Valse facturen verwerkt voor criminele familie
Een registeraccountant verwerkt elf valse facturen in de administratie, maakt zelf een valse factuur op en betaalt de bedragen aan zijn criminele achterneven respectievelijk oom. Na een veroordeling tot 22 maanden cel wordt de inschrijving van de accountant definitief doorgehaald.
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Zaaknummers:
- 23/1194
- Datum uitspraak:
- 27 januari 2026
- Oordeel:
- hoger beroep deels gegrond / klacht gegrond
- Maatregel:
- doorhaling met herinschrijvingsverbod van vijf jaar
- Status:
- definitief
- Vindplaats:
- ECLI:NL:CBB:2026:26
Lex van Almelo
Belangrijkste feiten
Een registeraccountant levert hand- en spandiensten aan twee criminele achterneven en hun vader, die samen geld witwassen door de vennootschap van de accountant valse facturen te laten betalen. Eén van de achterneven is bestuurder van een bv die in 2015 failliet gaat. De broer van deze bestuurder is directeur van een andere bv. De aandelen van deze bv worden gehouden door een stichting, waarvan de eerstgenoemde achterneef de bestuurder is. De vader van de achterneven is dga van weer een andere bv. De bv's worden hierna omschreven als de holding respectievelijk werk-bv van de accountant, de later gefailleerde bv, de bv van de stichting respectievelijk de bv van de vader.
Naar aanleiding van een liquidatiepoging stelt de politie een opsporingsonderzoek in – het zogenoemde Tandem-onderzoek - dat later uitmondt in een opsporingsonderzoek naar geldstromen. In het kader daarvan doorzoekt de politie in augustus 2018 het kantoor van de registeraccountant. Daarbij treft de recherche tien (betaalde) facturen aan:
- een factuur van de later gefailleerde bv aan de werk-bv van de accountant van 24 januari 2013 ad 2.420 euro;
- een factuur van de later gefailleerde bv aan de holding van de accountant van 24 januari 2013 ad 18.150 euro;
- een factuur van de later gefailleerde bv aan de werk-bv van de accountant van 22 maart 2014 ad 27.830 euro;
- een factuur van de later gefailleerde bv aan de holding van de accountant van 29 december 2014 ad 21.780 euro;
- een factuur van de bv van de stichting aan de holding van de accountant van 18 mei 2015 ad 6.050 euro;
- een factuur van de bv van de stichting aan de holding van de accountant van 19 oktober 2015 ad 18.150 euro;
- een factuur van de bv van de stichting aan de holding van de accountant uit 2016 ad 43.560 euro;
- een factuur van de bv van de stichting aan de holding van de accountant van 3 augustus 2016 ad 36.300 euro;
- een factuur van de bv van de stichting aan de holding van de accountant van 10 november 2016 ad 30.250 euro;
- een factuur van de bv van de stichting aan de holding van de accountant van 28 augustus 2017 ad 24.200 euro.
Een elfde factuur ad 62.500 euro heeft de holding van de accountant op 15 november 2016 opgemaakt en is door de bv van de vader van de achterneven (de oom van de accountant) betaald aan de holding van de accountant.
De accountant wordt in 2021 veroordeeld tot zes maanden cel en een taakstraf van 200 uur wegens:
- het feitelijk leidinggeven aan het medeplegen van opzettelijk een vals geschrift voorhanden hebben, terwijl hij wist dat dit geschrift bestemd was voor het gebruik als ware het echt en onvervalst;
- het medeplegen van valsheid in geschrift.
Begin 2024 veroordeelt het Gerechtshof Amsterdam de man in hoger beroep tot 22 maanden cel, waarvan een half jaar voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Volgens het hof heeft de accountant zich gedurende drieënhalf jaar schuldig gemaakt aan het (gewoonte)witwassen van ruim 400.000 euro en heeft hij een valse factuur opgesteld en valse facturen voorhanden gehad. Dat hij registeraccountant is en financiële kennis heeft gebruikt voor criminele doeleinden, weegt het Hof mee in strafverzwarende zin.
