Magazine

De Nederlandse accountancy in de Tweede Wereldoorlog

Vaak wordt gedacht dat een oorlog een verlammende werking heeft op de maatschappij. Voor de accountancy was dat tijdens de Tweede Wereldoorlog niet in de volle breedte het geval. Een beknopte terugblik, in het kader van de 75-jarige bevrijding.

Dit artikel is verschenen in Accountant nr. 2, 2020

Bekijk alle artikelen uit dit nummer

» Download dit artikel (pdf)
» Download het hele nummer (pdf)

Luc Quadackers

Praktisch gezien ontstaat er door de oorlog een grotere behoefte aan accountantsadvies en (niet-publieke) accountantsverklaringen. In hun boek Hoofdstukken uit de geschiedenis van het Nederlandse accountantsberoep spreken De Hen, Berendsen en Schoonderbeek over ‘een grote stimulans voor de accountancy als bedrijf’. Ze noemen accountants bijvoorbeeld als belangrijke adviseurs voor het inrichten van een nieuwe verplichte bedrijfsindeling in industriegroepen en bedrijfsgroepen. Ook worden in 1941 diverse belastingmaatregelen doorgevoerd. Al die regelingen impliceren ook meer werkzaamheden voor accountants. De Hen c.s. spreken zelfs over een explosieve groei van de activiteiten. Om een beeld te krijgen: het aantal accountant-assistenten groeit bijvoorbeeld van 928 in 1941 tot 3.202 in 1945.

Wettelijke regeling in de ijskast

Toch ligt het wettelijk grondvesten van de accountantstitel tijdens de oorlogsjaren op zijn gat. Net nu de wettelijke regeling rondom de registeraccountant eindelijk, na vijftig jaar pogingen, van de grond lijkt te komen. In het najaar van 1938 krijgt Reder, de NIvA-voorzitter op dat moment, van overheidswege te horen dat een nieuw wetsvoorstel ook accountants van andere verenigingen moet toelaten.

Reder besluit water bij de wijn te doen. Het ministerie van Economische Zaken, NIvA en VAGA zijn het dan op hoofdlijnen eens met het voorstel. Het lot lijkt de wet eindelijk gunstig gezind! Vooruitlopend op de goede en snelle afloop richten VAGA-voorzitter Brackel en de volgende NIvA-voorzitter Dijker, à deux (zij zijn de enige twee leden), op 14 april 1939 de Vereeniging Nederlandsch Instituut van Registeraccountants op, en ontvangen daaropvolgend ministeriële goedkeuring. Niet wetende dat het dan nog meer dan 25 jaar zal duren voordat een wettelijke regeling werkelijk is ingevoerd.

Ondertussen is het internationaal zeer onrustig. De Tweede Wereldoorlog breekt uit en de Duitse bezetting maakt de Tweede Kamer vleugellam. Het wetsontwerp wordt niet behandeld. Het NIvA gaat wel nog even aan de slag met het idee om het beroep ‘te sluiten’. Dat houdt in dat alle accountants van dat moment gewoon worden opgenomen en latere toelating pas zal plaatsvinden door examens. Men vreest echter een toestroom van mensen die door de oorlog een andere beroepsuitoefening zoeken. De sluiting van het beroep verdwijnt daardoor na de zomer van 1940 van de radar.

Geen Duits model

Ook is men bang voor ontwikkelingen om het beroep op Duitse wijze in te richten (met drie groepen accountants: registeraccountants, (‘tweede klasse’) accountants en boekhoudkundigen). Het traineren van initiatieven om het Nederlandse beroep naar Duits voorbeeld wettelijk te organiseren komt naar verluidt op het conto van Kraayenhof.

De heer Hirschfeld is tijdens de oorlog waarnemend secretaris-generaal bij het ministerie van Economische Zaken. Hij is bevriend met Kraayenhof. Het verhaal gaat dat Kraayenhof ervoor zorgt dat de voorstellen telkens als ‘niet urgent’ worden betiteld. Dat doet hij niet alleen binnen Nederland. Blijkbaar werd ook in Duitsland ene Munchmeier, een invloedrijke Duitse Wirtschaftsprüfer, door Kraayenhof “zodanig bewerkt dat er vanuit Duitsland het signaal kwam dat voor het Nederlandse beroep reorganisatie niet urgent was”. Aldus voormalig NIVRA-directeur Arie De Bruyne in een interview. Zo blijft het NIvA de eigen, niet-Duitse signatuur behouden.

Wel wordt in 1942 nog een commissie ingericht die nadenkt over de toekomst van het beroep, door alle potentiële maatschappelijke herinrichting naar Duits model. Veel verder dan de oprichting komt die commissie echter niet.

