Beloningen

Accountancy: marktconforme inkomens, marktconforme kwaliteit?

In een reactie op een recente opinie van Marcel Pheijffer (wat weer een reactie was op een reactie van Jan Bouwens op een opinie van Jules Muis en Tom Nierop; volgt u het nog?) stelde Jules Muis twee - volgens hemzelf geen retorische - vragen. In deze bijdrage mijn mogelijke antwoorden.

Muis stelde in genoemde reactie bij deze opinie twee vragen:

  • Waarom zou de Wet Normering Topinkomens niet voor accountants moeten gelden?
  • Hebben we de definitie van ‘kwaliteit van assurance’ voldoende helder?

In deze bijdrage probeer ik een antwoord te formuleren op deze - mijns inziens zeer relevante - vragen en de mogelijke consequenties voor de Commissie Toekomst Accountancysector (CTA).

Vraag 1: De wet maximeert het inkomen van accountants

In een eerdere opiniebijdrage van Jules Muis en Tom Nierop wordt gepleit voor een inkomensplafond voor partners in de accountancy. Ik neem aan dat de gedachte achter dit voorstel uitgaat van de veronderstelling dat een verplichte accountantscontrole een publieke taak is. Daarnaast is waarschijnlijk de tweede veronderstelling van het voorstel dat bij een gemaximeerd inkomen van accountants (lager ten opzichte van de huidige situatie) er bij een constant controlebudget meer uren beschikbaar komen voor controle, waardoor de kwaliteit van de controle toe kan nemen (aannemend dat meer uren tot een betere controle leidt).

Deze veronderstellingen gaan mijns inziens voorbij aan het feit dat er (tenminste) twee markten zijn waarop accountantskantoren actief zijn: de 'afzetmarkt' voor externe controles (waar accountants concurreren met andere accountants), en de ‘inkoopmarkt’ voor menselijk kapitaal (waar accountants concurreren met onder meer financiële instellingen, advieskantoren, bedrijven et cetera). Prijsvorming in beide markten vindt plaats onder invloed van andere factoren.

Wat de invloed van het gemaximeerde inkomen op de markt voor externe controles zal zijn is afhankelijk van het antwoord op de vraag: als het inkomen van de partners lager wordt (lager uurtarief), gaan kantoren - bij gelijkblijvend controlebudget - dan de 'overgebleven uren' inzetten voor meer kwaliteit? Een alternatief voor de investeringen in kwaliteit is dat kantoren de prijs van de controle gaan verlagen; of dat gebeurt is mede afhankelijk van de marktmacht van het accountantskantoor versus de gecontroleerde onderneming/organisatie.

'Dat een controle verplicht is wil niet zeggen dat er daarmee voor ieder accountantskantoor een gegarandeerde inkomstenstroom is.'

Een ander mogelijk gevolg is dat het maximeren van inkomens tot minder innovatie in het controleproces leidt; immers, de voordelen van innovatie vallen niet meer toe aan het slimste en meest innovatieve accountantskantoor. Dat een controle verplicht is wil niet zeggen dat er daarmee voor ieder accountantskantoor een gegarandeerde inkomstenstroom is. Dit is ook weer afhankelijk van aanwezige controlecapaciteit, het aantal accountants dat wettelijke controles uit kan/mag voeren, gehanteerde technologie, etc.  Het netto-effect van een maximering van het accountantsinkomen op de markt voor verplichte controles lijkt me op voorhand daarmee moeilijk te bepalen.

