Magazine

'Wij accountants' zijn steeds gewoner

Naar persoonlijke kenmerken gemeten vormen Nederlandse accountants steeds meer een afspiegeling van de Nederlandse samenleving. Met zo hier en daar wat merkwaardigheden. Zijn dat alleen restanten uit een verzuild verleden, of schuilt er meer achter?

Dit artikel is verschenen in Accountant Q4, 2015

Bekijk alle artikelen uit dit nummer

» Download dit artikel in pdf

Wie zijn wij?

Een man, Hollander, fatsoenlijk burger, harde werker, gereformeerd, eerder dorps dan stads, van kleinburgerlijke komaf, niet vermogend, gematigd in zijn consumptie.

Het maatschappelijk profiel van ‘de Nederlandse accountant’ is helder vanaf de opkomst van het beroep, aan het eind van de negentiende eeuw, tot aan minimaal de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw. De voorbeelden liggen voor het oprapen, in historisch materiaal over het Nederlandse accountantsberoep, en in de herinneringen van ‘oude rotten’. “Geslachtenlang waren de studenten aan onze opleiding jongeren die niet naar de universiteit konden”, zegt voormalig NIvA-voorzitter (1956/57) Ton van Rietschoten in een interviewbundel uit de jaren negentig. “Het waren in het algemeen slechte sprekers, wat bleue mensen. Wel stellige mensen!” En meteen daar achteraan: “Katholieke accountants waren er heel weinig.”

Zijn ‘wij’ dat? En zijn wij ook, zoals de Amerikaan Mark Stevens ooit schreef, “degenen die eruit zien alsof ze sinds hun puberteit opgesloten hebben gezeten in een bibliotheek: introverte, glazig voor zich uit starende kleine mannen, sober gekleed, starend naar hun schoenen, zichzelf overeind houdend met een ijzige formaliteit”? Of zijn wij misschien, in de woorden van Monty Python, “small-minded, unimaginative, drab, colourless, uninspiring, insipid, weak, ineffectual, dour, banal, petty and incredibly dull: totally boring in fact”?

Belastingman

Elke poging antwoord te geven op al deze vragen zal slechts uitlopen op een ziekmakende teleurstelling. Accountants lenen zich bij uitstek om vooroordelen over te vormen, maar de beroepsgroep heeft zich zelden mogen verheugen in serieuze aandacht van sociale wetenschappers. Wat weten we dan wel over de Nederlandse accountant?

Accountants waren in ieder geval vaak gereformeerd. Bekend is dat tot laat in de jaren zestig de beroepsorganisatie bij voorkeur gereformeerden aannam. Gerrit Kramer, bestuurslid van het NIVRA in de jaren zeventig, en katholiek, stelt in de eerdergenoemde interviewbundel dat ook de vraag naar accountants in katholieke hoek minder was. Wat in een verzuilde samenleving, met verplichte winkelnering binnen elke zuil, het geringe aantal katholieke accountants kan verklaren: “Ik wilde vooral bedrijfseconoom zijn. In Brabant was in die tijd ‘de accountant’ de belastingman en op controleurs waren ze niet zo wild bij kleine bedrijven in Brabant. Wel op het vervullen van de bedrijfseconomische functie die ze niet in huis hadden. Daarom heb ik mij geafficheerd als ‘accountant en bedrijfseconomisch adviseur’.”

Vrouwen: 21 voor, 20 tegen

Accountants waren daarnaast mannen. In 1899 werd tijdens de algemene vergadering van het NIvA gediscussieerd over de vraag of ook vrouwen konden worden toegelaten, want het was gebleken dat daaraan bij de oprichting van het Instituut in 1895 helemaal niet was gedacht. De discussies moesten het doen zonder een voorafgaand advies van het bestuur, omdat “het op dit punt niet homogeen dacht”, zo meldt Johan de Vries in zijn Geschiedenis der accountancy (1985). Uiteindelijk werd er gestemd: het voorstel vrouwen toe te laten werd aangenomen met 21 stemmen voor en 20 stemmen tegen. (Zie ook pagina 10)

Accountants waren Hollanders. Bekend is dat aan het begin van de twintigste eeuw driekwart van de houders van het diploma mo-boekhouden uit ‘Holland’ kwam, terwijl slechts drie procent van hen ‘in het Zuiden’ woonde.

Er zijn ook cijfers uit 1964: 72 procent van de openbaar accountants woonde toen in Noord- of Zuid-Holland, terwijl het Zuiden zeer matig was bedeeld- in dit opzicht - met slechts negen procent.

