'de Accountant'
Home > Weblogs > Marcel Pheijffer
print deze pagina    
Marcel Pheijffer

Uitspraak witwassen: stap terug

01 december 2009

Een vaktechnisch verhaal ditmaal. Wellicht lastig leesbaar en gecompliceerd. Maar niet onbelangrijk voor de praktijk. Even doorbijten dus!

Op 23 november 2009 heeft het College van Beroep voor het Bedrijfsleven (CBB) een belangrijke uitspraak gedaan. Voor de vluchtige lezers: lees in ieder geval rechtsoverweging 5.5 tot en met 5.8.

Ik beoordeel deze uitspraak als een stap terug in de witwasbestrijding. Zij die niet veel op hebben met de meldplicht witwassen zullen het juist als een stap vooruit zien. Het CBB legt het begrip ‘transactie - en daar gaat de meldplicht over - namelijk zeer restrictief uit.

De uitspraak ziet op het tijdperk dat de Wet Melding Ongebruikelijke Transacties (Wet MOT) van kracht was. De wetgeving op het gebied van de witwasbestrijding is inmiddels samengevoegd en aangepast in de Wet ter voorkoming van Witwassen en Financiering van Terrorisme (WWFT). Daarom kunnen aan de bovenstaande uitspraak niet direct conclusies voor de huidige wetgeving worden verbonden.

Waar gaat het om? De Wet MOT bepaalt in artikel 9, eerste lid, dat een ieder die beroeps- of bedrijfsmatig een dienst verleent, een daarbij verrichte of voorgenomen transactie binnen veertien dagen nadat het ongebruikelijke karakter van de transactie bekend is geworden, meldt aan het meldpunt. In artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c van de Wet MOT is bepaald dat onder transactie wordt verstaan ‘een handeling of samenstel van handelingen van of ten behoeve van een cliënt in verband met het afnemen of het verlenen van één of meer diensten'.

In de uitspraak van het CBB draait het om de door mij vetgedrukte woorden. Het College legt de door mij aangehaalde bepalingen zeer letterlijk uit. Met als gevolg dat accountants op grond van deze uitspraak tot een veel restrictievere uitleg van de meldplicht komen dan in het verleden. Kort gezegd gingen velen er tot nu toe van uit dat accountants niet alleen ongebruikelijke transacties tussen de accountant en diens cliënt zouden moeten melden, maar ook transacties die de accountant in de administratie van de cliënt waarneemt en die spelen tussen die cliënt en derden.

Het CBB stelt nu echter: ‘Naar het oordeel van het College biedt de tekst van artikel 9, eerste lid, Wet MOT geen steun voor de stelling van BFT dat de daarin bedoelde meldingsplicht ontstaat zodra degene die beroeps- of bedrijfsmatig een dienst verleent op enigerlei wijze van een verrichte of voorgenomen ongebruikelijke transactie op de hoogte raakt. Ook de wetsgeschiedenis biedt hiervoor geen aanknopingspunten. Deze bepaling legde ten tijde van belang juist uitdrukkelijk een verband ("daarbij") tussen de verrichte of voorgenomen ongebruikelijke transactie en de dienst die beroeps- of bedrijfsmatig wordt verleend. Dit verband blijkt eveneens uit de definitie van het begrip transactie in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c, Wet MOT ("in verband met"). Met andere woorden, en in tegenstelling tot hetgeen de rechtbank in navolging van BFT heeft geoordeeld, is voor het ontstaan van bedoelde meldingsplicht niet voldoende het enkele feit dat de dienstverlener een ongebruikelijke transactie onder ogen komt, maar ontstaat die verplichting pas wanneer de als ongebruikelijk aan te merken transactie verband houdt met de dienst die beroeps- of bedrijfsmatig wordt verleend.'

Zoals gezegd zie ik deze uitspraak als een stap terug. De meldplicht voor de vrije beroepsbeoefenaren, waaronder de accountant, is er juist gekomen mede omdat zij zicht krijgen op wat zich bij hun cliënten afspeelt. Dat blijkt onder meer uit het feit dat de Wet MOT zag op de navolgende diensten die accountants verlenen: controleren, beoordelen, samenstellen en het voeren van administraties.

