Jan Bouwens

Jan Bouwens reageert op recent onderzoek van de Autoriteit Financiële Markten (AFM) naar het beloningsbeleid bij de zes oob-accountantskantoren. Het zou goed zijn als de AFM meekijkt met de inzet van de juiste competentieniveaus van de accountant, meent hij.

Discussie Column

De focus op kwaliteit of op competentie?

De AFM wil zeker stellen dat het beloningsbeleid van accountantskantoren is gericht op de bevordering van auditkwaliteit. Er zal geen dispuut zijn over de vraag of kantoren controles moeten leveren die worden gekenmerkt door hoge kwaliteit. Punt is vast te stellen dat er kwaliteit wordt geleverd. De kwaliteitsindicatoren gaan niet helpen in dit verband. Het zou goed zijn als de AFM meekijkt met de inzet van de juiste competentieniveaus van de controlerend accountant.

Om kwaliteit te meten heeft de Tweede kamer het afgelopen jaar een wet aangenomen waarin de kwaliteit van de controle wordt gemeten aan de hand van elf maatstaven, die weer zijn onderverdeeld in vier dimensies: controlekwaliteit, kwaliteitsbeheersingssysteem, context en keten. Als we naar de accountingliteratuur kijken van hoe we sturen op elf maatstaven, dan zal het moeilijk blijken om vast te stellen hoe beloningsbeleid effect zal hebben op deze maatstaven. Ik haal twee problemen aan: de meting zelf en de gewichten die de maatstaven moeten krijgen.

Meting

In de eerste plaats lopen we aan tegen het probleem van de meting zelf. Zo wordt binnen de dimensie controlekwaliteit de betrokkenheid van elke externe accountant gemeten als de uren die de partner gemiddeld besteedt aan de audit. Deze besteding moet dan in vier kwartielen van intensiteit op kantoorniveau worden gepresenteerd: relatief beperkt, minder dan gemiddeld, meer dan gemiddeld en relatief veel.  Wat is dan gemiddeld en wat is wenselijk?

Punt is natuurlijk dat partnerbetrokkenheid met name opportuun wordt wanneer de auditfile problemen bevat die om slimme oplossingen vragen en intensief overleg vergen met de gecontroleerde. Als de controle eenvoudig neerkomt op ongestoorde controles, is de inzet van de partner minder noodzakelijk. Indeling in de kwartielen zegt dan niet zoveel, zolang niet bekend is in welke mate betrokkenheid nodig is.

Als je op dit punt kwaliteit wilt meten, dan wil je weten of de partner ook inderdaad instapt als er in de auditfile problemen bestaan. Kwaliteit is contextspecifiek en kan niet op een zinvolle manier op firmaniveau worden gemeten, laat staan dat men het beloningsbeleid aan een algemene norm zou kunnen binden.

Weer een andere meetkwestie komen we tegen in de dimensie context: verloop in het controleteam gemeten in termen van omvang, continuïteit en vernieuwing. De voorgestelde maatstaven zijn opnieuw contextspecifiek. Wat je zeker wilt stellen, is dat teams bij elkaar blijven tijdens de uitoering van een audit en de partner niet wordt geconfronteerd met leegloop in het team naarmate de controle vordert in de tijd. Je wil juist wel vernieuwing/aanvulling als tijdens de controle onverwachte problemen optreden. In de voorgestelde metrics ontbreken deze nuances en de vraag is daarom of de maatstaven infomeren over kwaliteit. Op dit moment zouden de maatstaven de partner ertoe bewegen het team bij elkaar te houden onafhankelijk van de omstandigheden, want elke verandering moet worden uitgelegd!

In dit geval zou de maatstaf aanpassing aan omstandigheden blijken uit een vergelijking tussen verwachte complexiteit/problemen ten opzichte van werkelijke complexiteit/problemen. Helaas geldt voor elk van de voorgestelde maatstaven dit type problemen: de meting geschiedt niet op individuele controles maar op een hoger niveau (partner of firma). En dat wringt.

Gewichten

Een tweede probleem is welke gewichten we zouden moeten hangen aan de elf maatstaven. Weegt de maatstaf tevredenheid klant even zwaar als de mate waarin de accountant betrokken is? Uit onderzoek weten we dat, als verbetering in maatstaf A even moeilijk is als verbetering in maatstaf B, dan moet het gewicht op beide maatstaven even zwaar zijn. Voor elf maatstaven is dat dus 1/11. Bovendien weten we al sinds 1956 dat een mens niet meer dan vijf maatstaven gelijktijdig kan overzien.  U ziet dat sturen op elf maatstaven om deze twee redenen niet kan. Maar wat dan wel?

Wellicht kan de volgende aanbeveling worden gegeven aan de AFM. Onderzoek dat ik samen deed met Olof Bik, Robert Knechel en Yuxia Zou, onder Nederlandse accountantskantoren, laat zien dat auditors binnen hun kantoor carrière maken op basis van het competentieniveau dat de betrokken accountant bereikt. Als ze in hun auditwerk op een lager niveau functioneren dan verwacht kan worden, gelet op het competentieniveau, dan volgen maatregelen (inkomen en ontslag). 

Wellicht is het voldoende als de AFM erop toeziet dat synchronisatie tussen inzet en competentieniveau wordt bereikt. Voordeel is dat we dan maar één maatstaf hebben en geen gewichten hoeven toe te kennen. En dat de systematiek aansluit bij hoe kantoren werken.

Wat vindt u van deze column?

Reageer

Jan Bouwens is hoogleraar accounting UvA en research fellow University of Cambridge.

Gerelateerd

reacties

Reageer op dit artikel

Spelregels debat

    Aanmelden nieuwsbrief

    Ontvang elke werkdag (maandag t/m vrijdag) de laatste nieuwsberichten, opinies en artikelen in uw mailbox.

    Bent u NBA-lid? Dan kunt u zich ook aanmelden via uw ledenprofiel op MijnNBA.nl.