controleren organisaties en houdt de accountant scherp om op een efficiënte wijze met de te besteden uren om te gaan.
Hiermee kan wellicht ook worden voorkomen dat in de toekomst wordt besloten tot centrale tariefsafspraken, waarbij van overheidswege jaarlijks de te hanteren (maximum) tarieven per functieniveau worden vastgesteld.
Noot
* Fred Vermaas is partner bij KPMG Accountants te Arnhem. Hij schrijft dit artikel op persoonlijke titel.