Tuchtrecht

Blindelings akkoord met verslaggeving derivaten

Een registeraccountant van KPMG heeft ten onrechte een goedkeurende verklaring afgegeven bij de jaarrekening 2010 van Vestia. In hoger beroep wordt de berisping bevestigd.

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Zaaknummers:
AWB 13/734 en 13/735 resp. AWB 13/732 en 13/740
Datum uitspraak:
25 februari 2016
Oordeel:
beroepen niet-ontvankelijk c.q. ongegrond, klachten (deels) gegrond
Maatregel:
berisping
Status:
definitief
Vindplaats:
ECLI:NL:CBB:2016:36 , ECLI:NL:CBB:2016:37

Lex van Almelo

Belangrijkste feiten

Een registeraccountant van KPMG geeft in mei 2011 een goedkeurende verklaring af bij de jaarrekening 2010 van de Rotterdamse woningcorporatie Vestia. De corporatie heeft een enorme derivatenportefeuille, die niet op de balans staat. Wel wordt naar de derivaten verwezen in de toelichting.

Ultimo december 2009 is de marktwaarde van de portefeuille 149 miljoen euro negatief; een jaar later is de negatieve positie opgelopen tot 557 miljoen euro. Tot en met 2020 moet Vestia 9,8 miljard euro aan derivaten afdekken.

In de tweede helft van 2011 roepen meerdere banken vanwege de dalende marktrente zogenoemde& margin calls in. Vestia moet 1,3 miljard euro aan zekerheid storten. In het voorjaar van 2012 blijkt de corporatie door liquiditeitsproblemen niet meer in staat om genoeg te storten.

Nadat er in de media berichten zijn verschenen en de Autoriteit Financiële Markten (AFM) contact heeft opgenomen met KPMG stelt het accountantskantoor een onderzoek in. In april 2012 trekt KPMG de goedkeurende verklaring bij de jaarrekening 2010 in. In september 2012 laat het kantoor de inschrijving van de controlerend accountant doorhalen.

In oktober dienen de AFM, het (nieuwe) bestuur van Vestia en de Stichting Onderzoek Bedrijfs Informatie (SOBI) een klacht in tegen de registeraccountant. De Accountantskamer verklaart de klacht van de AFM volledig gegrond en die van Vestia en SOBI deels gegrond. Vestia, SOBI en de accountant gaan in hoger beroep.

Beroepsgronden eerste zaak

(AWB 13/734 en 13/735)

Accountant

  1. Vestia mag niet klagen, omdat het boter op het hoofd heeft;
  2. Vestia mag niet klagen, omdat SOBI en de AFM al over dezelfde feiten hadden geklaagd;
  3. de Accountantskamer heeft ten onrechte en onvoldoende gemotiveerd gezegd dat de accountant geen goedkeurende verklaring had mogen afgeven;
  4. de Accountantskamer heeft de klacht over het toepassen van de kostprijshedge-accounting ten onrechte gegrond verklaard, terwijl de voorganger op dit punt vrijuit ging;
  5. de Accountantskamer heeft de klacht onvoldoende gemotiveerd, omdat in het oordeel over de klacht van Vestia vaak wordt verwezen naar dat over de AFM-klacht.

Vestia

  1. de Accountantskamer heeft ten onrechte de klacht over kostprijshedge-accounting afgewezen;
  2. de Accountantskamer had ook moeten zeggen dat de accountant de controle niet deskundig, zorgvuldig en professioneel genoegd heeft uitgevoerd en zijn rol als eindverantwoordelijke niet waargemaakt.

Oordeel eerste zaak

(AWB 13/734 en 13/735)

Hoger beroep accountant

Ad 1

Volgens vaste jurisprudentie van het college (zie bijvoorbeeld de uitspraken van 6 november 2001 en 6 april 2006) is het niet relevant of de klager een persoonlijk belang heeft bij het indienen van een klacht. Ook de handelwijze van de klager of diens motieven om de klacht in te dienen doen niet ter zake. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de tuchtrechtspraak wordt uitgeoefend in het algemeen belang.

