Wetswijziging helpt wél tegen belastingfraude

vrijdag 13 februari 2009 | 1 reacties

In een artikel in het Financieele Dagblad van 22 januari 2009 betoogt Anton Dieleman dat de ter behandeling bij de Eerste Kamer liggende vierde tranche van de Algemene Wet Bestuursrecht het gewenste effect 'al te vaak zal missen'.

Volgens deze tegen belastingfraude gerichte wetgeving kan aan een belastingadviseur (dat is iedereen die meewerkt aan het indienen van een aangifte!) en de organisatie waarvoor hij werkt een bestuurlijke boete worden opgelegd als sprake is van 'medeplegen'. Dit betreft gevallen waarin de belastingplichtige of inhoudingsplichtige als dader kan worden aangemerkt en de belastingadviseur vervolgens op de hoogte is (van een onjuistheid) of zijn onderzoeksplicht verzuimt.

Dieleman merkt op dat als sprake is geweest van accountantscontrole op een jaarrekening, de daarop gebaseerde aangifte vennootschapsbelasting of inkomstenbelasting, vanwege een verminderde onderzoeksplicht van de belastingadviseur, niet snel zal leiden tot oplegging van een bestuurlijke boete.

Dieleman merkt terecht op dat bij het wetsvoorstel geen rekening is gehouden met de materialiteitstoets die de accountant hanteert. Hij ziet daarin een argument voor de stelling dat de vierde tranche geen, of een beperkt, effect zal hebben.

Mijns inziens is deze mening onjuist en wel om de volgende redenen:

1 De vierde tranche zal van toepassing zijn op alle belastingaangiften. Dus niet alleen de jaarlijkse aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en vennootschapsbelasting, maar ook bijvoorbeeld loonheffing en omzetbelasting. Met name deze laatste twee kennen een veel groter aantal aangiften: maximaal twaalf keer per jaar. En op deze aangiften wordt - voor zover mij bekend - nooit accountantscontrole toegepast.

De in 2005 door Rechtbank Breda berechte zaak (nr. 993059-05) omtrent het indienen van aangiften omzetbelasting op basis van gegevens van de klant, zonder inzage in facturen, toont de risico's die in de praktijk samenhangen met de aangiften omzetbelasting.

Ook bij de aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen van particulieren is geen sprake van accountantscontrole. Ook in die gevallen zal voor de belastingadviseur dus een zwaardere onderzoeksplicht gaan gelden dan nu het geval is.

2 Dieleman spreekt over de door de accountant gecontroleerde jaarrekening. Daarmee lijkt hij te doelen op controleplichtige ondernemingen. De overgrote meerderheid van de ondernemingen in Nederland is echter niet controleplichtig. Van een goedkeurende accountantsverklaring is bij hen vaak geen sprake en van een eventuele verminderde onderzoeksplicht voor de belastingadviseur dus evenmin.

3 Maar ook ten aanzien van de wél controleplichtige ondernemingen overtuigt Dieleman mij niet. Als de accountant een mogelijke verschuiving in de jaarwinst van bijvoorbeeld € 75.000 niet materieel acht, en er om die reden geen onderzoek naar doet, zal in de zin van de vierde tranche sprake zijn van beboetbaar gedrag - mits de belastingplichtige als dader kan worden aangemerkt en de belastingadviseur daar weet van heeft.

Wel ben ik het met Dieleman eens dat als er sprake is van een goedkeurende verklaring, dit de belastingadviseur zou moeten ontslaan van een onderzoeksplicht. Maar hieromtrent is in het wetsvoorstel niets concreets opgenomen.

De vierde tranche heeft nu een rigide karakter. Het zou mijns inziens passen in de tijdsgeest (denk ook aan horizontaal toezicht) dat wettelijk enige soepelheid wordt vastgelegd. Die zou kunnen bestaan uit een verminderde onderzoeksplicht bij aanwezigheid van een goedkeurende accountantsverklaring.

Bezint eer ge begint, lijkt een wijs advies voor de Eerste Kamer.

Frans Provoost


  • Reageer
  • Print
  • Twitter
  • LinkedIn
  • Facebook
  • Delen

Reacties (1) | Reageer


Reacties

Geplaatst door Anton Dieleman - 13-2-2009 13:14:53

Uiteraard waardeer ik het dat Frans Provoost reageert op mijn artikel in het FD. Toch blijven wij van mening verschillen. In deze reactie zet ik kort enkele hoofdpunten uiteen. Ik zal later uitgebreider reageren via deze site.

Het commentaar van Provoost komt er – kort gezegd – op neer dat de belastingadviseur (of andere persoon die de aangifte opstelt) in veel gevallen een verdergaande onderzoeksplicht krijgt opgelegd op grond van de Vierde tranche van de AWB. Afgezien van de kritische houding die altijd op zijn plaats is (ook al in de huidige situatie) lijkt mij dat standpunt van Provoost om meerdere redenen onmogelijk en onwenselijk:

1. De visie van Provoost is gebaseerd op een verdergaande onderzoeksplicht van de belastingadviseur (tenzij sprake is van een goedkeurende accountantsverklaring). Als dat onderzoek het karakter moet krijgen van een accountantscontrole zullen belastingadviseurs daarvoor (over het algemeen) onvoldoende geëquipeerd zijn.

2. Een diepgaandere controle – zeker als die het effect moet sorteren dat Provoost lijkt te bedoelen – zou zodanig diep van aard en omvang moeten zijn dat deze onbetaalbaar wordt.

3. Als de belastingadviseur zich baseert op een jaarrekening die van een accountants-, beoordelings- of samenstellingsverklaring is voorzien en de belastingadviseur geen aanleiding heeft te veronderstellen dat die accountant zijn werkzaamheden niet deugdelijk heeft uitgevoerd, moet hij daarop zijn aangifte kunnen baseren.

Hoewel de Vierde tranche op dit moment een redelijk hoog ‘zwaard van Damocles’-gehalte heeft voor belastingadviseurs en anderen die aangiften verzorgen, kunnen ze nog steeds hun aangifte baseren op een door een accountant gecontroleerde, beoordeelde of samengestelde jaarrekening. Van (mede)daderschap in de zin van de Vierde tranche lijkt mij dan niet snel sprake.


Anton Dieleman is directeur vaktechniek bij Mazars


Reageer op dit artikel


 





Laatste reacties






Over de auteur


Archief