Ondertussen heeft het Landelijk Parket van het Openbaar Ministerie in september 2022 een klacht tegen de accountant ingediend bij de Accountantskamer op basis van het vonnis van de rechtbank. Volgens het OM heeft de accountant:
- facturen van (gefailleerde) rechtspersonen voorhanden gehad en betaald, terwijl de gefactureerde werkzaamheden niet waren uitgevoerd;
- een factuur betaald en verwerkt als bedrijfskosten, terwijl het ging om een lening, en een factuur opgemaakt, terwijl het ging om terugbetaling van de verstrekte lening.
De Accountantskamer verklaart de klacht gegrond en legt een doorhaling op, waarbij de accountant zich op zijn vroegst na tien jaar opnieuw mag laten inschrijven.
Hogerberoepsgronden
De Accountantskamer heeft:
- ten onrechte aangenomen dat de accountant een professionele dienst heeft verricht;
- de gegrondverklaring van de klacht vrijwel volledig gebaseerd op oordelen en overwegingen uit het vonnis van de rechtbank;
- ten onrechte aangenomen dat er tegenover de betaalde facturen geen verrichte werkzaamheden staan (klachtonderdeel a);
- de factuur van 62.500 euro voor 'Business advisory 2015' ten onrechte niet aangemerkt als bedrijfskosten (klachtonderdeel b);
- een te zware maatregel opgelegd.
Oordeel
Het hoger beroep is gegrond voor wat betreft de maatregel en voor de rest ongegrond.
Ad 1 Professionele dienst
Volgens de accountant hebben het opmaken, voorhanden hebben en betalen van facturen niets te maken met de vakbekwaamheid als accountant en zijn dit typische bestuursdaden. De verweten gedragingen staan volgens hem te ver af van het uitoefenen van het accountantsberoep om onder het accountantstuchtrecht te vallen.
Het college wijst voor de definitie van een professionele dienst en een uitgebreide beschrijving van het tuchtrechtelijke toetsingskader hieromtrent naar de punten 7.4 en 7.5 van zijn uitspraak uit 2022. Daaruit blijkt dat het om een professionele dienst gaat wanneer de accountant bij werkzaamheden vakbekwaamheid gebruikt of kan gebruiken. In artikel 1 van de VGBA wordt vakbekwaamheid gedefinieerd als: beschikken over en kunnen toepassen van de noodzakelijke theoretische kennis van de vakgebieden, die worden genoemd in artikel 2 van het Besluit accountantsopleiding 2013. Daarin staat dat de opleiding betrekking heeft op de vakgebieden, waarop wordt gedoeld in artikel 8 van Richtlijn nr. 2006/43/EG. Artikel 8 (lid 1 aanhef en onder a) noemt het vakgebied algemene theorie en beginselen van de boekhouding.
Het opmaken, voorhanden hebben en betalen van facturen kunnen worden geschaard onder voornoemd artikel, want zij vallen onder het begrip 'beginselen van de boekhouding'. Omdat het werkzaamheden zijn waarvoor de accountant zijn vakbekwaamheid heeft aangewend, heeft de Accountantskamer terecht geoordeeld dat die moeten worden aangemerkt als een professionele dienst.
Ad 2 Strafrecht en tuchtrecht
Volgens de accountant had de Accountantskamer de (nog niet definitieve) oordelen van de strafrechter niet als uitgangspunt mogen hanteren, omdat in een strafrechtelijke procedure een ander toetsingskader en een ander bewijsrecht van toepassing zijn. Hij verwijst hierbij naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep. De Accountantskamer moet zich zelfstandig een oordeel vormen over de voorgelegde feiten (zie ook dit arrest), maar heeft in plaats daarvan de overwegingen en de oordelen uit het nog niet definitieve rechtbankvonnis voor juist gehouden, aldus de accountant.
Het college wijst erop dat het al eerder heeft geoordeeld dat het strafrecht en het tuchtrecht naast elkaar kunnen worden ingezet, omdat het gaat om verschillende normschendingen en het strafrecht en het tuchtrecht verschillende doelen dienen. De tuchtrechter is bevoegd om een eigen oordeel te geven over de verenigbaarheid met de gedrags- en beroepsregels van het handelen van een accountant. Daarom is het voor een oordeel over een tuchtklacht niet relevant of de beslissing van de strafrechter wel of niet definitief is. De Accountantskamer heeft dan ook terecht geen reden gezien om te wachten tot de uitspraak in de strafzaak onherroepelijk is.