Maar het moge ook blijken uit de zogeheten guidelines voor ongebruikelijke transacties - opgesteld door het voor de Wet MOT medeverantwoordelijke ministerie van Financiën - zoals opgenomen in de zogeheten richtsnoeren. Die hebben een ruimere strekking dan de enge interpretatie die het CBB nu aan het transactiebegrip geeft.  .

Bovendien is in eerdere jurisprudentie - deels overigens strafrechtelijk en niet zoals bij het CBB bestuursrechtelijk van aard - niet eerder zo'n enge interpretatie aan het transactiebegrip gegeven.

Maar zoals gezegd: thans is de WWFT van kracht. Daarin is de ‘helft' van de pijn van de CBB-uitspraak weggenomen. De ‘daarbij'-bepaling waarop de uitspraak mede is gestoeld, komt niet meer voor in de bepaling waarin de meldplicht wordt gedefinieerd (artikel 16 WWFT).

Maar in de WWFT is nog wel hetzelfde transactiebegrip als in de Wet MOT - met daarin de ‘in verband met'-bepaling - van toepassing. Namelijk: onder transactie wordt verstaan ‘een handeling of samenstel van handelingen van of ten behoeve van een cliënt in verband met het afnemen of het verlenen van één of meer diensten'.

Die laatste definitie kan ingekort - en dat mag vanwege de ‘of'-bepalingen - als volgt worden gelezen: ‘een handeling van een cliënt in verband met het afnemen van een dienst'. Zo gelezen kan tot het volgende voorbeeld worden gekomen.

De dienst die de accountant levert kan een controle-, beoordelings- of samenstelopdracht zijn. De handeling van de cliënt die deze met een derde pleegt - bijvoorbeeld het afsluiten van een lening waarbij de herkomst van de gelden onduidelijk is - kan neerslaan in het object (bijvoorbeeld de jaarrekening) die de accountant moet controleren, beoordelen of samenstellen. Indien de accountant de lening vervolgens ontdekt en als ongebruikelijk kwalificeert, dan doet hij dat in verband met de dienst die de cliënt van hem heeft afgenomen.

In het voorbeeld zijn alle bestanddelen van de ingekorte definitie van transactie opgenomen. Naar mijn mening behoort de accountant die transactie dan ook te melden.

Enfin: voor nu zaait de CBB-uitspraak onduidelijkheid. Want moet het oordeel geveld in het kader van de Wet MOT nu wel of niet één op één worden vertaald naar de WWFT? Hoe gaan de toezichthouders als het BFT en de AFM hiermee om? Hoe oordelen andere rechters dan die bij het CBB?

En last but not least: hoe gaat het NIVRA dit in de richtsnoeren vertalen? Wordt de restrictieve uitleg van het CBB overgenomen? Wordt in overleg getreden met toezichthouders en/of de wetgever?

Stilzitten is geen optie, dunkt mij. De uitspraak is immers een breuk met het verleden. En doordat de reikwijdte van de uitspraak niet direct vaststaat zal deze tot verwarring in de praktijk aanleiding geven.

Marcel Pheijffer

Reacties (9) | Reageer


Reacties


Geplaatst door Arnout van Kempen - 10-12-2009 14:04:15

Ik vraag me af of de uitspraak een breuk is met het verleden. Was er vóór deze uitspraak jurisprudentie die in een andere richting wees? Of werd het verleden gevormd door de wensen van toezichthouders of toeschouwers?

Het lijkt mij significant om te lezen wat CB, NOB, FB, NIVRA en NOvAA in hun gezamenlijke "richtsnoeren voor de interpretatie van de WWFT" schrijven:

"Onder de Wet MOT bestond een relatie tussen de ongebruikelijke transactie en de door de
instelling verleende dienst (“daarbij” verrichte transactie – artikel 9 lid 1, Wet MOT).
Deze tekst is in de Wwft aangepast. Niet langer de dienst staat centraal, maar de dienstverlener die beroeps- of bedrijfsmatig handelt. Ook als de dienst niet specifiek
gericht is op de ongebruikelijke transactie zal de instelling een geconstateerde
ongebruikelijke transactie moeten melden." (pagina 47/48)

Blijkbaar is de uitspraak van de CBB niet zo bijzonder VOLGENS DE BEROEPSORGANISATIES, maar al voorzien bij het schrijven van de WWFT. En blijkbaar is de vraag wat de implicatie van de CBB uitspraak is in het licht van de WWFT al door de diverse beroepsorganisaties beantwoord.

