Afscheidssymposium Martin Hoogendoorn

Verslaggeving tussen globaliseren, protectionisme, polderen en technologie

Op 13 maart 2026 vond aan de Erasmus Universiteit Rotterdam een symposium plaats ter gelegenheid van het afscheid van prof. dr. Martin Hoogendoorn RA. Onder leiding van Auke de Bos spraken verslaggevingsdeskundigen Leo van der Tas, Gerard van Santen, Arjan Brouwer en Maarten Pronk over ontwikkelingen in de externe verslaggeving.

In vier korte lezingen werd een breed palet geschetst: van geopolitieke spanningen en internationale standaarden, tot de rol van AI en het veranderende gebruikersperspectief.

Internationale verslaggeving onder druk

Leo van der Tas (hoogleraar aan de Universiteit van Tilburg en voormalig EY global IFRS leader) trapte af met een analyse van de internationale verslaggeving. De centrale vraag was: bedreigt de opkomst van nationalisme en protectionisme de internationale verslaggevingsstandaarden?
Het vertrekpunt was dat de internationale IFRS-verslaggevingsstandaarden zich succesvol hebben ontwikkeld. Volgens recente cijfers passen landen wereldwijd in grote meerderheid IFRS toe voor beursgenoteerde ondernemingen. Bij de Global Fortune 500-ondernemingen is IFRS dominant geworden, mede door de IFRS-invoering in Europa in 2005. Tegelijkertijd neemt de rol van US GAAP enigszins af, maar behoudt toch een wezenlijke positie vanwege de omvang van de Amerikaanse economie. Ook China GAAP wint terrein door de groei van de Chinese economie.

'Globalisering, jarenlang een drijvende kracht achter harmonisatie van verslaggeving, lijkt 'af te toppen'.'

De kern van het betoog lag echter bij de veranderende geopolitieke context. Globalisering, jarenlang een drijvende kracht achter harmonisatie van verslaggeving, lijkt 'af te toppen'. Handelsvolumes groeien minder hard en ook bredere globaliseringsindicatoren vertonen afvlakking. Daarmee komt een belangrijke motor achter internationale standaardisering onder druk te staan. Van der Tas benoemde in dat kader drie concrete signalen van toenemend nationalisme en protectionisme. Ten eerste de politieke druk om IFRS los te laten (bijvoorbeeld toen de financiële crisis uitbrak). Ten tweede de Europese neiging om eigen duurzaamheidsstandaarden te ontwikkelen in plaats van internationale normen over te nemen. Ten derde de Amerikaanse weerstand tegen de verbreding van IFRS richting duurzaamheid.

Op basis van deze ontwikkelingen onderscheidde Van der Tas drie mogelijke toekomstscenario's: (1) verdergaande deglobalisering, met beperkte impact op financiële verslaggeving, maar grote risico's voor internationale verslaggevingsstandaarden op het gebied van duurzaamheid; (2) herstel van internationale samenwerking (wenselijk, maar op korte termijn weinig waarschijnlijk); en (3) een coalition of the middle powers, waarin middelgrote economieën zich organiseren in een eigen blok, naast de grote economische machten als de Verenigde Staten en China, vooral op het gebied van duurzaamheidsverslaggeving. De verslaggeving op het gebied van impact materality zal echter een grote uitdaging blijven.

De Nederlandse polder als model voor verslaggeving

Gerard van Santen (voorzitter Raad voor de Jaarverslaggeving en partner bij EY) plaatste de internationale ontwikkelingen in een nationaal perspectief en ging met name in op de rol van de Raad voor de Jaarverslaggeving (RJ) binnen het Nederlandse 'poldermodel'.
Hij schetste de RJ als vorm van zelfregulering, waarin gebruikers, verschaffers en accountants gezamenlijk nadere invulling geven aan de verslaggevingsnormen in Nederland. Dit model, ontstaan in 1980, is gebaseerd op samenwerking, consensus (maar ook compromissen) en maatschappelijk draagvlak.

Een belangrijk deel van deze bijdrage ging over twee grote transities op het gebied van externe verslaggeving: de invoering van IFRS in 2005 en de huidige invoering van Europese duurzaamheidsstandaarden (ESRS).
Bij de invoering van IFRS stond de RJ voor fundamentele keuzes. Moest Nederland eigen interpretaties geven? En hadden nationale richtlijnen nog toekomst? De RJ koos ervoor om geen nationale interpretaties van IFRS te geven, om internationale consistentie te waarborgen. Tegelijkertijd bleef er een duidelijke rol voor nationale richtlijnen voor niet-beursgenoteerde ondernemingen, juist vanwege proportionaliteit en praktische toepasbaarheid. "De keuzes van de RJ hebben de tand des tijds prima doorstaan", aldus Van Santen.