Een tweede effect speelt op de 'inkoopmarkt' voor menselijk kapitaal. Allereerst speelt dat al op de universiteit: stel dat je een kwantitatief ingestelde student bent en je kunt kiezen tussen een master Finance (waarbij je bankier kunt worden, zonder beperkingen aan je inkomen) of een master Accounting (waarbij je inkomen gemaximeerd is). De kans is dan groot dat studenten met meer menselijk kapitaal (hogere cijfers) voor de master met de hogere salarissen kiezen. Je kunt er dan op vertrouwen dat studenten op basis van intrinsieke motivatie en de uitdaging van het accountantsberoep alsnog de 'juiste' keuze maken, maar vraag is of die factoren voldoende opwegen tegen het hogere inkomen. Ik zie in de praktijk dat studenten - vaak degenen met hogere cijfers in de bachelor - kiezen voor een master in de UK, omdat ze daarmee toegang krijgen tot de financiële instellingen in de Londense City (met bijbehorende ongelimiteerde salarissen). Verder in de carrière speelt de keuze rond het uitnutten van het menselijk kapitaal van de accountant nog steeds een rol: stel dat je als accountant kunt kiezen tussen een gemaximeerd inkomen in de accountantssector of een ‘vrij’ inkomen in het bedrijfsleven (als cfo of adviseur), dan zal het norminkomen in de acccountancy een rol gaan spelen bij de keuze.

'De kans is dan groot dat studenten met hogere cijfers voor de master met de hogere salarissen kiezen.'

Samenhangend met het voorgaande: in het artikel van Marcel Pheijffer wordt gesteld dat de accountancy hoge opbrengsten (inkomens) en lage risico's kent voor accountants, zeker in vergelijking met het inkomen van andere werkenden in Nederland. Dat pleit mijns inziens nog steeds niet voor een norminkomen. Laten we ervan uitgaan dat de retailsector (of de elektronicasector, of om het even welke andere sector dan ook) een competitieve (=risicovolle) sector is. Je kunt dan niet stellen dat het feit dat de topmanagers van Ahold, Jumbo, ASML, Philips (of welke onderneming dan ook) tot de 0,5 procent grootverdieners in Nederland behoren, ook bewijs is dat de retail- of elektronicasector high profit-, low-risk-sectoren zijn. Prijsvorming en andere risico’s op de afzetmarkt zijn niet een-op-een gekoppeld aan prijsvorming op de markt voor menselijk kapitaal en/of het beloningsbeleid van de organisatie.

Vraag 2: Kwaliteit van assurance

Volgens mij is dit een issue dat tot nu toe te weinig aandacht heeft gekregen in de maatschappelijke discussie: wat is precies de beoogde kwaliteit van accountantscontroles? In de huidige discussies lijkt de teneur vooral te zijn: ‘de accountant verdient te veel, moet gewoon zijn/haar werk doen en kwaliteit leveren’. Volgens mij vereist dit vraagstuk enige nuance.

Kwaliteit is niet gratis: in het Cost of Quality (COQ) model wordt bijvoorbeeld aangegeven dat je de kosten van kwaliteit kunt meten en dat je de COQ-kosten zou moeten vergelijken met de extra opbrengsten van kwaliteit. In de COQ-methodologie wordt onderscheid gemaakt naar prevention costs (bijvoorbeeld opleiding om een audit goed uit te voeren), appraisal costs (bijvoorbeeld interne review van een dossier), internal failure costs (bijvoorbeeld herstelkosten in de vorm van aanvullende controles om alsnog tot een goede audit te komen) en external failure costs (reactie op klachten van klanten of andere stakeholders). Als de kwaliteit van de controles omhoog moet, is de aanname dat de external failure costs te hoog zijn en dat er te weinig is geinvesteerd in de appraisal en prevention costs.

Een eerste issue betreft dan wat we aanvaardbare external failure costs vinden. Als die nihil moeten zijn, zal er veel geinvesteerd moeten worden in prevention, appraisal en internal failure costs. Dat soort investeringen voorkomt immers dat er fouten worden gemaakt. De vraag is of dat vanuit maatschappelijk perspectief effectief is: het accepteren van een bepaald niveau van external failure costs kan, gezien alle inspanningen, effectiever zijn dan het streven naar het uitbannen van fouten in de controle. Daarnaast is de vraag wie de rekening van extra investeringen in kwaliteit oppakt. Het accountantskantoor? De gecontroleerde onderneming? De maatschappij? De overheid?