Veel relevanter, en eerlijk gezegd ook veel zorgwekkender, vind ik dat de beroepsorganisaties er met elkaar niet uitkomen hoe het nu onder de WWFT zit. Want hoe vervolgt de handreiking?

"Als de cliënt aan de instelling actieve medewerking vraagt bij transacties die mogelijk op
witwassen of terrorismefinanciering duiden, dan dient de instelling zonder twijfel te
melden."

Kennelijk menen de beroepsorganisaties dat er juridisch zoiets bestaat als een meldingsplicht en een "meldingsplicht zonder twijfel".

Wat blijkt: de interpretatie van de WWFT, langs dezelfde lijnen als de Wet MOT-interpretatie van het CBB is "zonder twijfel". Het idee dat je bij "passieve betrokkenheid" een meldingsplicht hebt is vooral een idee van de beroepsorganisaties. Ik citeer: "Naar het oordeel van de
beroepsorganisaties is ook in die gevallen het bestaan van een meldingsplicht
aannemelijk."

Belastingadviseurs en accountants mogen hun beroepsorganisaties wel dankbaar zijn over deze duidelijke richtlijn. Het is volgens de beroepsorganisaties aannemelijk. Sterke juridische positie.

De beroepsorganisaties onderkennen nog een derde categorie transacties: wel ongebruikelijk, maar geen enkele betrokkenheid van de professional, niet eens passief. Wat dan te doen? Ik citeer weer: "Gezien de ruimere wettekst van
artikel 16 Wwft zal vermoedelijk wel gemeld moeten worden, ook als de cliënt zelf niet
betrokken is bij de ongebruikelijke transactie bij de target. Enige twijfel hierover blijft
echter, gezien de omschrijving van de meldingsgegevens in artikel 16, lid 2 Wwft, waar
nog steeds de link met de cliënt gelegd wordt"

"Resumerend komen de beroepsorganisaties tot de volgende interpretatie van
artikel 16 Wwft:
· Een ongebruikelijke transactie dient zeker te worden gemeld indien cliënt betrokken is
bij de transactie en de dienstverlening zich uitstrekt tot de transactie zelf of het
verwerken van die transactie of de gevolgen daarvan.
· Een ongebruikelijke transactie dient waarschijnlijk gemeld te worden indien de
instelling in het kader van diens beroepsmatig of bedrijfsmatig handelen in opdracht
van de cliënt, een ongebruikelijke transactie constateert waarbij de cliënt zelf niet
betrokken is."

Ik resumeer anders: de beroepsorganisaties hebben nagelaten een heldere richtlijn neer te leggen. Ze hadden klip en klaar stelling moeten innemen, of uitspraken van de rechter moeten afwachten. Het heeft er alle schijn van dat ze zich nu vooral door BFT, en wellicht private meningen, hebben laten leiden.

Maar dat het CBB nu uitspraken doet die gaten schieten in het "waarschijnlijke" standpunt van de beroepsorganisaties kan nauwelijks een breuk worden genoemd met een niet bestaand verleden. Het is mogelijk het begin van een breuk met een véél te ruime interpretatie door de beroepsorganisaties.

Misschien wordt het tijd dat fiscalisten en accountants de vraag stellen waarom hun beroepsorganisaties zo voorbarig een "waarschijnlijk" standpunt hebben ingenomen, in plaats van zich te verzetten tegen de zoveelste poging van fiscalisten en accountants onbezoldigde opsoringsambtenaren te maken?