In de bestreden uitspraak heeft de Accountantskamer de klacht zelfstandig beoordeeld door kennis te nemen van:
- het klaagschrift met bijlagen;
- afschriften van de facturen die worden genoemd in de klachtonderdelen;
- diverse processen-verbaal die zijn opgemaakt ten behoeve van de strafzaak;
- het vonnis van de Rechtbank Amsterdam;
- het verweerschrift van de accountant en de aanvulling daarop;
- een e-mail met bijlagen van de accountant;
- de pleitaantekeningen van de advocaat van de accountant.
Uit het proces-verbaal van de zitting over de klacht is de accountant uitgebreid bevraagd over onder meer de facturen en de familiale verhoudingen met de achterneven en hun vader. Alleen al hieruit blijkt dat de Accountantskamer eigen onderzoek heeft gedaan naar de feiten en omstandigheden, die het OM heeft aangevoerd. Dat de Accountantskamer verwijst naar het oordeel van de Rechtbank Amsterdam betekent niet dat zij geen eigen beoordeling heeft gemaakt.
Om de klacht te onderbouwen mocht het OM stukken uit het strafdossier voegen bij het klaagschrift, waaronder het vonnis van de rechtbank Amsterdam. De Accountantskamer heeft de klacht vervolgens beoordeeld, mede op grond van die stukken en aan de hand van het tuchtrechtelijke toetsingskader. Dat de Accountantskamer zich op punten kon vinden in de motivering van de strafrechter en deze motivering heeft overgenomen en aangevuld, betekent niet dat de Accountantskamer geen eigen afweging en beoordeling heeft gemaakt. Deze hogerberoepsgrond slaagt niet.
Ad 3 Facturen voor werkzaamheden (klachtonderdeel a)
Volgens de accountant blijkt uit zowel het politie-onderzoek als de door hem overgelegde e-mailberichten duidelijk dat de bv's van de achterneven werkzaamheden hebben verricht voor de bv's van de accountant. Voor zover er geen of relatief weinig werkzaamheden zijn uitgevoerd, bestrijdt de accountant dat hij daarvan op de hoogte was. Het verwijt dat de accountant valse facturen heeft opgenomen in de administraties van zijn bv's maakt geen onderdeel uit van de klacht, terwijl niet bewezen is dat de accountant wist dat de facturen vals waren. Het is volgens de accountant niet aannemelijk geworden dat hij ten aanzien van de facturen in strijd heeft gehandeld met de artikelen 4 en 6 van de VGBA. De Accountantskamer heeft klachtonderdeel a daarom ten onrechte gegrond verklaard.
Volgens het college is het voldoende aannemelijk geworden dat de accountant de facturen van de achterneven voorhanden heeft gehad en heeft betaald, terwijl de gefactureerde werkzaamheden niet zijn uitgevoerd. Het OM heeft het verwijt uitvoerig gemotiveerd en gedocumenteerd en de accountant is er niet in geslaagd om aan te wijzen dat, en zo ja welke, werkzaamheden staan tegenover de facturen, die alleen omschrijvingen bevatten als 'Managementadvies', 'Advisory', 'Ondersteuning' en 'Financiële ondersteuning'. Iedere specificatie van de uit te voeren of uitgevoerde werkzaamheden ontbreekt, net als data waarop die werkzaamheden zouden worden dan wel zijn verricht en het aantal daarmee gemoeide uren. Schriftelijke stukken hiervoor ontbreken.
Of de accountant wist wat de bestemming was van de betaalde bedragen doet hier niet ter zake, omdat dit geen onderdeel uitmaakt van klachtonderdeel a. Op de zitting bij het college heeft de accountant erkend dat:
- zijn administratie destijds op bepaalde punten slordig was;
- hij wellicht onzorgvuldig(er) gewerkt heeft, omdat het ging om afspraken met familie;
- hij zichzelf op geen enkele wijze heeft verrijkt.
Het kan de accountant worden verweten dat hij facturen voorhanden had en heeft betaald zonder dat daar een dienst tegenover stond.