'De vraag is wie de rekening van extra investeringen in kwaliteit oppakt.'

Een tweede issue is hoe we de external failure costs gaan bepalen. Bij een onderneming is het erg moeilijk om de external failure costs te meten: die bestaan vaak uit opportunity costs, omdat een klant bij een slecht product voor een andere leverancier kiest en het merk een deuk oploopt. Omdat 'gemiste omzet en lagere merkwaarde' niet uit het accounting systeem zijn af te lezen, worden dit soort kosten vaak onderschat. Een mogelijkheid om een gevoel te krijgen voor de external failure costs in de accountancy is om te kijken naar de controle-informatie ter onderbouwing van het oordeel in de controleverklaring, zoals de AFM doet. Dit is een incomplete maatstaf, omdat de evaluatie wellicht wel uitgevoerd is, maar niet is vastgelegd in het dossier. Een alternatief is om te kijken naar de consequenties van geconstateerde fouten van kwaliteit; kosten die voortkomen uit rechtszaken, boetes en schikkingen. Dit zijn de ‘ultieme’ external failure costs, omdat in dat geval de rechter daadwerkelijk vastgestelde gebreken in de controle heeft geconstateerd en financieel heeft bestraft, of het kantoor via een schikking de kosten van rechtszaken en een eventuele boete probeert te minimaliseren. Uit het overzicht van Marcel Pheijffer blijkt dat de schikkingen en boetes bij faillissementen relatief beperkt zijn; de external failure costs blijken volgens hem gemiddeld 2,5 mln euro per kantoor (bij een gemiddelde omzet per big four kantoor van ca. 720 miljoen euro in 2016). Een andere framing zou dus kunnen zijn: klaarblijkelijk zijn de external failure costs van de kantoren vrij beperkt.

Afwegingen voor de CTA

Om de vragen van Jules Muis kort te beantwoorden: de Wet Normering Topinkomens zou mijns inziens niet voor de accountantssector moeten gelden, omdat dit het menselijk kapitaal uit de accountancy verjaagt, terwijl de voordelen voor de kwaliteit van de controles vooraf moeilijk in te schatten zijn (gegeven de marktmacht van de verschillende partijen).

Daarnaast lijkt het me goed om te kijken wat we nu precies onder kwaliteit verstaan en moeten we ons afvragen hoe we de totale maatschappelijke kosten en opbrengsten van de kwaliteit van de accountantscontroles integraal bepalen en verdelen over betrokken partijen (accountantskantoor, onderneming en andere betrokken stakeholders).

Ik hoop dat de Commissie Toekomst Accountancysector dit soort afwegingen en perspectieven in haar rapport meeneemt en daarmee de aanzet geeft tot marktconforme inkomens en marktconforme kwaliteit in de accountantssector.

reacties

Reageer op dit artikel

Spelregels debat

    Gerelateerd

    Afbeelding Opinie

    Concurrentie en marktwerking in de accountantssector

    "Of het inkomen van een partner te laag of te hoog is ten opzichte van het gelopen risico is een kwestie van marktwerking. Daar bemoei ik me niet mee", stelt Jan Bouwens in een recente blog over 'het risico dat de accountant loopt is hoog'. Een opmerking die onbewust de vinger op de zere plek legt: is de aanname juist dat de markt in de accountancysector effectief werkt? Of is dat juist helemaal niet zo vanzelfsprekend?

    x 7 108 21 Jeffrey Bekkerin

    Aanmelden nieuwsbrief

    Ontvang elke werkdag (maandag t/m vrijdag) de laatste nieuwsberichten, opinies en artikelen in uw mailbox.

    Bent u NBA-lid? Dan kunt u zich ook aanmelden via uw ledenprofiel op MijnNBA.nl.