Geplaatst door Hans Peek - 10-12-2009 13:20:21

Een belangrijk beginsel in een rechtsstaat is de eerbiediging van de 'rule of law'. Die brengt met zich mee dat wettelijke verplichtingen niet door (ex)overheidsdienaars als de heer Pheijffer en BFT-ers worden opgerekt tot verplichtingen die zij persoonlijk moreel en maatschappelijk wenselijk achten. Gelukkig zijn (de meeste?) rechters standvastig en objectief. Zie onder meer de Belgische rechter die het proces tegen de KB Lux nietig heeft verklaard omdat de bancaire microfiches illegaal door de overheidsspeurders zijn verzameld. Zie ook het Hof van Discipline te 's-Hertogenbosch d.d. 11 september 2009 tegen advocaten Hertoghs, de Bont en ondergetekende, waarbij het BFT werd teruggefloten omdat het inkeerdossiers en andere gegevens van cliënten wilde inzien. In één van die zaken heeft het Hof van Discipline tevens beslist dat het voeren van een bezwaarprocedure in een fiscale procedure buiten de werkingssfeer van de Wet Mot valt. Voor dezelfde redenering als thans gevolgd door het CBB verwijs ik overigens naar mijn eerdere artikel: "Accountants en belastingadviseurs en de last van de melding ongebruikelijke transacties" in Tijdschrift Formeel Belastingrecht 2008/5. Een artikel dat de goedkeuring van de heer Pheijffer niet zal kunnen wegdragen maar zijn redeneringen zijn een grote bedreiging voor een fatsoenlijke en evenwichtige rechtsstaat. Het CBB heeft de wet toegepast zoals deze is bedoeld.
Hans Peek, Peek advocaten te Utrecht


Geplaatst door Joop Anemaet - 6-12-2009 17:15:54

Wat zich hier wreekt is dat de WID/MOT, thans Wwft, oorspronkelijk is geschreven voor banken. Pas later is de werkingssfeer uitgebreid tot (onder meer) accountants. Bij deze uitbreiding is verzuimd om de redactie van de wet hierop integraal aan te passen; daardoor is de wet voor accountants uitzonderlijk moeilijk te bevatten en naar nu blijkt ondeugdelijk.

Een bank voert transacties uit voor een cliënt (waarbij het ongebruikelijke karakter kan leiden tot meldplicht), zodat vanzelfsprekend de ‘dienst’ van de bank verband houdt met de ‘transactie’ ten name van de cliënt. Maar een accountant die jaarrekeningen samenstelt of controleert voert geen transacties uit voor een cliënt, zodat de dienstverlening van deze accountant geen verband houdt met de transactie van cliënt.

Tengevolge van de uitspraak van het CBB komt de meldplicht voor accountants nu te hangen op de vraag of er een verband is tussen de dienst die wordt verleend en de transactie van de cliënt; hetgeen redelijkerwijs alleen maar het geval is als de accountant (als een soort tussenpersoon) transacties uitvoert voor de cliënt.
De redenering die Marcel aanbiedt ter reparatie van de slordigheid van de wetgever snijdt geen hout: hij construeert een verband tussen de transactie van de cliënt en de dienst van de accountant via het feit dat de dienst van de accountant leidt tot het kennisnemen van de transactie. Maar dat is nog iets anders dan een verband met de transactie zelf. Zie ook de overweging van het CBB, dat niet voldoende is het enkele feit dat de dienstverlener een ongebruikelijke transactie onder ogen komt, maar dat de transactie verband houdt met de dienst.
Kortom, deze wet zit niet goed in elkaar. Het is tijd voor reparatiewetgeving.


Geplaatst door Eric - 3-12-2009 21:35:07

In reactie op Van der Grinten:

Uw interpretatie van hetgeen ik schrijf is wat mij betreft dermate onjuist dat ik toch maar even reageer. Ik neem nergens een moreel superieur standpunt in en wil deze discussie niet winnen doch slechts aangeven welke risico's ik zie aan hetgeen mevrouw Timmer schetste. Ik geef een voorbeeld van wat een accountant misschien aan zou kunnen treffen bij een controle. Dat u meent dat het fantasierijk en overdreven is, laat ik graag aan u. Ik stel overigens niet dat het overal en altijd voor zou komen, ik geef slechts een hypothetisch voorbeeld van een - overigens veelvoorkomende - loanbackconstructie. Stigmatiserend? Wellicht, maar het is - tenminste na de Dover-zaak - voor iedereen duidelijk dat Chinezen eerder slachtoffers zullen zijn van mensensmokkel dan Belgen.

