Onroerend goed

Verwerking van een herinvesteringsreserve in de jaarrekening

Bij de jaarrekening op fiscale grondslag is de herinvesteringsreserve (HIR) een opvallende post. Belangrijkste reden: de verwerking wordt niet alleen bepaald door verslaggevingsregels, maar ook door de fiscale mogelijkheden. In dit artikel, het tweede van een drieluik over onroerend goed, staan beide centraal. Extra aandacht is er voor de verwerking van een nog niet benutte HIR, die wordt opgenomen onder het eigen vermogen van de rechtspersoon. Dat heeft effect op deelnemingen, die worden gewaardeerd tegen de nettovermogenswaarde.

De herinvesteringsreserve (HIR) ontstaat als een bv een boekwinst realiseert bij de verkoop/vervreemding van een bedrijfsmiddel en de rechtspersoon het voornemen heeft om dit bedrijfsmiddel te vervangen door een ander bedrijfsmiddel. Deze boekwinst komt, rekening houdend met een aantal fiscale spelregels, in mindering op de kostprijs van het vervangende bedrijfsmiddel. Het is niet verplicht om deze boekwinst onder te brengen in een HIR. De onderneming kan er ook voor kiezen om de boekwinst in het resultaat te verwerken, wat in principe leidt tot directe belastingheffing.

Als de vennootschap (compensabele) verliezen heeft kan dit voordelig zijn, omdat de boekwinst in dat geval niet tot directe belastingheffing leidt. In voorkomende gevallen kan hiermee zelfs worden vermeden dat compensabele verliezen verdampen.

Fiscale spelregels

Voor de verwerking van de herinvesteringsreserve gelden onder meer de volgende fiscale spelregels:

Voornemen tot herinvesteren
Als de vervanging niet plaatsvindt in het jaar van vervreemding, moet op het moment van vervreemden het voornemen tot herinvesteren bestaan. Dit voornemen moet ook aannemelijk kunnen worden gemaakt, bijvoorbeeld met offertes, notulen van (directie)besluiten, aankoopopdrachten, verslagen van onderhandelingen etc. Over deze eis moet niet te licht worden gedacht. Als het voornemen niet afdoende aannemelijk kan worden gemaakt, moet de HIR alsnog worden opgenomen in het resultaat.

'Over de eis van een voornemen tot herinvesteren moet niet te licht worden gedacht.'

De herinvestering moet uiterlijk plaatsvinden in het derde jaar na het jaar waarin de desinvestering is gedaan. Een langlopend project moet dus uiterlijk in dit derde jaar zijn gestart, waarbij de ingebruikname in een later jaar kan/mag plaatsvinden. Bij bijzondere omstandigheden, zoals een onverwachte tegenslag bij de herinvestering, kan de termijn worden verlengd. Wordt niet tijdig geherinvesteerd, dan wordt de HIR in het derde jaar na de desinvestering alsnog opgenomen in de winst-en-verliesrekening.

Let op! De faciliteit van de HR kan worden toegepast binnen de fiscale eenheid (voor de Vpb). Dit betekent dat een HIR die wordt gevormd bij rechtspersoon A, kan worden aangewend door alle andere rechtspersonen binnen de fiscale eenheid waartoe rechtspersoon A behoort.

Dezelfde economische functie: duurzame versus 'niet-duurzame' bedrijfsmiddelen
Materiële vaste activa worden ingedeeld in twee categorieën; duurzame en niet-duurzame bedrijfsmiddelen. Duurzame bedrijfsmiddelen zijn bedrijfsmiddelen die niet of in meer dan tien jaar worden afgeschreven, zoals onroerende zaken. Bedrijfsmiddelen die in minder dan tien jaar worden afgeschreven, zoals inventaris en vervoermiddelen, kwalificeren als niet-duurzaam. Het is niet mogelijk om een boekwinst op niet-duurzame bedrijfsmiddelen af te boeken op een investering in een duurzaam bedrijfsmiddel. Een HIR die is ontstaan bij de desinvestering op inventaris kan dus niet worden gebruikt bij een investering in een pand. Andersom is wel mogelijk, evenals de verrekening binnen de categorie zelf. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een HIR als gevolg van de verkoop van vervoermiddelen, die wordt afgeboekt op de aankoop van een inventaris.

Willekeurige afschrijving
Voor een boekwinst die is ontstaan door vervroegde of willekeurige afschrijvingen kan geen herinvesteringsreserve worden gevormd. Alleen voor boekwinst die ontstaat op basis van de reguliere fiscale afschrijvingen kan een HIR ontstaan. Anders gezegd: een HIR kan slechts worden gevormd voor zover de opbrengst hoger is dan de boekwaarde die bij reguliere afschrijving zou zijn ontstaan.

Boekwaarde-eis
De boekwaarde van het vervangende bedrijfsmiddel mag door de afboeking van de herinvesteringsreserve niet lager worden dan de boekwaarde van het gedesinvesteerde bedrijfsmiddel.

Voorbeeld
Een bedrijfspand met een boekwaarde van € 250.000 wordt verkocht voor € 350.000. De boekwinst van € 100.000 wordt in een HIR opgenomen. Het vervangende pand kost € 300.000. Bij onverkorte afboeking van de HIR op het nieuwe pand zou de boekwaarde € 300.000 - € 100.000 = € 200.000 bedragen. Dat is dus € 50.000 lager dan de boekwaarde van het oude pand. Door de boekwaarde-eis kan de HIR maar voor maximaal € 50.000 worden afgeboekt. Indien van toepassing mag het restant worden afgeboekt op andere kort-afschrijfbare herinvesteringen. Zo niet, dan wordt het restant in de resultatenrekening verwerkt. Bij een herinvestering van bijvoorbeeld € 400.000 kan de hele HIR wél worden afgeboekt op de aanschafkosten van het vervangende pand.