Ook in opleiding waren accountants uniform: het gros van hen was op zeventien- of achttienjarige leeftijd - na de hbs - begonnen als ‘klerk’ op een kantoor en volgde daarnaast de beroepsopleiding van het NIvA, later het NIVRA. Vaak was dat uit financiële overwegingen - een universitaire opleiding konden de ouders niet betalen.

Scherpe randjes

Wat is er over van dit profiel? De ontzuiling zal uiteraard de scherpe randjes er vanaf hebben geslepen, maar in welke mate?

Een overdaad aan gegevens over de persoonlijke kenmerken van Nederlandse accountants in de 21ste eeuw is er niet. Er bestaat geen uitgebreid sociaal-cultureel onderzoek naar deze beroepsgroep en het ledenbestand van de NBA geeft maar enkele geheimen prijs. Daarom is voor dit verhaal ook de expert opinion ingeroepen van twee hoogleraren accountancy aan de Vrije Universiteit, Peter Eimers (tevens PwC) en Oscar van Leeuwen (tevens ConQuaestor). Van de RA-opleidingen aan de reguliere universiteiten is die van de VU de grootste, met een instroom dit jaar van ruim 250 studenten.

Van die studenten verzamelt de VU enkele gegevens die in dit verband relevant zijn. Van Leeuwen: “De studenten vullen aan het begin van hun opleiding een test van het onderzoeksbureau NOA in, waarmee kenmerken en competenties in kaart worden gebracht. Die gegevens gebruiken we voor de studiebegeleiding.”

Mannenvak

Daar rollen om te beginnen enkele demografische gegevens uit, zoals de man/vrouwverdeling. Accountancy blijkt nog steeds een mannenvak te zijn. Uiteraard is er veel veranderd sinds 1899, toen het percentage vrouwelijke accountants nul was. Maar bijzonder hard is het niet gegaan: een aan de bevolkingsopbouw evenredige verdeling is nog niet in zicht. In 2014 is negentien procent van de NBA-leden vrouw en in 2015 is in het eerste jaar van de VU-opleiding 36 procent vrouw.

“Pas sinds een paar jaar wordt de waarde van diversiteit - niet alleen wat betreft geslacht - echt ingezien”, zegt Eimers daarover. “Er is heel lang sprake geweest van coöptatie en ballotage en dat heeft bij kantoren tot een gelijkvormige populatie geleid. Ook nu zijn bij de kantoren op hoog niveau de mannen nog verreweg in de meerderheid.”

Gereformeerd

Zijn dat ook nog steeds (vooral) gereformeerde mannen? Eimers denkt van niet: “In ieder geval niet meer dan gemiddeld.” Dat stelde geschiedschrijver Johan de Vries midden jaren tachtig ook al (“joden, katholieken en protestanten zijn in evenredige mate in het beroep vertegenwoordigd”), maar in de jaren negentig schreef Breedveld dat “accountancy qua religie met name een gereformeerde aangelegenheid lijkt”.

In een artikel in ‘de Accountant’ van zomer 2010 spreken meerdere accountants het vermoeden uit dat dit nog steeds het geval is, maar zoals gezegd: harde gegevens ontbreken. Van Leeuwen kan daarover ook niet meer zeggen dan dat hij zelf van gereformeerde huize is… Het ‘bewijs’ dat accountants vaker dan gemiddeld gereformeerd zijn, blijft dus anekdotisch.

De ontwikkelingen rond de opleiding van accountants zijn helderder: de beroepsopleiding heeft het in de loop der jaren in getal moeten afleggen tegen de universitaire opleiding. Sinds 2005 is het de norm dat een RA een mastertitel heeft en afgezien daarvan neemt de behoefte aan vwo'ers bij de kantoren af, omdat de werkzaamheden die de beginnende assistent kan verrichten, steeds vaker zijn geautomatiseerd. Het traditionele beeld van de accountant die - mede vanwege de kosten - zijn opleiding combineert met werken, is meer en meer naar de achtergrond verdwenen. Overigens, Van Leeuwen voldoet nog wel aan dat beeld: “Ik ging eerst werken en na een jaar had ik genoeg geld verdiend om te gaan studeren.”

Hollandse afwijking

En is de accountant nog steeds een Hollander, zoals in 1964, toen 72 procent van de openbare accountants in Zuid- of Noord-Holland woonde? Het NBA-ledenbestand per 1 januari 2015 leert dat die ‘Hollandse afwijking’ geheel uit het beroep is verdwenen. Van de Nederlandse bevolking woont 37,5 procent in die twee provincies en van alle accountants is dat 40,9 procent. Toch nog een oververtegenwoordiging dus? Nee, want als het om de groep openbare accountants gaat is het percentage 37,8 procent. Noord-Brabant is in die categorie nu zelfs oververtegenwoordigd. In die provincie woont 14,7 procent van de Nederlanders en 17,3 procent van de openbare accountants. En Limburg doet het ook prima, met 6,1 procent van de openbare accountants (terwijl de provincie 6,7 procent van de bevolking huisvest). Achtergebleven gebied is in 2015 het Noorden, maar de achterstand is zeker niet schokkend. De drie noordelijke provincies zijn goed voor 10,2 procent van de bevolking en 7,1 procent van de openbare accountants. Daarmee is te leven.