Ad 4 Business advisory is bedrijfskosten (klachtonderdeel b)
Volgens de accountant ging het bij de factuur van 62.500 euro voor 'Business advisory 2015' wel degelijk om bedrijfskosten. Dat het achteraf om een lening blijkt te gaan, betekent niet dat hij in strijd heeft gehandeld met de fundamentele beginselen van integriteit en professionaliteit. Verder vindt de accountant dat de Accountantskamer ten onrechte het verweer heeft genegeerd dat door deze factuur geen derden misleid zijn, ook de Belastingdienst niet. De ontvanger van de factuur snapte namelijk waar de factuur op sloeg en had deze instructie zelf doorgegeven. Volgens de accountant heeft hij dus niet opzettelijk een valse factuur opgemaakt. Het gaat om een transactie in familiale sfeer en de factuur is alleen opgemaakt om een administratieve fout die eerder was gemaakt fiscaal te herstellen. De Belastingdienst heeft deze zienswijze gevolgd, aldus de accountant.
Volgens de Accountantskamer is voldoende aannemelijk geworden dat de accountant deze factuur heeft betaald, terwijl het ging om een lening. De kamer wijst op verschillende verklaringen van de accountant:
- (meerdere keren bij de politie) het bedrag van 62.500 euro was een lening;
- Business advisory is een algemene term, maar dat is hier niet goed gegaan, ik had het een lening moeten noemen;
- als het een lening was, had ik ook een leningsovereenkomst moeten maken, maar dat is niet gebeurd, maar in de inhoud was het wel een lening;
- "Eigenlijk was het een lening, maar hij is verwerkt als een fee. Een jaar later is het andersom gegaan. Dat is niet goed gegaan. Ik heb dat verwerkt in mijn administratie. Er is geen leningovereenkomst gemaakt.";
- "Ik bepaalde samen met mijn oom wat er op de factuur kwam te staan. Dat is een stukje sloppyness. Het is besproken als een converteerbare lening die omgezet kon worden in shares, maar dan moet je ernaar handelen en dan moet er een leningsovereenkomst komen. Die is niet opgesteld, dus hebben we het zo opgelost. Omdat het in 2015 fout was gegaan, heb ik het in 2016 gecorrigeerd.";
- "Nou, de belangrijkste reden was dat er cheesecake mee gekocht zou worden. Ik heb daar veel contact over gehad met mijn oom Hendrik. Het was de bedoeling dat hiermee de lening terugbetaald zou worden."
- "Er is geld geleend door mijn neef (…) EUR 62.500".
De latere schriftelijke verklaring van de oom dat de factuur van 31 maart 2015 verband hield met advieswerkzaamheden is volgens de Accountantskamer afgestemd op het (onaannemelijke) verweer van de accountant, wiens echtgenote bij de politie heeft verklaard dat het om een lening ging. Volgens de Accountantskamer heeft de accountant deze factuur dus betaald, opgenomen in de administratie en als bedrijfskosten verwerkt in de boekhouding, hoewel het om het verstrekken van een geldlening ging. Daarmee heeft hij in strijd gehandeld met de fundamentele beginselen van integriteit en professionaliteit.
Op de zitting bij het college heeft de accountant over deze factuur gezegd dat:
- zijn oom hem zou gaan helpen bij het herstructureren van zijn bedrijf;
- de factuur slaat op deze werkzaamheden;
- zijn oom hem in diezelfde periode heeft gevraagd om te investeren in een op te richten bedrijf met cheesecakes;
- de accountant daar geen interesse in had;
- zijn oom voor het bedrijf overduidelijk behoefte had aan liquide middelen;
- de nieuwe bv van zijn oom daarna de factuur verstuurde;
- de accountant deze als kosten heeft verwerkt in zijn administratie en heeft betaald.
Het college vindt het gezien deze gang van zaken voldoende aannemelijk dat het hier gaat om een verstrekte geldlening in plaats van een factuur voor (nog) te verrichten werkzaamheden. Ondersteuning hiervoor vindt het college in het proces-verbaal van het politieverhoor, waarin de accountant bevestigt dat het bedrag van 62.500 euro in werkelijkheid een lening was. Het college is het daarom met de Accountantskamer eens dat de accountant de factuur ten onrechte als bedrijfskosten in de administratie heeft verwerkt.
Over de factuur die de oom een jaar later toestuurde heeft de accountant op de zitting (nogmaals) erkend dat hij daarmee de fout is ingegaan, maar zonder het oogmerk om iemand te benadelen. Nadat de toegezegde werkzaamheden niet waren uitgevoerd, heeft hij de factuur van 62.500 euro naar eigen zeggen op aangeven van zijn oom opgemaakt om de situatie fiscaal gezien weer recht te trekken.