Verslaggevingsaspecten van de HIR

De HIR is een post die in de jaarrekening op fiscale grondslag wordt opgenomen onder het eigen vermogen. In een commerciële jaarrekening is de HIR niet zichtbaar. Hierbij zal de desinvesteringswinst als opbrengst (bijzondere baten) in de winst-en-verliesrekening worden verantwoord. Fiscaal is er geen winst.

'In een commerciële jaarrekening is de HIR niet zichtbaar.'

Voor het (tijdelijke) verschil tussen de commerciële waarde en de fiscale waarde van het onroerend goed na aanwending van de HIR zal de rechtspersoon in haar commerciële jaarrekening een latente belastingverplichting moeten presenteren. Dit geldt ook voor de onder het fiscaal eigen vermogen gepresenteerde HIR, zolang deze nog niet is aangewend.

HIR is onderdeel van het eigen vermogen

Een herinvesteringsreserve komt in mindering op de aanschafwaarde van de vervangende investering. Een HIR die is aangewend, 'verdwijnt' hierdoor uit de fiscale balans. Het gevolg hiervan is dat de boekwaarde van de vervangende investering lager wordt dan de historische kostprijs van deze investering. Hierdoor daalt het afschrijvingspotentieel. Bij onroerend goed kan de HIR-faciliteit zowel gebruikt worden bij eigengebruikpanden als bij beleggingspanden. Als gevolg hiervan kan de boekwaarde (na aanwending van de HIR) lager uitkomen dan de fiscale bodemwaarde. (Voor beleggingspanden wordt honderd procent van de WOZ-waarde gehanteerd, voor eigengebruikpanden tot en met 2018 vijftig procent van de WOZ-waarde, daarna ook honderd procent van de WOZ-waarde). In dat geval zijn er geen fiscale afschrijvingen meer mogelijk.

Let op: door de 'afboeking' van de HIR op de aanschafwaarde van het vervangende onroerend goed ontstaat er als het ware een 'stille reserve' in de jaarrekening op fiscale grondslag. Volgens RJk D.3.309 moet de rechtspersoon dit - als deze afwijking materieel is en daarmee van belang voor het inzicht in het fiscale vermogen - vermelden in de toelichting. Het is daarbij niet vereist om dit te kwantificeren.

Als de herinvesteringsreserve nog niet is aangewend, wordt de boekwinst van de desinvestering niet verwerkt in de winst-en-verliesrekening, maar rechtstreeks gepresenteerd als herinvesteringsreserve als onderdeel van het fiscale eigen vermogen (RJk D3.2.205). Deze HIR dient separaat tot uitdrukking te worden gebracht. Formeel is het weliswaar geen wettelijke reserve, maar het heeft wel nadrukkelijk het karakter ervan. Als besloten wordt om deze reserve te benutten voor het uitkeren van dividend, kan de Belastingdienst zich op het standpunt stellen dat het vervangingsvoornemen is komen te vervallen. Hierdoor zal de HIR in de winst-en-verliesrekening moeten worden opgenomen. Als de herinvesteringsreserve niet of slechts gedeeltelijk wordt aangewend, dan wordt het niet aangewende bedrag alsnog verwerkt als vrijval in de winst-en-verliesrekening.

Gevolgen voor waardering deelneming
Zoals gesteld: de HIR vormt een onderdeel van het fiscaal eigen vermogen van de rechtspersoon. De desinvesteringswinst verhoogt het vermogen van de vennootschap. Voor de aandeelhouder van deze rechtspersoon (holdingvennootschap) kan dit gevolgen hebben voor de waardering van de deelneming. Als de deelneming is gewaardeerd tegen de nettovermogenswaarde - wat bij een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting zelfs verplicht is - zal de waarde door de HIR bij de deelneming toenemen.

'Voor samenstellende accountants is de verwerking van de HIR al snel een 'significante aangelegenheid'

Deze mutatie is geen 'resultaat deelneming', maar wordt rechtstreeks als mutatie bij de deelneming verwerkt. Deze verhoging resulteert bij de holdingvennootschap in een verhoging van het eigen vermogen als 'wettelijke reserve deelneming'. Na de vervangende investering waarbij de HIR is aangewend, of bij vrijval van de HIR, zal deze wettelijke reserve deelneming weer uit het eigen vermogen van de holdingvennootschap verdwijnen, onder creditering van de waardering van de deelneming.

'Significante aangelegenheid'

Voor samenstellende accountants is de verwerking van de HIR al snel een 'significante aangelegenheid'. Dat heeft alles te maken met het feit dat foutieve verwerking van de HIR niet alleen consequenties heeft voor de jaarverslaggeving, maar ook voor de fiscale positie van de onderneming. Daar komt bij dat accountants in deze context ook nadrukkelijk moeten beseffen dat ze hun blik niet mogen beperken tot de rechtspersoon sec waarbinnen de HIR een rol speelt. Ook rechtspersonen die aandelen houden in de onderneming hebben immers een wezenlijk belang bij een correcte verwerkingswijze van de HIR, omdat de waardering van de deelneming hieraan is gelinkt.

reacties

Reageer op dit artikel

Spelregels debat

    Aanmelden nieuwsbrief

    Ontvang elke werkdag (maandag t/m vrijdag) de laatste nieuwsberichten, opinies en artikelen in uw mailbox.

    Bent u NBA-lid? Dan kunt u zich ook aanmelden via uw ledenprofiel op MijnNBA.nl.