Mededinging in de auditmarkt

woensdag 28 oktober 2009 | 3 reacties

Dezer dagen worden wij regelmatig geconfronteerd met termen als 'too big to fail', en 'moral hazard', en wordt de vraag gesteld naar de effectiviteit van het toezicht op de financiële sector. Aangezien deze sector wordt gedomineerd door een beperkt aantal zeer grote partijen, ontstaan er onbeheersbare en maatschappelijk onacceptabele risico's. De toezichthouder moet buitengewoon omzichtig te werk gaan, om de stabiliteit van het systeem niet in gevaar te brengen.

Recent heeft de gouverneur van de Engelse centrale bank, Mervyn King, daarom opgeroepen deze  'systeembanken' op te breken in kleinere eenheden. Eerder liet Wouter Bos een soortgelijk geluid horen.

Naast de risico's voor de stabiliteit speelt ook het belang van een gezonde concurrentie in de markt. Bijna dagelijks lezen wij in de krant over de inspanningen van commissaris Neelie Kroes om te voorkomen dat de (Nederlandse) markt voor financiële instellingen wordt gedomineerd door een te klein aantal partijen.

Des te meer steekt het dat voor systeemrisico's en mededinging in de auditmarkt geen politieke aandacht schijnt te zijn. De dominantie van een (te) klein aantal partijen op een markt voor maatschappelijk belangrijke diensten zoals auditdiensten, is toch zorgwekkend.

De markt voor OOB-controles (Organisaties van Openbaar Belang) kent veertien aanbieders (vergunninghouders). In een recent onderzoekje door 'de Accountant' (april 2009) blijkt echter dat in omzet gemeten nagenoeg honderd procent van de OOB-controles bij de big four zit. In de OOB markt doen die andere tien aanbieders dus niet mee.

Niet verwonderlijk dat een Europese topambtenaar in hetzelfde nummer van 'de Accountant' uitspreekt dat er te weinig internationale kantoren op de auditmarkt actief zijn. Uit hetzelfde onderzoek blijkt voorts dat het marktaandeel van de big four in de top van de niet-beursgenoteerde auditmarkt (de veertig grootste bedrijven) in omzet gemeten eveneens boven de 95 procent  uitkomt. De concentratie beperkt zich dus geenszins tot de markt voor internationale audits.

Dat brengt mij tot de vraag welke gevolgen een dergelijke concentratie in de auditmarkt heeft voor de effectiviteit van het toezicht, en of er in deze markt sprake is van 'moral hazard'? Naar analogie van de markt voor financiële diensten: wat zou er gebeuren als de toezichthouder twijfels zou ventileren aan de kwaliteit van één van de big four kantoren? En wat zou er gebeuren als er een grote claim tegen één van de big four boven de markt zou hangen? Zou bijvoorbeeld een overheid niet ingrijpen, uit angst dat zo'n kantoor zou omvallen?

De gevolgen voor de mededinging zijn bekend. Financiële instellingen hebben niet eens de keuze uit vier accountants - ze komen niet verder dan twee. De auditmarkt voor beursfondsen is zo goed als gesloten. Het is eigenlijk verbazend dat Brussel dit tolereert.

In augustus van dit jaar maakte de AFM de kostenregeling voor het doorlopend toezicht (2009) bekend. Deze legt aan de kleine spelers op de OOB-markt een omzetheffing op van vijftien procent (u leest het goed) voor het doorlopende toezicht, tegenover 0,1 procent (dat leest u ook goed - het scheelt een factor 150) voor de grote spelers (de big four).

Mij is niet bekend waarom de beroepsorganisaties dit hebben laten passeren. Het oligopolie van de big four wordt er alleen maar door versterkt!

Mij spreekt het idee van Mervyn King wel aan.