Elite

Interessant is wel dat de grote stad door ‘de accountant’ in zekere mate wordt gemeden. De hypothese is afkomstig uit een sociaal-geografisch onderzoek uit 1999 (De Wijs-Mulkens) waarin het woonmilieu van de elite wordt beschreven. Onder de culturele elite (literatoren, hoogleraren) bestaat een voorkeur voor centraal-stedelijke woonmilieus, zo blijkt, terwijl onder de economische elite (accountants, bestuurders) meer ‘suburbane’ voorkeuren leven.

Klopt dat (nog)?

Ja. Van alle Nederlanders woont in 2015 13,5 procent in Amsterdam, Rotterdam, Den Haag of Utrecht. Van alle NBA-leden is dat minder, 9,9 procent. ‘De accountant’ heeft dus ook in 2015 nog een bovengemiddeld ‘suburbane’ voorkeur.

Er zit echter een addertje onder het gras. Het onderzoek van De Wijs-Mulkens betrof nadrukkelijk registeraccountants. Als die categorie NBA-leden apart wordt genomen, blijkt daarvan 12,4 procent ‘in de grote stad’ te wonen. Bij de AA's is dat 4,5 procent. Het is dus vooral de AA die van het platteland houdt, terwijl de RA wat betreft de keuze van zijn woonomgeving heel dicht in de buurt komt van het landelijk gemiddelde.

Culturele interesse

Vervolgens is het natuurlijk de vraag of RA's hiermee ook tot ‘de culturele elite’ zijn toegetreden. De Wijs-Mulkens zegt immers over het verband tussen woonomgeving en culturele interesse: “Het verband is lineair: hoe stedelijker, hoe cultureler.”

De enkele gegevens die hierover beschikbaar zijn, ondersteunen die stelling echter niet. Het gaat om de resultaten van een enquête naar vrijetijdsbesteding, die in 2011 werd gehouden onder artsen, juristen en accountants (een gezamenlijke inspanning van Accountant.nl, het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde en het Nederlands Juristenblad). Wat betreft kunst en cultuur scoren accountants in dat onderzoek over de hele linie lager dan artsen en juristen. Zo werd gevraagd of men ‘bovengemiddelde belangstelling heeft voor kunst en cultuur’. Van de juristen antwoordde 82 procent bevestigend op die vraag. Van de artsen 61 procent en van de accountants 41 procent. De antwoorden op de vraag of kunst en cultuur een belangrijk deel uitmaken van de vrijetijdsbesteding laten precies hetzelfde beeld zien. Daarnaast: vijftien procent van de accountants maakt zelf muziek, bij artsen en juristen ligt dat percentage rond de dertig. En als de accountant dan naar een cultureel evenement gaat, dan is het een musical, een popconcert of een cabaretvoorstelling, terwijl de arts en de jurist vaker naar moderne dans, jazzconcerten en toneelvoorstellingen gaan.

Mobieler

Met andere woorden: nee, de (register)accountant is in de loop der jaren niet in cultureel opzicht opgestoomd. Eimers suggereert dat de toch veranderde woonkeuze heel goed prozaïscher redenen kan hebben: “De grote kantoren hebben de afgelopen decennia veel kleinere vestigingen in de regio opgeheven en hun vestigingen in de Randstad laten groeien. Bovendien zijn we veel mobieler geworden, onder meer met behulp van informatietechnologie, en dat geeft ook meer vrijheid bij het kiezen van een woonomgeving.”

Drinken

Kan zo elk vooroordeel over accountants bij het groot vuil? Van Leeuwen en Eimers constateren schertsend dat het met de ‘gematigde consumptie’ wel meevalt. Ja, accountants zijn nog steeds harde werkers, “anders hou je het niet vol”, maar intussen ziet Van Leeuwen dat accountants “best grote huizen” kopen en beweert niemand (meer) dat zij zich wat betreft eten en drinken onderscheiden van de rest van de Nederlandse bevolking. En toch komen er uit de VU-test onder eerstejaars nog een aantal kenmerken naar boven, die aansluiten bij de aloude beeldvorming. Van Leeuwen: “Wat betreft hun persoonlijkheid scoren ze ten opzichte van studenten in andere studierichtingen laag op creativiteit en laag op extravert studiegedrag. Hoge scores halen ze op ordelijkheid, zelfdiscipline en aanpassingsvermogen.”