Ad 2

De klachten van SOBI, de AFM en Vestia gaan in wezen allemaal over de uitvoering van de controle van de jaarrekening 2010. Gezien de samenhang heeft de Accountantskamer de behandeling van de klachten terecht op elkaar afgestemd en tegelijk afgedaan. Volgens de regels voor tuchtrechtspraak kun je over dezelfde gedraging meerdere klachten indienen. Door de klachten samen in één zitting te behandelen hoefde de accountant zich niet meermaals te verweren tegen hetzelfde verwijt. Dat ook de uitspraken op dezelfde dag zijn gedaan, is niet onzorgvuldig of procedureel onbehoorlijk.

De Accountantskamer heeft over de klachten van Vestia en de AFM twee afzonderlijke uitspraken gedaan. Er is geen hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak over de klacht van de AFM. Dit kan er echter niet toe leiden dat Vestia geen rechtsmiddel meer zou hebben op grond van het ne bis in idem-beginsel.

Ad 3

Het is niet juist dat de klacht tegen de voorganger alleen ging over de toepassing van kostprijshedge-accounting. De klacht van Vestia tegen de voorganger ging ook over het verwijt dat de accountant te oppervlakkig en onkritisch te werk is gegaan bij de controle. De KPMG-accountant heeft erkend dat de AFM ook klaagde over de gebrekkige planning en uitvoering van de controlewerkzaamheden en dat dit ook in deze zaak aan de orde is. Bovendien heeft hij gezegd dat hij het oordeel van de Accountantskamer over de klacht van AFM niet wil aanvechten.

Ad 4

Over de klacht van Vestia tegen de voorganger zei de Accountantskamer onder meer dat deze de controle grondig en kritisch genoeg heeft uitgevoerd en daarom kon vinden dat de toepassing van kostprijshedge-accounting verdedigbaar en aanvaardbaar was. De KPMG-accountant heeft echter niet voldoende en geschikte controlewerkzaamheden verricht en de controle van de jaarrekening  2010 onvoldoende grondig en professioneel-kritisch uitgevoerd. Daardoor heeft hij een goedkeurende accountantsverklaring in het maatschappelijk verkeer gebracht zonder deugdelijke grondslag. Over de klacht van de AFM zei de Accountantskamer dat de KPMG-accountant “de juistheid en volledigheid van de derivaten” en andere zaken niet heeft vastgesteld. Zoals gezegd (onder Ad 3) heeft de accountant zich neergelegd bij dat oordeel.

Ad 5

Het oordeel is voldoende gemotiveerd en de Accountantskamer kon verwijzen naar haar uitspraak over de klacht van de AFM, die de accountant – zoals gezegd – niet aanvecht. Het gaat hier over hetzelfde. Het is niet zo dat de Accountantskamer het verweer van de accountant onvoldoende heeft behandeld. De kamer is daarop ingegaan in de AFM-zaak en daarin heeft de accountant alle gelegenheid gehad zich te verweren. Op de niet-behandelde onderdelen hoefde de kamer niet in te gaan.

Hoger beroep Vestia

Ad 1

De Accountantskamer heeft zich in de aangevochten uitspraak niet uitgelaten over de aanvaardbaarheid van hedge-accounting. Over de klacht van de AFM heeft de kamer gezegd dat de accountant onvoldoende heeft gedaan om na te gaan of de derivaten juist waren gewaardeerd.

Ad 2

Op basis van de tekortkomingen in de planning en de uitvoering van de controle heeft de Accountantskamer geconcludeerd dat de accountant een goedkeurende verklaring heeft afgegeven zonder deugdelijke grondslag. De Accountantskamer hoefde daarom niet verder te kijken naar de – volgens Vestia bestaande - gebreken in de controlewerkzaamheden met betrekking tot de OA/IB.