'De keuzes van de RJ hebben de tand des tijds prima doorstaan.'

Bij de huidige transitie naar duurzaamheidsverslaggeving (ESRS) ziet hij duidelijke parallellen met de invoering van IFRS en benadrukt de rol van de RJ. Net als destijds richt de RJ zich op het bijdragen aan internationale standaarden - zonder nationale interpretaties te geven - en op het agenderen van aandachtspunten op internationaal niveau. Een belangrijk verschil is dat de RJ bij duurzaamheid niet streeft naar eigen nationale richtlijnen, maar zich vooral richt op ondersteuning bij de implementatie, met bijzondere aandacht voor het mkb. Tegelijkertijd wijst Van Santen op de grotere complexiteit van deze transitie. De standaarden zijn nieuw, de praktijkervaring is beperkt en ook op het gebied van assurance is de ervaring nog in ontwikkeling. Dat maakt de invoering van duurzaamheidsverslaggeving volgens hem ingrijpender dan destijds bij IFRS.

Een belangrijk aandachtspunt is volgens Van Santen dat het internationale overlegmodel anders is dan het onze. Waar in Nederland traditioneel wordt geluisterd en gezocht naar compromissen, ziet hij op Europees niveau vaker dat partijen minder luisteren en vooral hun eigen standpunt verdedigen Maar ook in Nederland staat het poldermodel onder druk. Uiteindelijk werkt het alleen goed als de uitkomst maatschappelijk draagvlak heeft. Het vraagt om flexibiliteit, wederkerigheid en ruimte voor experimenten.

Innovatie en AI in de verslaggeving: revolutie of evolutie?

Arjan Brouwer (hoogleraar Vrije Universiteit en partner bij PwC) benaderde innovatie in de verslaggeving vanuit een historisch perspectief. De belangrijkste innovatie, zo stelde hij, dateert al uit de vijftiende eeuw: het dubbelboekhouden. Ook empirisch onderzoek naar de relevantie van de jaarrekening laat al decennia zien dat financiële informatie daadwerkelijk wordt gebruikt door beleggers, banken en andere partijen. Volgens Brouwer is de jaarrekening dan ook nog steeds relevant.

De verslaggeving heeft echter te maken met twee soorten innovatievraagstukken. Enerzijds gaat het om de vraag hoe innovaties binnen ondernemingen in de jaarrekening moeten worden verwerkt, zoals immateriële activa, softwareontwikkeling en nieuwe financieringsvormen. Daarbij ontstaan in de praktijk uitdagingen, omdat standaarden niet altijd goed aansluiten op moderne bedrijfsmodellen. Anderzijds verandert het proces van verslaggeving zelf door technologische ontwikkelingen. Waar administraties vroeger handmatig werden gevoerd, is inmiddels sprake van vergaande automatisering, met onder meer scanning van facturen, e-facturatie en dashboarding.
Volgens Brouwer kan artificial intelligence de ontwikkeling verder ondersteunen. Hij betoogde dat large language models in staat zijn om complexe verslaggevingsvragen te beantwoorden, mits systemen voorzien zijn van de juiste 'vangrails'. Zonder waarborgen kunnen modellen echter ook foutieve of zelfs verzonnen antwoorden geven.

Daarnaast kaartte hij het gebruik van sentimentanalyse aan. Die kan worden ingezet als hulpmiddel bij het analyseren van verslaggeving: past de toon in het verslag bij het beeld dat we hebben als accountant? Het kan door ondernemingen echter ook worden gebruikt om de presentatie van informatie te beïnvloeden, bijvoorbeeld door dezelfde cijfers op een meer positieve of negatieve manier te formuleren. Dat kan heel eenvoudig aan de hand van bijvoorbeel ChatGPT.
Volgens Brouwer blijft daarom menselijke expertise noodzakelijk. Technologie kan ondersteunen, maar vraagt om deskundig gebruik en kritische beoordeling van de uitkomsten. Voor succesvolle innovatie zijn daarbij volgens hem vier elementen essentieel: expertise, inspiratie, support en vertrouwen.

Het gebruikersperspectief: Wat is goede verslaggeving?

Maarten Pronk (hoogleraar Erasmus Universiteit en partner bij EY) benaderde het thema vanuit het gebruikersperspectief en greep daarbij terug op onderzoek van het Limperg Instituut naar de kwaliteit van de jaarverslaggeving uit de jaren negentig. Daarvoor werden criteria gebruikt die waren afgeleid uit gebruikersonderzoek onder financieel analisten. Voor die analyse gebruikten zij onder andere beoordelingscriteria die werden gebruikt bij prijzen voor jaarverslaggeving, zoals de Sijthoffprijs.

