Ondernemingsrecht

(G)een vergoeding van afgeleide schade?

Een aandeelhouder heeft in de regel geen recht op vergoeding van zogenaamde 'afgeleide schade'. In een zaak tussen een potplantenbedrijf en een gemeente deed zich een bijzonder geval voor van afgeleide schade, die wel voor vergoeding in aanmerking kwam.

 Afgeleide schade is de schade die een aandeelhouder lijdt door een waardevermindering van zijn aandelen die weer het gevolg is van schade die (door een tekortkoming in de nakoming van een overeenkomst of een onrechtmatige daad) aan de vennootschap is toegebracht.  Een rechtstreekse actie van de aandeelhouder waarin hij een vordering instelt tot schadevergoeding is normaal gesproken niet mogelijk. Alleen de vennootschap heeft een vorderingsrecht tot schadevergoeding.

Op deze hoofdregel geldt een uitzondering als tegen de aandeelhouder rechtstreeks een specifieke zorgvuldigheidsnorm is geschonden. Denk aan een onrechtmatige daad of een toerekenbare tekortkoming. In een uitspraak van 12 oktober 2018 oordeelde de Hoge Raad dat sprake was van afgeleide schade die voor vergoeding in aanmerking kwam, maar dat in dit geval de vennootschap zelf geen vordering had. De Hoge Raad oordeelde daarom dat de hoofdregel niet van toepassing was en dat de aandeelhouder zelf schadevergoeding kon vorderen.

Feitelijke achtergronden

Een holding houdt alle aandelen in het geplaatste kapitaal van een dochtermaatschappij. Op haar beurt houdt de dochtermaatschappij alle aandelen in het geplaatste kapitaal van meerdere werkmaatschappijen. Alle vennootschappen samen vormen een groep, die zich bezighoudt met de productie van en handel in onder meer potplanten. In 2004 heeft de holding een perceel grond verkregen. Zij wilde daarop een potplantenkwekerij exploiteren. Hiervoor diende een drietal containervelden te worden aangelegd, op geasfalteerde ondergrond.

Kort nadat de holding begon met de aanleg van het eerste containerveld, besloot de gemeente dat de holding de werkzaamheden moest staken en gestaakt moest houden, op straffe van verbeurte van een dwangsom. Vervolgens verving de gemeente het genoemde besluit door een nieuw besluit met dezelfde last onder dwangsom. De holding maakte bezwaar tegen beide besluiten. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, de hoogste bestuursrechter van Nederland, vernietigde uiteindelijk de besluiten. Daarmee stond vast dat de besluiten onrechtmatig waren tegenover de holding.

Uitspraken rechtbank en hof

De holding sprak hierop, samen met haar dochter, in een civiele procedure bij de rechtbank de gemeente aan tot schadevergoeding. De rechtbank wees de vorderingen voor een belangrijk deel af, onder meer omdat de gemeente volgens de rechtbank niet onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de dochtermaatschappij. De dochtermaatschappij had geen bezwaar of beroep ingesteld. Daarmee hadden de besluiten ten aanzien van de dochtermaatschappij zogenaamde 'formele rechtskracht' verkregen. De rechtbank overwoog dat niet viel in te zien dat de gemeente op een andere manier onrechtmatig had gehandeld tegenover de dochtermaatschappij. Het hof heeft de uitspraak van de rechtbank bekrachtigd.

Oordeel van de Hoge Raad

De Hoge Raad gaat eerst in op de hoofdregel dat afgeleide schade die een aandeelhouder lijdt normaal gesproken niet voor vergoeding in aanmerking komt. De achtergrond van de hoofdregel is dat het in dat geval aan de vennootschap zelf is om “ter bescherming van de belangen van allen die bij het in stand houden van haar vermogen belang hebben” vergoeding van de toegebrachte schade vorderen. Op deze regel kan zoals gezegd een uitzondering worden gemaakt bij een gedraging die specifiek onzorgvuldig is tegenover de aandeelhouder.  

Uitgangspunt in deze zaak was, zo overwoog de Hoge Raad, dat de gemeente niet onrechtmatig tegenover de dochtermaatschappij had gehandeld. De gemeente was dan ook niet tegenover haar aansprakelijk en de dochtermaatschappij had, anders dan bij toepassing van de hoofdregel, zelf geen vorderingsrecht. Nu vastgesteld was dat geen sprake was van onrechtmatig handelen van de gemeente tegenover de dochtermaatschappij, was er volgens de Hoge Raad ook geen reden om aan de holding schadevergoeding te ontzeggen. Het hof had dus, in de visie van de Hoge Raad, ten onrechte de schadevergoedingsvordering van de holding afgewezen.

De holding en de dochtermaatschappij hadden betoogd dat de holding schade had geleden, door de onrechtmatige besluiten van de gemeente. De stellingen van de holding en de dochtermaatschappij kwamen erop neer dat hun bedrijfsactiviteiten waren ondergebracht in de dochtermaatschappij, dat die vennootschap winst had gederfd doordat zij door de besluiten van de gemeente ernstig was gehinderd in haar exploitatiemogelijkheden en dat als gevolg daarvan aanzienlijke schade was geleden door de holding. De schade bestond uit gederfd dividend van de holding of in een lagere waarde van  haar aandelen in de dochtermaatschappij.

De Hoge Raad overwoog dat schade van een aandeelhouder (in dit geval de holding) ook kan bestaan in gemiste dividenduitkeringen of een lagere waarde van de aandelen. Als deze schade in oorzakelijk verband staat met de onrechtmatige gedragingen tegenover de aandeelhouder zelf, dan komt die schade voor vergoeding in aanmerking.

Hoofdregel

De uitspraak van de Hoge Raad komt er in de kern op neer dat de maatstaven ten aanzien van afgeleide schade van een aandeelhouder niet van toepassing zijn als tegenover de vennootschap waar de schade is opgetreden (in dit geval de dochtermaatschappij) niet onrechtmatig is gehandeld of wanprestatie is gepleegd. In dit geval kan niet worden gezegd dat de vennootschap (de dochtermaatschappij) schadevergoeding had moeten vorderen. Aangezien tegenover haar niet onrechtmatig is gehandeld, had zij immers geen vorderingsrecht. De aandeelhouder (de holding) heeft wel een aanspraak, maar heeft geen direct nadeel ondervonden. Deze afgeleide schade valt daarmee in een andere categorie dan waarop de hoofdregel betrekking heeft, zodat de hoofdregel daarop niet zonder meer kan worden toegepast.

reacties

Reageer op dit artikel

Spelregels debat

    Gerelateerd

    Afbeelding Column ondernemingsrecht

    Collegiale verantwoordelijkheid is nog geen collegiale aansprakelijkheid

    Als een BV meerdere bestuurders heeft dan zijn zij in principe gezamenlijk, 'collegiaal', verantwoordelijk voor het bestuur. Wordt de vennootschap niet goed bestuurd, dan kan dat tegenover de vennootschap, 'intern', ook leiden tot gezamenlijke aansprakelijkheid. Tegenover schuldeisers van de vennootschap, 'extern', is dat echter anders, zo bevestigde de Hoge Raad recent nog een keer.

    x 0 Joop Werner

    Aanmelden nieuwsbrief

    Ontvang elke werkdag (maandag t/m vrijdag) de laatste nieuwsberichten, opinies en artikelen in uw mailbox.

    Bent u NBA-lid? Dan kunt u zich ook aanmelden via uw ledenprofiel op MijnNBA.nl.