Beroepsgronden tweede zaak

(AWB 13/732 en 13/740)

Accountant

  1. de Accountantskamer heeft de SOBI-klacht veranderd door te veel uit te gaan van de klacht van de AFM;
  2. de Accountantskamer heeft haar uitspraak niet goed gemotiveerd, onder meer omdat de jaarrekening en het jaarverslag 2010 geen onvolledige en misleidende informatie bevatten;
  3. de voorganger mocht van de Accountantskamer wèl akkoord gaan met de kostprijshedge-accounting.

SOBI

  1. de klacht van SOBI had ontvankelijk verklaard moeten worden en die van de AFM niet-ontvankelijk als de Accountantskamer vindt dat de klachten te veel verwant zijn en het ne bis in idem-beginsel geldt; SOBI had haar klacht namelijk eerder ingediend;
  2. de Accountantskamer heeft ten onrechte niets gezegd over het verwijt dat de accountant de waarderingsregels onjuist heeft toegepast;
  3. de Accountantskamer heeft een deel van de klacht van SOBI ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard, omdat een oordeel over de juistheid van de verslaggeving alleen mogelijk zou zijn door de controle over te doen.

Oordeel tweede zaak

(AWB 13/732 en 13/740)

Wel controle nodig voor oordeel over hedge-accounting

De beroepsgronden van SOBI houden onder meer in dat je zonder diepgaande controle ook wel kunt vaststellen dat hedge-accounting niet is toegestaan bij bepaalde typen van derivaten van Vestia, zoals swaptions.

De voorschriften van de Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving zijn geen geschreven wet. Volgens de Hoge Raad moet je de vraag - of de jaarrekening het door de wet vereiste inzicht geeft - beantwoorden door te toetsen aan de normen die in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden gezien. Voor het oordeel over de aanvaardbaarheid vormen de Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving een belangrijk oriëntatiepunt en een gezaghebbende kenbron.

Volgens het college kun je niet op voorhand uitsluiten dat het naar de algemene maatstaven van het jaarrekeningrecht is toegestaan om de kostprijshedge-accounting te hanteren in de jaarrekening. In RJ 2008/290.6 staat onder 605 en 606 weliswaar dat geschreven opties niet als hedge-instrument kunnen worden aangewezen omdat ze risico’s niet verkleinen en dat hedge-accounting daarom niet mag. Toch kunnen geschreven opties bij een bepaalde portefeuillebenadering tot op zekere hoogte passen binnen de risicobeheersingsstrategie. Dan zou hedge-accounting wel in aanmerking kunnen komen. Maar dan zullen ook de lasten en de (mogelijke) gevolgen voor het vermogen moeten worden belicht. Of het voldoende inzichtelijk is, kun je allen vaststellen met uitgebreid onderzoek.

Verder vergeet de accountant met zijn beroepsgrond dat de Accountantskamer onder meer heeft gezegd dat de voorganger de controle grondig genoeg en kritisch genoeg heeft uitgevoerd en kostprijshedge-accounting mede daarom verdedigbaar en aanvaardbaar was. De accountant van KPMG wordt juist verweten dat hij te weinig heeft gedaan en de jaarrekening 2010 daardoor niet grondig en niet professioneel-kritisch genoeg heeft gecontroleerd. Met name door ‘de juistheid en volledigheid van de derivaten’ van Vestia niet vast te stellen. Bovendien heeft hij niet gekeken of:

  • de waarderingsmethode juist is;
  • de toelichting juist en volledig is;
  • hij een derivatenexpert moest inhuren.

De accountant heeft zich bij deze uitspraak neergelegd. De accountant heeft bovendien erkend dat zijn controlewerkzaamheden op dit punt onvoldoende waren. Het zou te ver voeren als het college alsnog zelf zou onderzoeken of aan het inzichtsvereiste is voldaan.

