'de Accountant'
Home > Nieuws
print deze pagina    

Wouter Bos over de schreef met interpretatie wet (FD)

04 februari 2010 - Minister Bos van Financiën rekt in een brief aan het Bureau Financieel Toezicht over de interpretatie van de Wwft de meldingsplicht voor ongebruikelijke transacties op. "Wellicht goed bedoeld voor de rechtspraktijk, maar wel verwonderlijk en principieel onjuist", zegt Jan van Vliet, hoofd van de afdeling Ondernemingsrecht Bureau Vaktechniek van BDO.

Jan van Vliet

Hoogst ongebruikelijk in ons stelsel van trias politica is dat een minister een interpretatie geeft van de wet. Die rol is voorbehouden aan de rechter. Toch gaf minister Bos van Financiën bij brief van 21 januari een interpretatie van de Wet ter voorkoming van witwassen en financiering van terrorisme met betrekking tot de meldingsplicht van ongebruikelijke transacties. Hij deed dat op verzoek van het Bureau financieel toezicht, de toezichthouder op de naleving van genoemde Wwft.

Aanleiding was de uitspraak van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven (CBB) van 23 november (LJN BK4209). Het CBB oordeelde daarin dat een belastingadviseur die een cliënt bijstond in het overleg met de Belastingdienst over een beroep op inkeer wegens belastingfraude, niet tot melding daarvan verplicht was nu de fraude was gepleegd in een periode waarin er nog geen dienstverleningsrelatie tussen hen bestond. De toenmalige Wet melding ongebruikelijke transacties eiste uitdrukkelijk een verband tussen het verrichten van de ongebruikelijke transactie en de vorm van dienstverlening - 'een daarbij verrichte (...) transactie'. Daarvan was hier geen sprake volgens het CBB. En de wet verplichtte, volgens het CBB, ook niet tot een meldingsplicht zodra een dienstverlener op enigerlei wijze van een verrichte of voorgenomen ongebruikelijke transactie op de hoogte raakt.

De uitspraak sloeg in als een bom en leidde tot veel beschouwingen over de vraag welke betekenis zij heeft voor de toepassing van de huidige Wwft. Ook deze wet spreekt van een 'transactie (...) in verband met het afnemen of verlenen van diensten'.

Mogen we aannemen dat het CBB zonder meer een streep gezet heeft door de meldingsplicht ter zake van inkeer?

Dat lijkt er op, maar toch laat de uitspraak nog ruimte voor vragen. Bijvoorbeeld: wat geldt indien de belastingfraude wél gepleegd is tijdens de dienstverleningsrelatie?

De vanuit een 'principle based'-gedachte geschreven Wwft blinkt toch al niet uit door grote helderheid voor de praktijk, maar deze beschouwingen voegen daar nog een schepje aan toe. Dienstverleners in de praktijk, in casu vooral de belastingadviseurs, bevinden zich - naar Griekse mythologie - tussen de Scylla van het Bft, dat hen met sancties wegens niet naleving van de meldingsplicht bedreigt, en de Charybdis van de klant, die bij onterechte melding een claim zou kunnen indienen. Een wet die dat veroorzaakt, zit niet goed in elkaar.

Om aan die onzekerheid een einde te maken, heeft het Bft nu de minister te hulp geroepen. En in die draaikolk van onzekerheid drijft de minister af richting Scylla. Zijn standpunt houdt in dat het door de wet vereiste verband, en daarmee de meldingsplicht, bestaat zodra de dienstverlener wetenschap heeft van een ongebruikelijke transactie, hetzij van zijn cliënt, wanneer dan ook verricht, hetzij van een derde, waarbij de cliënt later betrokken is geraakt. Met dit oprekken - ik zou bijna zeggen: uit zijn verband rukken - van het begrip 'verband', lijkt de minister impliciet de CBB-uitspraak naast zich neer te leggen. Wellicht goed bedoeld voor de rechtspraktijk, maar wel verwonderlijk en principieel onjuist; een ongebruikelijke transactie. De wetgever begeeft zich hier op het terrein van de rechter. En laatstgenoemde zal zich, wanneer hij geroepen wordt tot interpretatie van de wet, niet kunnen baseren op een dergelijk schrijven van de minister, nu dit geen deel uitmaakt van de officiële wetsgeschiedenis.

Het is derhalve allerminst zeker dat de rechter dit standpunt van de minister deelt. Dit brengt mee dat dan ook een vraagteken gezet kan worden bij de legitimiteit van het sanctiebeleid van het Bft, voor zover zij zich daarbij baseert op deze brief van de minister.

Rechtsonzekerheid door onduidelijke wetgeving kan maar op twee manieren opgeheven worden: door de rechter of door nieuwe wetgeving. De rechtszekerheid is erbij gebaat dat we ons aan de spelregels van de trias politica houden, ook als de toezichthouder zich moet inhouden omdat hij eveneens slachtoffer is van die onduidelijkheid. Overigens heeft de minister in zijn brief nadere wetgeving aangekondigd.

Mr. M.J. van Vliet is hoofd afdeling Ondernemingsrecht Bureau Vaktechniek BDO Accountants & Belastingadviseurs.

Wettelijk regelen
Niet bij brief

  • Bij interpretaties begeeft de wetgever zich op het terrein van de rechters
  • Rechtbank kan zich niet baseren op een dergelijk schrijven van de minister
  • Brief geen deel van de officiële wetsgeschiedenis

Copyright (c) Het Financieele Dagblad, 2010. www.fd.nl

  • Lees ook de uitgebreide reactie van Jan van Vliet onder de weblog van Anton Dieleman over dit onderwerp.

Reacties (1) | Reageer


Reacties


Geplaatst door Henny - 9-2-2010 8:55:42

weer een nieuwe visie...


Laat een reactie achter