Jan Bouwens

De duurzaamheidsrapportages zoals die recent zijn voorgesteld door de EU zijn overweldigend complex. Jan Bouwens pleit voor een drastische beperking van het aantal maatstaven.

Discussie Column

Complexiteit European Sustainability Reporting Standards is overweldigend

Eind november heeft EFRAG de eerste versie van de European Sustainability Reporting Standards gepubliceerd. De set van standaarden omschrijft in detail de onderwerpen waarover bedrijven moeten rapporteren en verplicht hen ook targets te ontwikkelen, waarin de ambitie van het bedrijf is vastgelegd.

De ESG-maatstaven (metrics) worden gepresenteerd in vijftien bijlagen, die vele honderden pagina’s beslaan. Zo’n vijftig metrics richten zich op alle bedrijven; tientallen andere metrics zijn bedrijfstakspecifiek.  De metrics zijn bedoeld om ervoor te zorgen dat bedrijven rapporteren over hun bijdrage aan de maatschappij en aan het milieu.

George Miller stelde al in 1956 vast dat een mens vijf tot zeven metrics gelijktijdig kan bevatten. In hun Nature publicatie van april 2004 bevestigen Edward Vogel en Maro Machizawa deze bevinding. De vergelijking van vijf versus vijftig plus maatstaven stelt ons voor een probleem. Kan men van de leiding van bedrijven verwachten dat zij geen vijf maar vijftig plus (de facto honderden) metrics op hun ontwikkeling en uitkomsten overzien? Kan een belegger deze overzien? Recent onderzoek naar ESG-maatstaven van Jurian Berg en collega's laat zien dat rating agencies enorm van mening verschillen over hoe de maatstaven optellen, om te bepalen of een bedrijf gunstig of ongunstig presteert op ESG-gebied. Dat geeft 'groene beleggers' zelfs aanleiding om 'zwart' te beleggen.

De uitkomsten van onderzoek stemmen ons somber. Natuurlijk kan men medewerkers aanstellen binnen de bedrijven, die elk op een deel van de metrics uit het systeem sturen. Maar de vraag is hoe deze dan met elkaar samenhangen.
Een voorbeeld. Volgens de nieuwe regels moeten bedrijven rapporteren over non-recycled waste. Stel, we maken een medewerker verantwoordelijk voor afvalreductie. De medewerker gaat aan het werk en weet het afval met vijftig procent te verkleinen. Maar de verlaging houdt wel in dat de grondstoffen voortaan van de andere kant van de wereld moeten komen, terwijl ze nu bij een bedrijf uit de buurt worden betrokken. De reductie in afval leidt dan tot een verhoging van de 'scope 3' emissies, omdat de goederen in plaats van over enkele over duizenden kilometers moeten worden vervoerd. Bovendien moet dan worden vastgesteld of het risico bestaat of die goederen door onderbetaalde medewerkers of slaven zijn geproduceerd.

Alles hangt met alles samen en we zouden daarom een metric willen hebben waarin alle bijdragen en onttrekkingen aan de samenleving door de organisatie zijn vervat. Deze bestaat in theorie: Economische Winst. In de praktijk komen we deze metric tegen onder de naam residual income en dat wijkt af van economische winst, omdat niet alle bijdragen en onttrekkingen aan de samenleving tijdig of volledig doorkomen in de metric. Zo zien we de maatschappelijke kosten van vervuiling niet terug in de prijs van kerosine. De winst die Shell hierover rapporteert is een incomplete weergave van de economische winst. De scope 1-rapportage van Shell zou hierin duidelijkheid moeten geven. De vraag is nu of we met het stelsel van rapportages zoals EFRAG dat wil invoeren inderdaad beter af zijn.

Gelet op het feit dat alles met alles samenhangt, lijken we van de regen in de drup te geraken met de door EFRAG voorgestelde rapportages. We krijgen straks wel rapportages maar door de combinatie van (1) de beperkte verwerkingscapaciteit van medewerkers (beschreven door Miller) en (2) de hechte samenhang tussen de metrics, is het zeer de vraag of we met de voorgestelde mate van detail echt vooruitgang kunnen boeken. De kans is groot dat de maatstaf die ertoe doet - uitstoot broeikasgas - verdrinkt in 150 goedbedoelde metrics.

In dat kader zou het van belang zijn geweest als EFRAG met overkoepelende maatstaven was gekomen, die ook daadwerkelijk illustreren dat de betrokken organisatie op de juiste weg is. Zo kan men zich voorstellen dat een onderneming wordt gevraagd aan te geven hoe investeringen van 2022 op welk moment in procentpunten ten opzichte van 2022 een CO2-reductie tot gevolg hebben. Ook zouden bedrijven kunnen worden verplicht over andere vervuilende stoffen een zelfde rapportage in te dienen.

Het is tot slot de vraag of we de formele regelgeving rondom Environmental maatstaven met Social en Governance willen verbreden. Gelet op de urgentie van broeikasstoffen, zouden we aan de daaraan gerelateerde maatstaven prioriteit moeten geven. De S en G bestaan al op vrijwillige basis. Het is al moeilijk genoeg als we twee maatstaven hanteren: winst en uitstoot broeikasgassen. De rest volgt!

Wat vindt u van deze column?

Reageer

Jan Bouwens is hoogleraar accounting UvA en research fellow University of Cambridge.

Gerelateerd

reacties

Reageer op dit artikel

Spelregels debat

    Aanmelden nieuwsbrief

    Ontvang elke werkdag (maandag t/m vrijdag) de laatste nieuwsberichten, opinies en artikelen in uw mailbox.

    Bent u NBA-lid? Dan kunt u zich ook aanmelden via uw ledenprofiel op MijnNBA.nl.