Tijdens zijn presentatie vergeleek hij de criteria van destijds met de huidige criteria die worden gebruikt. Daaruit blijkt dat een aantal onderwerpen die vroeger expliciet als kwaliteitskenmerk werden gezien, inmiddels minder zichtbaar zijn geworden. Het gaat bijvoorbeeld om aandeelhoudersinformatie, kasstroomoverzichten, waardering immateriële activa, off-balance financiering en verwerking van fusies en overnames. Volgens Pronk komt dat niet doordat deze onderwerpen minder belangrijk zijn geworden, maar omdat zij inmiddels zijn verankerd in wet- en regelgeving en daardoor nu vanzelfsprekend zijn.
Ook is een aantal nieuwe thema's nadrukkelijker naar voren gekomen in de beoordeling van jaarverslaggeving. Daarbij gaat het om een bredere focus (niet alleen financieel), met onder meer aandacht voor zaken als maatschappelijke impact, duurzaamheid, waardecreatiemodel, diversiteit en gezondheid. En er is nu meer aandacht voor transparantie over zaken die niet goed zijn gegaan.

'Er is nu meer aandacht voor transparantie over zaken die niet goed zijn gegaan.'

Pronk liet daarmee zien dat het gebruikersperspectief in de loop der tijd is verbreed: waar de nadruk vroeger sterker lag op financiële informatie, wordt tegenwoordig een breder palet aan informatie van belang geacht bij de beoordeling van de kwaliteit van verslaggeving.
Naast de prijscriteria keek hij ook naar wijzigingen tussen aandachtspunten in studierapporten van de vorige eeuw en de huidige situatie. Opvallend is volgens Pronk dat veel onderwerpen die in studierapporten ooit als wenselijk werden geformuleerd, inmiddels onderdeel zijn van wet- en regelgeving en tot de standaardpraktijk zijn gaan behoren. Denk bijvoorbeeld aan het kasstroomoverzicht, informatie over verbonden partijen en purchase price accounting. Daarmee laten deze rapporten zien hoe ideeën uit het verleden hun weg hebben gevonden naar de huidige verslaggeving.

Pronk wees ook op een aantal onderwerpen die al decennia geleden in studierapporten werden genoemd, maar nog altijd aandacht vragen. Het gaat onder meer om informatie over kansen en risico's en de ondernemingsdoelstellingen met onder andere onderbouwing aan de hand van strategische plannen en toekomstige kasstromen. En ook een verantwoording van de performance op dat gebied. Volgens hem is het nog maar de vraag of ondernemingen hierin echt stappen in hebben gezet, mede doordat het argument van concurrentiegevoeligheid nog vaak wordt gebruikt om informatie niet te delen. Ook het aanpassingsvermogen van ondernemingen en de roep om frequentere rapportage blijven terugkerende aandachtspunten.

Paneldiscussie: bevestiging van de thema's

De afsluitende paneldiscussie bood ruimte voor vragen uit het publiek en voegde inhoudelijk verdieping toe aan de geschetste lijnen. Centraal stonden discussies over datawaardering, activering, externaliteiten, impactmaterialiteit, publicatie van de begroting in de jaarrekening, overstandaardisatie, de adequaatheid en wenselijkheid van internationale standaarden, de spanning tussen internationale harmonisatie en nationale of regionale belangen, en duurzaamheidsinvesteringen.

Het symposium vormde niet alleen een terugblik op externe verslaggeving in de carrière-periode van Martin Hoogendoorn, maar vooral een vooruitblik op de toekomst van het vakgebied. Uiteraard was het hele seminar terecht doordesemd van de belangrijke bijdragen die Martin Hoogendoorn heeft geleverd aan de nationale en internationale externe verslaggeving.

Na het symposium nam prof. dr. Martin Hoogendoorn als hoogleraar externe verslaggeving afscheid van de Erasmus Universiteit Rotterdam, met zijn afscheidsrede getiteld ‘Financiële verslaggeving en duurzaamheidsverslaggeving: botsende beginselen of een harmonieus huwelijk?'

Luc Quadackers is eigenaar van Margila.

Gerelateerd

reacties

Reageer op dit artikel

Spelregels debat

    Aanmelden nieuwsbrief

    Ontvang elke werkdag (maandag t/m vrijdag) de laatste nieuwsberichten, opinies en artikelen in uw mailbox.

    Bent u NBA-lid? Dan kunt u zich ook aanmelden via uw ledenprofiel op MijnNBA.nl.