Joop Anemaet


  • Reageer
  • Print
  • Twitter
  • LinkedIn
  • Facebook
  • Delen

Reacties (3) | Reageer


Reacties

Geplaatst door Joop Anemaet - 30-10-2009 9:30:02

In antwoord op de reactie van Arnout, waarvoor dank, volstaat het denk ik te verwijzen naar de quote die elders op deze site staat, van de voorzitter van de FRC in Engeland. Ik denk dat Arnout veel te licht denkt over de gevolgen van een mogelijke déconfiture van één van de Big Four, en daar wordt door toonaangevende beroepsgenoten ook zo over gedacht. Men maakt zich grote zorgen over wat het effect zou zijn als één van de big four zou omvallen; echter pogingen om de marktparticipatie van kleinere accountantskantoren te verbeteren zijn tot op heden op niets uitgelopen.
Afgezien van het feit dat ik in mijn opvatting steun vind bij zo iemand als Paul Boyle. De stelling dat er niets verloren gaat als een accountantskantoor omvalt, de individuele accountants blijven immers bestaan (en desnoods stappen hele opdrachtteams over naar een ander kantoor), gaat niet op voor zeer grote organisaties als de Big Four. Daar zit de kennis, anders dan bij kleine kantoren, niet in de hoofden van de individuele beroepsbeoefenaren, maar verspreid in de organisatie. Zodoende is de organisatie meer dan de optelsom van individuen.

Geplaatst door Arnout van Kempen - 29-10-2009 12:22:22

Daaraan toegevoegd: als een grote bank omvalt, gaan balansposities verloren. Die verdwijnen ahw in het niets, de productiecapaciteit van de bank verdwijnt bij een deconfiture. Maar wat gaat verloren als een accountantsorganisatie omvalt? Een hoop werk, dossiers, een merknaam. Maar niet de productiecapacteit. Het accountantsberoep is en blijft een persoonlijk beroep. Die personen lossen niet op in het niets bij een deconfiture.

Geplaatst door Arnout van Kempen - 29-10-2009 12:18:17

Ik weet natuurlijk niet welke overwegingen hebben gespeeld toen de WTA werd geschreven, dat soort processen zijn nogal vertrouwelijk. Maar de uitkomsten zijn wel te volgen.

Het is wel aardig om te zien dat de wta en de wte (inmiddels vervangen door de wft) behoorlijk op elkaar lijken, voorzover dat natuurlijk mogelijk is. In de wte is sprake van financiele waarborgen, die voorwaarde zijn voor vergunning verlening. In de bte (artikel 12 en 13) wordt aan de toezichthouder de ruimte gegeven eisen te stellen aan het eigen vermogen van een effecteninstelling. Kennelijk vond de wetgever het van belang dat effecteninstellingen niet te makkelijk omvallen. In artikel 17 bte komen daar nog eisen aan de AO/IC bij, die ook weer (mede) gericht zijn op de continuïteit van de effecteninstelling.

Een dergelijke set bepalingen is in de wta/bta niet te vinden.

Uit de overeenkomsten tussen wte/bte en wta/bta kan worden afgeleid dat de wetgever zich behoorlijk door de wte/bte heeft laten inspireren bij het schrijven van de wta/bta. Het kan dus nauwelijks anders dan een bewuste keuze zijn om in de wta/bta géén bepalingen op te nemen die de continuïteit van de accountantsorganisaties moesten bevorderen. tel daar bij op dat juist de ondergang van Arthur Andersen aan de wta vooraf ging, en de conclusie kan imho alleen maar zijn: de wetgever heeft het risico van omvallen van nog een groot kantoor bewust willen nemen. Kennelijk maakt(e) de wetgever niet de afweging dat sommige accountants "too big to fail" zijn, maar maakte ze heel bewust (!) de afweging dat als er weer een kantoor zou sneuvelen, dat wel opgevangen kan worden. Of, dat kan ook een interpretatie zijn, de wetgever onderkende dat een big-4 kantoor nooit zal sneuvelen op basis van wat in Nederland gebeurt.

De exacte afwegingen van de wetgever over dit onderwerp zouden wel boeiend zijn.


Reageer op dit artikel


 





Laatste reacties






Over de auteur


Archief