Maar waar ik eigenlijk bezorgd om ben, is natuurlijk niet of de accountant wel voldoende verlengstuk van de opsporing wordt, maar veeleer de zeker niet hypothetische situaties dat van een accountant verwacht wordt dat hij of zij met inzicht in de administratie signalen niet opmerkt, waarvan het maatschappelijk verkeer (achteraf) meent dat dat toch eigenlijk wel had gemoeten.

In dergelijke gevallen zal het naar mijn stellige mening niet volstaan te verwijzen naar het feit dat de cliënt gescreend was en dat de betreffende signalen niets van doen hadden met de beperkte rol die nu eenmaal was toebedeeld.

Overigens verwart u opsporen met signaleren. Een accountant hoeft niet op te sporen; een accountant kan volstaan met signaleren. Het signaal gaat naar een instantie (MOT, AFM) die kan gaan opsporen. Wellicht kan een betere vrijwaring van accountants of een situatie waarbij meldingen niet eerder "doorgemeld" worden dan nadat sprake is van een "match" met opsporingsgegevens, iets daaraan verzachten.

Uw gedachte dat een dienstverlener strafrechtelijk vervolgd zou worden voor het hebben van een slechte dag gaat mij dan ook veel te ver. Heeft u al eens gehoord dat een bankmedewerker vervolgd werd voor het niet doen van een MOT-melding? Zo zal het accountants die een transactie niet opmerken - die niet behoort tot de eigenlijke dienstverlening of niet materieel was of om nog andere controletechnische redenen niet opgemerkt had hoeven worden - vast ook vergaan.

Waar ik het wel met u, cq mevrouw Timmer over eens kan zijn is het verwachtingenmanagement dat u bepleit. Zeker als een beroepsgroep zou menen dat de verwachtingen niet te hoog gespannen mogen worden, is het de hoogste tijd om dat zo snel mogelijk te communiceren. Het zou best kunnen dat er in dat geval een verwachtingskloof bestaat.


Geplaatst door van der grinten - 3-12-2009 13:05:21

In reactie op Eric:
Dergelijke voorbeelden zijn naar ik mag aannemen niet uit uw praktijk opgemaakt maar ontsproten aan uw fantasierijke denkwereld? U begrijpt dat u de discussie wil winnen door een moreel superieur standpunt in te nemen met uw overdreven voorbeeld om zo voor eens en altijd af te rekenen met meer genuanceerde denkbeelden en interpretaties. Dat doet de discussie geen goed en zegt eigenlijk meer over uw voorliefde om het bestaande cijfermatige controlewerk te verruilen voor een feitelijke opsporingsfunctie. Dergelijke strafbare feiten (mensensmokkel) zullen zelden of nooit in de boekhouding verwerkt worden, daarnaast is uw voorbeeld stigmatiserend en derhalve al ongepast.
Inhoudelijk stelt u ook vast dat u eerst de effectiviteit van het electronische rechtspersonendossier wil afwachten voordat u uw uitgebreide controletaken (plus eigen interpretatie van de wet) aanpast aan de wettelijke eisen? Waar mevrouw Timmer naar toe wil in haar reactie is een duidelijkere scheiding tussen wat de burger van de overheid mag verwachten op het gebied van opsporing en vervolging van strafbare feiten (en voorkoming, vandaar het electronische dossier) en de hulpfunctie van dienstverleners wiens commerciële taak het niet is om als verlengstuk van de opsporingsdiensten te opereren. Bij een ruime uitleg, zoals die wordt voorgestaan door Marcel, zouden wij als dienstverleners dus primair onbezoldigd opsporingsambtenaar zijn, zonder de daarbijhorende rechten maar enkel met alle bijbehorende plichten. Ik bedoel hier heel simpel mee dat een opsporingsambtenaar zijn taak kan verzaken zonder strafrechtelijke gevolgen (gewoon een slechte dag gehad) en enkel via het arbeidsrecht een reprimande krijgen terwijl een diensteverlener weldegelijk strafrechtelijk vervolgd zal worden (slechte dag of niet). Daarnaast wordt de dienstverlener niet betaald voor zijn opsporingswerk en krijgt hij geen opleiding aangeboden door de overheid, daar moet hij zelf maar in voorzien en ook nog eens een eigen interpretatie op loslaten (met alle nadelige gevolgen van dien).


