Opinie: Vat melding witwassen niet te lichtvaardig op
| Bron |
'de Accountant' |
| Schrijver |
Marcel Pheijffer |
| Nummer |
Februari 2003 |
| Publicatiedatum |
01-02-2003 |
| Sectie |
Opinie |
| Bladzijde |
061 |
| Volume |
109 |
Volgens Hans Blokdijk moeten accountants niet zo haastig zijn met het melden van ongebruikelijke transacties ('de Accountant', oktober 2002 pagina 67). Dit vanwege enige juridische voetangels. Die zie ik ook, maar de meldplicht kan en moet desondanks zeker niet te lichtvaardig worden opgevat.
De verwachtingen van het maatschappelijk verkeer ten aanzien van het handelen van accountants zijn hoog gespannen. Soms te hoog. De Parlementaire Enquêtecommissie Bouwnijverheid heeft echter laten zien dat sommige accountants ondermaats presteren bij het invullen van de verantwoordelijkheden die zij hebben. Bijvoorbeeld op het terrein van de meldplicht inzake fraude.
Binnenkort - krijgt de accountant een tweede meldplicht, namelijk inzake mogelijke witwastransacties. Niet zelden kom ik vakgenoten tegen die daartegen fulmineren. Zij wijzen dan op (vermeende) absurditeiten in de Wet Melding Ongebruikelijke Transacties en al hetgeen daarmee samenhangt. Bijvoorbeeld de plicht om een ongebruikelijke transactie onverwijld te melden. Of het feit dat ook voorgenomen transacties onder de meldplicht vallen en het feit dat een tuchtrechtelijke vrijwaring voor de accountant bij het - achteraf bezien - ten onrechte melden ontbreekt. Andere kritiekpunten betreffen het feit dat het toch bovenal een overheidstaak is om het witwassen te bestrijden en dat de overheid daar voldoende kennis, kunde en capaciteit in zou moeten investeren. Daarnaast zou de wettelijke regeling onvoldoende aansluiten op de meldplicht inzake fraude, hetgeen verwarring kan opleveren.
De kritiekpunten zijn begrijpelijk en soms zelfs volledig terecht. Althans bezien door de bril van een accountant. Er bestaat een spanningsveld tussen het denkkader van de accountant en dat van de wetgever.
Laatstgenoemde heeft ervoor gekozen om de meldplicht voor accountants onder te brengen in de generieke regelgeving - die reeds langer bestaat - inzake de meldplicht voor witwassen. In eerste instantie betrof die alleen financiële instellingen, maar in de loop der jaren is het aantal meldplichtigen aanzienlijk verbreed, bijvoorbeeld met de groep handelaren in goederen van grote waarde (edelmetalen, kunst, diamanten en dergelijke). En binnenkort dus ook voor de vrijeberoepsbeoefenaren zoals de accountant.
De wetgeving is niet specifiek ontworpen voor accountants en is dan ook geen maatwerk.
Vanuit de eenheid van beleid en wetgevingssystematiek op het punt van de witwasbestrijding, valt de keuze van de wetgever best te begrijpen. Voor de critici is dit echter niet overtuigend genoeg. Critici vertonen dan ook de neiging die aspecten waarop het spanningsveld zich het best laat voelen, uit te vergroten. Of zij geven een zeer restrictieve interpretatie van de wettelijke verplichtingen. Een voorbeeld daarvan trof ik aan in het bovengenoemde artikel van collega Blokdijk. Hij haalt daarin artikel 9 lid 1 van de Wet Melding Ongebruikelijke Transacties aan, dat luidt: 'Een ieder die beroeps- of bedrijfsmatig een dienst verleent, is verplicht een daarbij verrichte of voorgenomen ongebruikelijke transactie onverwijld te melden aan het meldpunt.'
Blokdijk acht het woord 'daarbij' cruciaal en interpreteert de tekst zodanig dat het zou moeten gaan om een ongebruikelijke transactie die wordt verricht of is voorgenomen 'bij het verlenen van de dienst door de accountant'. Voorts is hij van mening dat de wet alleen van toepassing is als de accountant om advies of medewerking bij een ongebruikelijke transactie wordt verzocht.
Naar mijn mening is Blokdijks uitleg te restrictief. Ik baseer mij op de (concept)richtsnoeren die het ministerie van Financiën het Koninklijk NIVRA heeft doen toekomen. Die richtsnoeren en de daarbij gegeven toelichting betreffen niet louter transacties die worden verricht bij het verlenen van een dienst door de accountant, maar ook transacties die voortvloeien uit de handelingen van klanten waarvoor hij een controle-, beoordelings- of samenstellingsopdracht uitvoert. Ofwel: niet de dienstverlening ten aanzien van de ongebruikelijke transactie is relevant, maar dienstverlening aan de klant in den brede.
Dit blijkt ook uit de tekst van het conceptbesluit tot aanwijzing van diensten die vallen onder de meldplicht (meer specifiek de artikelen 1 onder e en 2 lid 1 onder e). Ik ben het wel met Blokdijk eens als hij bedoelt te zeggen dat de accountant niet te snel tot melding moet overgaan.
Zorgvuldigheid en een zo deugdelijk mogelijke grondslag zijn gewenst. De richtsnoeren zijn echter ruim, zodat een melding wel degelijk snel aan de orde kan zijn, zeker bij transacties die de accountant (in eerste instantie) percipieert als gevallen van fraude en niet als witwassen; overigens gaat de wettelijke meldplicht inzake witwassen bij een samenloop van witwassen en fraude voor op de meldplicht die voortkomt uit de Verordening op de Fraudemelding.
In de praktijk blijken fraude en witwassen regelmatig 'hand in hand' te gaan, zeker bij fiscale fraude. De rechtbank Amsterdam gaf in een vonnis van 1 november 2001 (LJN-nummer AA7998) aan dat in casu transacties reeds gemeld moesten worden 'vanwege de aanmerkelijke kans dat het ging om fiscaal zwart geld'. Het is niet ondenkbaar dat de accountant - zeker bij samenstellingsopdrachten - aanloopt tegen signalen van zwarte omzet of loonbetalingen. Bij dergelijke signalen, die op het oog wellicht niet zozeer met witwassen te maken lijken te hebben (daarbij past immers het 'boefbeeld' van de drugscrimineel en niet dat van een fiscale fraudeur!), kan de accountant meldplichtig zijn.
Het zou dan ook goed zijn als de discussie binnen het accountantsberoep zich meer op dit soort inhoudelijke aspecten zou concentreren en niet op de geschetste spanningsvelden. Voor het laatste is het vermoedelijk reeds te laat: de vraag of er een meldplicht komt is reeds positief beantwoord.
Noot
* Marcel Pheijffer is hoogleraar forensische accountancy aan Universiteit Nyenrode en Universiteit Leiden.