Joodse bedrijven en accountants

Uiteraard ontkomen de accountants, en dus ook het NIvA, niet aan de racistische knoet van de bezetter. Een van de eerste dilemma’s is de vraag of accountants ook mogen optreden als beheerder van Joodse ondernemingen, wat de bezetter graag zou zien. Het NIvA beroept zich op de primaire taak van de accountant: advies en controle. Daarin past geen beheer. Hiermee komt het NIvA aardig weg.

Het beroep wordt directer geraakt door de anti-Joodse maatregelen voor docenten. Vijf Joodse docenten mogen geen les meer geven aan niet-Joodse accountancystudenten. Théodore Limperg probeert op tal van manieren hier onderuit te komen, onder andere door te stellen dat de maatregelen voor het NIvA niet gelden. Limperg is ook een uitgesproken openlijk tegenstander van de Duitse maatregelen op de universiteit in de Tweede Wereldoorlog. Hij verzet zich, namens een collectief van hoogleraren, heftig tegen het uit het ambt zetten van Joodse medewerkers en tegen de studentenzuivering.

In een nog later stadium mogen Joden geen lid meer zijn van het NIvA. Hier wordt als truc nog overwogen om het lidmaatschap om te zetten in een assistentschap. Het mag echter niet baten; 56 Joodse leden wordt gevraagd hun lidmaatschap op te zeggen. Men overweegt trouwens ook nog om uit verzet het hele instituut op te doeken. Maar daar is niemand voor: het vakbelang gaat boven de individuele belangen! Eerder voorgestelde maatregelen om het salaris van de verstoten Joden te compenseren vinden geen doorgang. Ook een Joodse accountantsorganisatie wordt als optie genoemd, tevergeefs. Vanaf 1942 zijn ze allen gedoemd.

Drieëndertig Joodse leden overlijden tijdens de oorlog, maar ook meerdere niet-Joodse leden. Na de bevrijding volgt er een zuivering, ook binnen de accountantsorganisaties. Wie was fout en wie niet? En wat is precies fout? Richtlijnen voor vrije beroepen ontbreken. Vijfendertig NIvA-leden verschijnen voor de Zuiveringsraad. Zeven leden worden uit het instituut gezet, drie geschorst en twee krijgen een berisping. Onvaderlandslievend gedrag is daarbij het criterium.

Hoofdstukken uit de geschiedenis van het Nederlandse accountantsberoep

Dit boek uit 1995 kan worden gezien als het vervolg op het boek van Johan de Vries over de opkomst van het Nederlandse accountantsberoep tussen 1985 en 1935. ‘Hoofdstukken’ is geschreven door P.E. de Hen, J.G. Berendsen en J.W. Schoonderbeek. Het boek behandelt vooral de periode 1935-1970, maar belicht ook enkele relevante ontwikkelingen van iets latere datum, met name vanwege de voorbereiding en de realisering van de wettelijke regeling voor het accountantsberoep.
Uitgever: Koninklijke van Gorcum BV, 325 pagina’s.

Opmerkelijk

Blijkbaar zat op de eerste verdieping van het NIvA-bureau ook de verzetskrant Trouw, waarvan alleen NIvA-bureaudirecteur De Bruyne weet had.

In 1938 helpt vooraanstaand accountant Kraayenhof een rijke Joodse vriend, Eduard Vis, om zijn bezittingen in Zwitserland onder te brengen. Kraayenhof bezoekt hem tijdens de oorlog menigmaal. Pas jaren na de oorlog wordt bekend dat Kraayenhof bij die bezoeken geheime informatie op microfilm in zijn vulpen meesmokkelde.

Starreveld timmert voor de oorlog stevig aan de weg, onder andere met zijn Kantoormachinegids. Amerikaanse kantoormachinefabrikanten zijn echter niet blij met de advertenties van Europese machines in hun Amerikaanse blad. Dat betekent ongewenste concurrentie. Op een gegeven moment wordt Starreveld er zelfs van beschuldigd een Duitse spion te zijn die economische inlichtingen verzamelt voor Hitler-Duitsland.

Luc Quadackers is eigenaar van Margila en als onderzoeker verbonden aan het Lectoraat Financieel-economische Innovatie van de Hogeschool Utrecht.

Gerelateerd

reacties

Reageer op dit artikel

Spelregels debat

    Aanmelden nieuwsbrief

    Ontvang elke werkdag (maandag t/m vrijdag) de laatste nieuwsberichten, opinies en artikelen in uw mailbox.

    Bent u NBA-lid? Dan kunt u zich ook aanmelden via uw ledenprofiel op MijnNBA.nl.