Mede gelet op deze erkenning vindt ook het college het voldoende aannemelijk dat de accountant deze factuur heeft opgesteld, terwijl het welbeschouwd gaat om terugbetaling van een lening. Dat er geen derden zouden zijn misleid en hijzelf noch anderen hierdoor zijn bevoordeeld, neemt niet weg dat de factuur valselijk is opgemaakt, wat in strijd is met de fundamentele beginselen van integriteit en professionaliteit.
Maatregel
Doorhaling met een herschrijvingsverbod van vijf in plaats van tien jaar.
De accountant heeft gedurende een langere periode facturen met valse informatie in het maatschappelijk verkeer gebracht en/of betaald en daarmee in ernstige mate de fundamentele beginselen van integriteit en professionaliteit geschonden. Doorhaling van de inschrijving in de registers is in zo’n geval passend en geboden. De termijn van tien jaar, waarbinnen de accountant niet opnieuw in de registers kan worden ingeschreven, vindt het college niet proportioneel. De termijn van vijf jaar is passender vanwege de aard en de ernst van het tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen en omdat de accountant niet eerder tuchtrechtelijk is veroordeeld.
Annotatie Lex van Almelo
Een registeraccountant is dga van een vennootschap die hij laat gebruiken om geld wit te wassen. Zijn oom en diens zonen sturen hem facturen voor niet-verleende diensten en de accountant betaalt die. De accountant komt in beeld als de politie na een liquidatie de geldstromen volgt en een huiszoeking doet bij het bedrijf van de accountant. Of de accountant zijn criminele oom en achterneven uit liefde heeft geholpen of onder druk is gezet, vertelt het verhaal niet. In ieder geval veroordeelt het Gerechtshof Amsterdam hem in hoger beroep tot 22 maanden cel wegens het opmaken en voorhanden hebben van valse facturen.
De veroordeelde accountant gaat ook in hoger beroep tegen de doorhaling van zijn inschrijving, die de Accountantskamer hem oplegde. Dat er werkzaamheden tegenover de facturen stonden, heeft de accountant ook in het tuchtrechtelijke hoger beroep niet aangetoond. En dat het bij een factuur van ruim 60k wel degelijk ging om bedrijfskosten – 'Business Advisory', zoals zijn oom het noemt - heeft hij evenmin aannemelijk gemaakt. Hij heeft eerder herhaaldelijk verklaard dat het om een lening ging, zodat zijn oom een bedrijf in 'cheesecake' kon opzetten.
De accountant snijdt in het tuchtrechtelijk hoger beroep vergeefs twee principiële punten aan. Ten eerste bestrijdt hij dat hij een professionele dienst heeft uitgevoerd; hij heeft als bv-bestuurder transacties verricht in de familiale sfeer. Het college wijst dit verweer van de hand door te herhalen dat je een professionele dienst verricht wanneer je als accountant jouw vakbekwaamheid aanwendt of kunt aanwenden. Het college preciseert hier wat vakbekwaamheid inhoudt: jouw theoretische of praktische vaardigheden op boekhoudkundig gebied gebruiken. En dat doe je ook wanneer je facturen opmaakt, voorhanden hebt en – zoals in dit geval - verwerkt in de financiële administratie en betaalt.
Het tweede principiële punt is in wezen ook vragen naar de bekende weg: de tuchtrechter kan bij de beoordeling van een klacht niet blindvaren op een strafrechtelijke veroordeling, maar moet de aangevoerde feiten en omstandigheden zelfstandig beoordelen en toetsen aan de VGBA. Een oordeel vellen aan de hand van het klaagschrift van het OM, van een strafvonnis, van het verweerschrift en alle bijlagen bij de stukken uit de tuchtprocedure is een zelfstandige beoordeling, waarbij niet wordt gekeken naar de eisen voor strafbaarheid, maar naar de gedrags- en beroepsregels voor accountants. Omdat de tuchtrechter zijn oordeel slechts gedeeltelijk baseert op de feiten uit het strafvonnis, hoeft de strafrechtelijke veroordeling niet onherroepelijk vast te staan.