Geplaatst door Ellen Timmer (advocaat) - 2-12-2009 23:16:34

In reactie op Eric:
-----------------------
Ik bepleit natuurlijk niet dat aan zakelijke beroepsbeoefenaren geen eisen worden gesteld in hun beroepsuitoefening. Ik denk echter dat er geen overspannen eisen aan die zakelijke beroepsbeoefenaren moeten worden gesteld. In dat verband attendeer ik er op dat zowel voor accountants als advocaten in hun eigen regelgeving eisen worden gesteld aan hun integriteit en het niet meewerken aan frauduleuze handelingen.
Ik meen dat Nederland in de implementatie van de Europese richtlijnen niet verder moet gaan dan die richtlijnen voorschrijven.
Bij een te ruime uitleg heeft dit tot gevolg dat een beroepsbeoefenaar in het kader van zijn cliëntenonderzoek volledig normaal ogende handelingen en gebeurtenissen moet gaan onderzoeken, die niets te maken hebben met zijn dienstverlening. Dat gaat naar mijn mening veel te ver.


Geplaatst door Gert van den Brink - 2-12-2009 21:57:39

Ik lees de uitspraak van de rechter toch anders. Het is niet zozeer de vraag of een transactie met een derde die in de administratie van ondernemer voorkomt moet worden gemeld als wel de vraag of het tijdstip van de ongebruikelijke transactie effect heeft op de meldingsplicht. -"Bedoelde ‘verdachte’ handeling of transactie is echter niet bij de door appellant in 2005 verleende dienst verricht, maar dateert van enkele jaren voordien"- In dit geval lag de ongebruikelijke transactie dus voor het cliënt worden. De koppeling die in de uitspraak wordt gelegd tussen de transactie en de vraag of de adviseur op het moment van de transactie te maken had met een cliënt lijkt me dan ook logisch en past ook in de systematiek van de WWFT. In zoverre denk ik niet dat er sprake is van een versoepeling. De uitspraak kan ook omgekeerd worden toegepast. Als de betrokken ondernemer voordien een accountant of een administratiekantoor heeft gehad zal deze aslnog een melding moeten doen. Ook al zijn de ongebruikelijke omstandigheden pas later bekend geworden. De transactie heeft plaatsgevonden op een moment dat hij zijn diensten verleende.
Het is jammer dat de rechter in de uitspraak verder niet is toegekomen aan de stelling van de belastingadviseur dat een bezwaarprocedure ook valt onder de bepaling van de rechtspositie, een standpunt dat door de NOB wordt gehuldigd.


Geplaatst door Eric - 2-12-2009 20:32:04

Beste Mevrouw Timmer,

Uit uw reactie leid ik af dat u meent dat accountants (en anderen) - als een "waakhond" functioneren, zodra ze signalen van witwassen en/of terrorismefinanciering zouden melden, terwijl die signalen niet direct voortkomen uit hun eigenlijke dienstverlening.

Dat zou immers direct al meer inhouden dan de "beperkte bijdrage aan opsporing van witwassen en terrorismefinanciering" die we van accountants mogen verwachten.

U verwijst naar nieuwe wetgeving waarbij alle rechtspersonen gescreend zullen worden. Het spijt mij zeer, maar mogen we dan niet eerst even afwachten of dat een effectief middel zal blijken? Ik lees "alle rechstpersonen" en het "screenen" daarvan. Wie moet dat dan gaan doen en wat kunnen we daar dan ooit van verwachten? En hoe kunt u menen dat je als accountant dan weer met een gerust hart signalen van witwassen kunt laten lopen, omdat "je klant immers gescreend is".