Cijferreeksen

Aan het begin van dit artikel werden (vroegere) accountancystudenten getypeerd als ‘slechte sprekers’. Daar zit volgens de VU-test nog steeds een kern van waarheid in. Van Leeuwen: “Onze eerstejaars zitten in de capaciteitentest fors boven het gemiddelde als het gaat om werken met cijferreeksen. Ze zitten fors onder het gemiddelde als het gaat om woordanalogieën.”

Ook het harde werken blijft terugkomen: de eerstejaars accountancy scoren significant hoger op doorzettingsvermogen, met name de vrouwen. Van Leeuwen: “Dit is al met al geen complete karakterschets van accountants, maar het toont wel aan uit welk hout de toekomstige accountant is gesneden. Op veel punten vormen zij meer en meer een afspiegeling van de samenleving. Een aantal kenmerken blijft er echter uit springen.”

Bronnen

Morele superioriteit

Valkuilen te over bij discussies over het verband tussen religie en accountancy. Sommige accountants vinden dat de normen van het vak en hun religieuze overtuiging elkaar versterken, waardoor ze betere accountants worden. In een interviewbundel uit de jaren negentig wordt over de jaren vijftig opgemerkt: “In die tijd hadden wij in Nederland een meerderwaardigheidscomplex ten opzichte van het buitenland.”

Nederlandse accountants gingen er niet zelden vanuit dat ze moreel superieur waren aan hun buitenlandse collega's. Overigens vinden/vonden accountants in andere landen dat ook van zichzelf. Deels zit dit ook ingebakken in het professionaliseringsproces dat accountants overal doorliepen: de claim een maatschappelijk belangrijke taak te vervullen - wat accountants onderscheidt van de groep waartegen zij zich moesten afzetten (de boekhouders) - is ook een morele claim.

Een voortreffelijke burger

In een van de weinige studies naar de identiteit van de Nederlandse accountant zet Koen Breedveld (1993) die accountant neer als de ultieme burger. De eerste accountants kwamen voort uit de middenklasse en samen met bijvoorbeeld architecten en ingenieurs vormden zij een nieuwe middenstand. Hard werken is het devies, terwijl het maatschappelijk vertrouwen ook gewonnen moet worden met fatsoen ‘tot in de vingertoppen’. De accountant diende zich te gedragen als een voortreffelijk burger. Uitbundige consumptie paste daar bijvoorbeeld niet bij.

Over de vrijetijdsbesteding van de eerste accountants is helaas niet zoveel bekend, constateert Breedveld. Maar wel dat er qua kleding maar eigenlijk één model bestond en dat was het donkere pak. De schaarse voorbeelden van activiteiten die de eerste accountants buiten werktijd ondernamen, wijzen alle (weer) de kant op van de burgerij. Favoriete bezigheden: het mannenkoor, krantenlezen, nutslezingen en in de jaren dertig landdagen in de natuur van Oisterwijk of Leersum. Maar wel, steeds, in dat driedelig pak en wit overhemd.

Ethiek en religie

In het sociaal-wetenschappelijke tijdschrift Procedia verscheen in 2014 een studie van de Spaanse Marcela Espinosa- Pike naar de invloed van religie op de wereldwijde acceptatie van de nieuwe ethische code van de International Federation of Accountants (IFAC). Om effectief te zijn moet een ethische code de overtuigingen weerspiegelen van degenen die hem gebruiken, aldus Espinosa-Pike. Tegelijkertijd gaat ze ervan uit dat de inhoud van de code beïnvloed is door de overtuigingen van degenen die hem hebben opgesteld. Religie maakt een belangrijk deel uit van die overtuigingen.

Gegevens van 165 beroepsorganisaties in 125 landen leerden dat de code vaker wordt geadopteerd in landen waar het christendom de overheersende religie is (door 63 procent van die beroepsorganisaties) dan in landen waar de islam de overheersende religie is (door 48 procent van die beroepsorganisaties). Espinosa-Pike leidt daaruit af dat de IFAC er niet in is geslaagd een ‘universele’ ethische code op te stellen.

Geert Dekker is journalist.

reacties

Reageren op een artikel kan tot drie maanden na plaatsing. Reageren op dit artikel is daarom niet meer mogelijk.

    Aanmelden nieuwsbrief

    Ontvang elke werkdag (maandag t/m vrijdag) de laatste nieuwsberichten, opinies en artikelen in uw mailbox.

    Bent u NBA-lid? Dan kunt u zich ook aanmelden via uw ledenprofiel op MijnNBA.nl.