Uitspraak voldoende gemotiveerd

De Accountantskamer had goede redenen om niet in te gaan op alle klachtonderdelen van SOBI en alle verweren van de accountant. De Accountantskamer heeft de klacht namelijk al zo vergaand gegrond verklaard dat hij niet meer gedetailleerd hoefde te motiveren waarom de klacht voor de rest niet-ontvankelijk of ongegrond is.

Maatregel

Vestia vindt dat de accountant de zwaarste maatregel verdient - te weten doorhaling en een geldboete - en dat de uitspraak in het belang van een goede uitoefening van het accountantsberoep op kosten van de accountant openbaar wordt gemaakt op een manier die het college voorschrijft.

Omdat de inhoudelijke beroepsgronden van Vestia geen succes hebben, is een zwaardere maatregel dan de opgelegde berisping niet nodig. Het college ziet geen aanleiding om de openbaarmakingsbevoegdheid te gebruiken.

Dat in de andere klachtzaak al een berisping was opgelegd vindt SOBI geen goede reden om in haar zaak helemaal geen maatregel meer op te leggen. De accountant heeft toch een goedkeurende accountantsverklaring in het maatschappelijk verkeer gebracht zonder deugdelijke grondslag.

De Accountantskamer heeft voor de drie klachten over dezelfde gedraging terecht één maatregel opgelegd. De keuze om over deze drie klachten afzonderlijke uitspraken te doen, is  aanvaardbaar, net als de keuze om die maatregel slechts te motiveren in één van de uitspraken en daarnaar te verwijzen in de twee andere uitspraken.

Annotatie Lex van Almelo

Over de vraag of kostprijshedge-accounting nu wel of niet aanvaardbaar is bij geschreven opties worden we met deze uitspraak niet wijzer. Hoewel de RJ die methode dan lijkt te verbieden moet je toch onderzoeken of die methode maatschappelijk aanvaardbaar is. De Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving zijn daarvoor een belangrijk oriëntatiepunt. Toch zou de methode maatschappelijk aanvaardbaar kunnen zijn bij een bepaald portefeuillebeleid en een goede toelichting, waarin de lasten en de gevolgen voor het vermogen duidelijk worden.

In tegenstelling tot zijn voorganger, die in hoger beroep alsnog op de vingers wordt getikt, heeft de accountant van KPMG zich blindelings neergelegd bij het oordeel van de derivatenexpert.

Achteraf gezien is het moeilijk te begrijpen dat de accountant wel in hoger beroep is gegaan tegen het oordeel over de klachten die Vestia en SOBI hebben ingediend, maar niet tegen het oordeel naar aanleiding van de AFM-klacht. De AFM-klacht werd volledig gegrond verklaard en die van Vestia en SOBI slechts deels gegrond. Deze tactiek lijkt de accountant te hebben opgebroken. Het CBb stelt herhaaldelijk vast dat de Accountantskamer de AFM-klacht centraal heeft gesteld, dat dit - ook voor de accountant - wel zo efficiënt was en dat de accountant zich heeft neergelegd bij het oordeel over die klacht.

Maar of hoger beroep tegen de uitspraak over de AFM-klacht tot een gunstiger oordeel over de accountant zou hebben geleid, valt te betwijfelen. De bottom line blijft dat hij te weinig werk heeft gedaan om de jaarrekening te kunnen goedkeuren. Dat heeft hij zelf ook erkend.

reacties

Reageren op een artikel kan tot drie maanden na plaatsing. Reageren op dit artikel is daarom niet meer mogelijk.

    Aanmelden nieuwsbrief

    Ontvang elke werkdag (maandag t/m vrijdag) de laatste nieuwsberichten, opinies en artikelen in uw mailbox.

    Bent u NBA-lid? Dan kunt u zich ook aanmelden via uw ledenprofiel op MijnNBA.nl.