Column arbeidsrecht

Dure (onmiddellijke) opzegging

Een werkgever is niet tevreden met een nieuwe werknemer en zegt na anderhalve week de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang op, maar geeft daarbij ook een opzegtermijn. Die tegenstrijdigheid komt de werkgever duur te staan.

Een werkgever is verplicht om de wettelijke dan wel contractuele opzegtermijn in acht te nemen bij de opzegging van het dienstverband met zijn werknemer. Als een werknemer dan niet met het ontslag instemt, zal de werkgever de rechter moeten vragen de arbeidsovereenkomst te ontbinden. Dat geldt echter niet indien sprake is van een ontslag op staande voet: de werkgever kan de werknemer met onmiddellijke ingang én zonder toestemming van de werknemer ontslaan.

In deze zaak bij de rechtbank Den Haag op 11 september 2019 draait het om een arbeidsovereenkomst met een werknemer die de werkgever al na anderhalve week opzegt. De werkgever meldt in de opzeggingsbrief aan de werknemer dat hij de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang beëindigt, maar óók onder vermelding van een opzegtermijn. De rechtbank Den Haag oordeelt dat deze tegenstrijdigheid voor rekening van de werkgever moet komen en veroordeelt de werkgever tot het betalen van een billijke vergoeding ter hoogte van 25 duizend euro.

Feiten

De werknemer is eind juni 2019 bij de werkgever in dienst getreden in de functie van watersportmonteur. Na anderhalve week constateert de werkgever dat de werknemer niet geschikt is voor zijn functie. Volgens de werkgever zou de werknemer niet alle informatie over zijn vaardigheden bij zijn sollicitatie hebben verschaft. Indien de werknemer dat wel had gedaan, dan had de werkgever hem niet aangenomen.

De werkgever zegt vervolgens de arbeidsovereenkomst met zijn werknemer met onmiddellijke ingang bij brief van 3 juli 2019 op. In diezelfde brief geeft de werkgever ook aan een opzegtermijn van één maand te hanteren.

Oordeel kantonrechter

Ter zitting geeft de werknemer aan te berusten in het ontslag, maar de werknemer vordert wel een billijke vergoeding. De kantonrechter oordeelt eerst over de vraag wanneer de arbeidsovereenkomst is geëindigd. De overeenkomst is zowel met onmiddellijke ingang als met inachtneming van de opzegtermijn tegen 1 september 2019 door de werkgever beëindigd. Mede hierdoor is er volgens de kantonrechter geen sprake van een ontslag op staande voet. Het is voor de werknemer immers niet duidelijk geweest dat de werkgever de relatie per direct wilde laten eindigen. De arbeidsovereenkomst is aldus per 1 september 2019 beëindigd. Werkgever moet het loon van werknemer tot die tijd doorbetalen.

Billijke vergoeding

De kantonrechter oordeelt verder dat werknemer recht heeft op een billijke vergoeding, omdat de werkgever de arbeidsovereenkomst in strijd met de geldende regels heeft opgezegd. Van een ontslag op staande voet is geen sprake en de werknemer heeft niet ingestemd met zijn ontslag. Dat geeft de kantonrechter grond om een billijke vergoeding aan werknemer toe te kennen. Werknemer is 61 jaar en heeft geen recht op een WW-uitkering of transitievergoeding. Mede in dat licht acht de kantonrechter een billijke vergoeding van 25 duizend euro gerechtvaardigd.

reacties

Reageer op dit artikel

Spelregels debat

    Gerelateerd

    Aanmelden nieuwsbrief

    Ontvang elke werkdag (maandag t/m vrijdag) de laatste nieuwsberichten, opinies en artikelen in uw mailbox.

    Bent u NBA-lid? Dan kunt u zich ook aanmelden via uw ledenprofiel op MijnNBA.nl.