En misschien mag ik u een praktijkvraag stellen: Stel u bent controlerend accountant van een Chinese restaurantketen en u stelt vast dat een lening wordt verkregen die in delen van USD 50.000 vanuit New York wordt overgeboekt. De overboekingen hebben met de feitelijke dienstverlening niets te maken; de restaurants zijn gescreend dus wat kan u overkomen?

U hoeft het niet te melden, want u bent toch geen waakhond?
Maar als het nu te maken zou hebben met een misdrijf, ik noem het mensonterende mensensmokkel / mensenhandel en als accountant bent u de enige die dit signaal krijgt, wilt u zich dan tegenover het maatschappelijk verkeer verantwoorden door slechts te stellen dat van u niet meer dan een beperkte bijdrage verwacht mag worden? Dat als u niet rechtstreeks door de Chinese restauranthouder wordt gevraagd of u nog iets weet met overtollige contanten in de vorm van USD (dan wordt u immers om advies gevraagd- deel van uw eigenlijke dienstverlening) , dat u dan domweg niets meldt?

Uw reactie mag naar de letter van de wet dan wellicht nog juist zijn, maar bij mij roept het sterk het gevoel op dat als het om veiligheid en integriteit van de Nederlandse samenleving gaat, we van accountants, belastingadviseurs, advocaten etc. vooral niet teveel mogen verwachten. Ik zou dat beeld juist willen vermijden.


Geplaatst door Ellen Timmer - 2-12-2009 11:11:08

Naar mijn mening is de uitspraak van het CvBB een zeer juiste. Het merkwaardige van zowel de Wet MOT en de Wwft is juist steeds geweest dat toezichthouder BFT (Bureau Financieel Toezicht) een veel ruimere opvatting had over de signaleringsplicht van de beroepsbeoefenaar dan bijvoorbeeld de medewerkers van het meldpunt mot van justitie.
Het is ook niet de eerste keer dat het BFT in zijn enthousiasme verder wil dan de wet toelaat, zie recent Notariskamer Hof Amsterdam 17 november 2009, LJN: BK3931.
Voorts heb ik het altijd onbegrijpelijk gevonden dat beroepsbeoefenaars als accountants, belastingadviseurs en advocaten, die een beperkte rol bij hun cliënten spelen, als een soort van waakhond ook buiten hun eigenlijke dienstverlening attent zouden moeten zijn op ongebruikelijke transacties. Het doel van de antiwitwaswetgeving is dat de beroepsbeoefenaars niet door middel van hun dienstverlening witwassen en terrorismefinanciering faciliteren. Dat doel is door het BFT volledig uit het oog verloren.
Ik zie overigens ook niet in dat deze jurisprudentie een stap terug is. Naar mijn mening is van de beroepsbeoefenaren een beperkte bijdrage aan opsporing van witwassen en terrorismefinanciering te verwachten. Er komt allerlei nieuw instrumentarium aan (zoals onder meer de nieuwe wetgeving inzake Nederlandse rechtspersonen, waarbij alle rechtspersonen gescreend zullen gaan worden), dat veel geschikter is dan de opsporing via de beroepsbeoefenaren.
Mijn voorstel: schaf de Wwft af voor accountants, notarissen, belastingadviseurs en advocaten en neem de integriteitsregels voortvloeiend uit de Europese regelgeving op een reële manier op in de sectorspecifieke wetgeving (Advocatenwet, notariswetgeving e.d.). Versterk het tuchtrecht voor de gereguleerde beroepsbeoefenaren en creëer eigen gespecialiseerde toezichtsorganen en hef het BFT op.


Laat een reactie achter


 










Laatste reacties
Rapport Scheltema
Datum: 10-03-2010 | Aantal reacties: 3
Het democratisch teveel (2)
Datum: 10-03-2010 | Aantal reacties: 3
Alweer overname adviesbureau door Deloitte UK
Datum: 09-03-2010 | Aantal reacties: 1
Amerikaanse rekenkamer: weer oordeelonthouding voor jaarrekening federale overheid
Datum: 09-03-2010 | Aantal reacties: 1
Professionele scepsis
Datum: 08-03-2010 | Aantal reacties: 2

Over de auteur:

Archief