Meten is nog geen verbeteren: tijd voor impact in de beleggingspraktijk
Impactmeting is in korte tijd uitgegroeid tot een vast onderdeel van het vocabulaire van de financiële sector. Beleggers rapporteren steeds vaker over CO₂-voetafdrukken, sociale indicatoren en bredere ESG-metrics. Maar achter deze groeiende hoeveelheid data schuilt een ongemakkelijke vraag: leidt dit meten ook daadwerkelijk tot betere impact?
Annebeth Roor-Wubs
In mijn onderzoek naar impactmeting binnen beleggingen komt een duidelijke tweedeling naar voren. Enerzijds is er meten om te bewijzen: het inzichtelijk maken van impact richting stakeholders, toezichthouders en deelnemers. Anderzijds is er meten om te verbeteren: het daadwerkelijk gebruiken van impactinformatie in beleggingsbeslissingen. Die tweede categorie blijft in de praktijk én in de literatuur opvallend onderbelicht.
De nadruk ligt nog sterk op verantwoording. Dat is begrijpelijk. Transparantie is essentieel in een sector die opereert met maatschappelijk kapitaal. Maar wanneer impactmeting primair wordt ingezet als rapportage-instrument, bestaat het risico dat het een doel op zich wordt, in plaats van een middel om betere beslissingen te nemen.
Juist daar wringt het. Veel studies onderstrepen het belang van het verbeteren van impact, maar bieden beperkt houvast voor hoe beleggers dit concreet kunnen doen. Hoe vertaal je impactdoelstellingen naar portefeuillekeuzes? Hoe weeg je impact mee naast risico en rendement? En hoe stuur je bij gedurende het beleggingsproces? Deze vragen raken de kern van de beleggingspraktijk — en blijven nog te vaak onbeantwoord.
Voor accountants en andere financiële professionals ligt hier een belangrijke rol. Zij zijn immers bij uitstek gewend om informatie niet alleen te controleren, maar ook te duiden en te verankeren in besluitvorming. De uitdaging rondom impactmeting vraagt om een vergelijkbare ontwikkeling: van rapporteren naar sturen.
Dat begint bij het expliciet maken van het doel van impactmeting. Gaat het om verantwoording, of om verbetering? In de praktijk zullen beide doelen naast elkaar bestaan, maar ze vragen om verschillende processen, data en governance. Meten om te verbeteren vereist bijvoorbeeld dat impactinformatie tijdig, relevant en besluitvormingsgericht is - niet alleen achteraf, maar juist ook vooraf en tijdens het beleggingsproces.
Daarnaast vraagt het om integratie. Impactmeting zou geen losstaand traject moeten zijn, maar onderdeel van alle fasen van het beleggingsproces: van strategie en selectie tot monitoring en engagement. Dat betekent ook dat impactdoelstellingen concreet en toetsbaar moeten worden gemaakt en dat er mechanismen nodig zijn om hierop te sturen. Denk aan het koppelen van impactdoelen aan mandaten, of zelfs aan beloningsstructuren.
Een ander aandachtspunt is de rol van stakeholders. Hoewel impactmeting vaak wordt gepresenteerd als een manier om transparantie te vergroten, blijft de daadwerkelijke betrokkenheid van stakeholders in de praktijk beperkt. Dit roept de vraag op of impactrapportages daadwerkelijk bijdragen aan het verkleinen van informatie-asymmetrie - of deze juist in stand houden.
Tot slot is er het risico van schijnzekerheid. Meer data betekent niet automatisch betere inzichten. Zonder duidelijke koppeling aan besluitvorming en zonder kritisch begrip van wat er gemeten wordt, kan impactmeting zelfs leiden tot nieuwe vormen van bias of impact washing. De conclusie is dan ook dat impactmeting zich in een volgende fase moet ontwikkelen. Van een instrument voor legitimiteit naar een instrument voor sturing. Dat vraagt om verdere professionalisering, zowel in onderzoek als in de praktijk.
Voor de accountancysector ligt hier een kans om een brug te slaan. Niet alleen door assurance te bieden over impactdata, maar ook door bij te dragen aan de ontwikkeling van robuuste processen, waarin impact daadwerkelijk wordt meegewogen in beslissingen. Want uiteindelijk geldt ook hier: meten is pas waardevol als het leidt tot beter handelen.
