Magazine

'Een accountant is niet wat men denkt'

Als inhoudsdeskundige niet-Europeaan verschaft de Amerikaanse hoogleraar Jere Francis een relatief objectieve kijk op actuele ontwikkelingen binnen de accountantscontrole in Nederland. “Als er al een structureel gebrek bestaat in de controle, ligt dat niet aan de organisatie van de accountantskantoren, maar eerder aan de beperkingen van het onderzoeksgereedschap van accountants.”

Dit artikel is verschenen in Accountant Q4, 2019

Bekijk alle artikelen uit dit nummer

» Download dit artikel in pdf

Onder professoren: Jere Francis

U komt al ongeveer 25 jaar regelmatig naar Nederland. Op welke gebieden onderscheidt het Nederlandse accountantsberoep zich van het beroep in andere landen?

“Nederland is naar mijn mening altijd zeer geavanceerd geweest in de manier waarop het beroep is georganiseerd. Nederland behoort ook tot de eerste landen waarbij de PCAOB zich comfortabel genoeg voldoende om op het lokale inspectieproces te vertrouwen. Het is bijzonder dat veel ervaren praktijkaccountants deelnemen aan onderzoekscongressen. Er heerst een traditie van nauwe interactie tussen accountantsberoep en universiteiten. Dat vindt ook zijn weerslag in de Foundation for Auditing Research (FAR). Het was zeker een van de voornaamste redenen om de functie van FAR Chair te gaan bekleden.”

De Commissie Toekomst Accountancysector (CTA) heeft in oktober een interim-discussierapport gepubliceerd. Wat is uw mening over het rapport?

“De toon van het rapport is positief en productief. De commissie lijkt scherp en objectief te werk te zijn gegaan. In het rapport worden geen radicale interventies voorgesteld. Men erkent dat een accountantscontrole nooit perfect kan zijn. Er zullen altijd schandalen en fraudes blijven voorkomen die niet door de accountant zijn onderkend. Een accountant verhoogt de waarschijnlijkheid dat geen materiële fout aanwezig is in de financiële verantwoording, maar de controle verschaft geen volledige garantie. Een accountant is niet wat veel mensen denken dat hij is. Het is verbazingwekkend dat zelfs zeer ervaren en slimme functionarissen in hoge posities soms naïef denken dat een goedkeurende accountantsverklaring inhoudt dat de jaarrekening correct is. Ook daar bestaat dus nog steeds een verwachtingskloof.”

Die verwachtingskloof is dus niet terecht?

“Ik wil graag een vergelijking maken. Het sterftecijfer bij chirurgische ingrepen is verrassend hoog, afhankelijk van het type ingreep. Soms is het sterftecijfer wel 25 procent, maar het gemiddelde ligt tussen de vijf en tien procent; veel hoger dan je zou denken. De vraag is of je het de chirurg kunt verwijten als de patiënt sterft tijdens een ingreep. Meestal wordt een arts niet aangeklaagd. Laten we dit vergelijken met het sterftecijfer tijdens een accountantscontrole. Daarbij gaat het om de fractie van de controles waarbij de accountant een materiële fraude over het hoofd ziet. Uit beschikbare data blijkt dat die fractie heel laag is. Mijn collega-UM-onderzoeker Patrick Vorst heeft SEC-gegevens verzameld van bedrijven die zijn onderzocht door de SEC en die zich schuldig hebben gemaakt aan winstmanipulatie in hun rapportages. Het ‘misrapporteren’ gebeurt slechts in een half procent van alle observaties.

Mijn punt is dat de kans heel erg klein is dat een accountant het foutief financieel rapporteren van ondernemingen niet ontdekt. Dit roept de vraag op in hoeverre het zinvol is om te investeren in een beter model voor de accountantscontrole. Bovendien heeft de accountant vaak niet verwijtbaar gehandeld, in het geval dat een onderneming fraude pleegt. Van de ondernemingen die door de SEC zijn gesanctioneerd vanwege frauduleus rapporteren wordt in slechts de helft van de gevallen de accountant medeverantwoordelijk gehouden. Fraude begint meestal bij de corporate governance en het bestuur van een onderneming."

U heeft dus nog verbetersuggesties voor de commissie?

“Ja en nee. Ik ben blij met de invalshoek van de commissie dat we moeten leren van incidenten - een fraai eufemisme, trouwens. Als accountants achteraf een probleem ontdekken, maar zeker ook real-time, dan zou er een manier moeten zijn om dit te delen met andere accountants, zodat het beroep ervan kan leren. Wat veroorzaakt de problemen bij cliënten en hoe kunnen accountants ervan leren om zo een betere accountantscontrole uit te voeren? Het is niet het meest interessant om te weten wie de problemen heeft veroorzaakt, maar veel meer of er structurele oorzaken aan ten grondslag liggen, die moeten worden weggenomen.

Een goed voorbeeld is de National Transportation Safety Board in de Verenigde Staten, die grote ongevallen onderzoekt op systemische problemen. Dat gebeurt op dit moment niet binnen de accountantscontrole, onder andere omdat accountants afkerig zijn van het delen van informatie over fouten of gepercipieerde fouten. Pas als we dat wel doen kunnen we een database bouwen die kan worden gebruikt om betere auditmodellen en -methodologieën te bouwen. Helaas zijn accountants zelfs intern binnen kantoren geneigd om informatie over gemaakte fouten niet te delen. Ook de accountantskantoren zelf bouwen dus weinig kennis op over het fraudeproces.

Maar we moeten echt meer leren over fraude. Fraudes worden niet veroorzaakt door structurele defecten binnen accountantskantoren, zoals nu lijkt te worden gesuggereerd in het CTA-rapport. Het probleem ligt veel meer bij het feit dat accountants beperkte vaardigheden hebben met betrekking tot het detecteren van financiële misrapportage. Er lijkt een sfeer te bestaan waarin accountants alleen hun werk goed doen als er niets misgaat. Dat is onmogelijk. De commissie verdient complimenten voor het erkennen dat er altijd incidenten zullen optreden en dat die niet per se moeten worden gezien als het gevolg van een gebrekkige accountantscontrole.”

Zit angst accountantskantoren in de weg bij het bouwen van databases met kennis, bijvoorbeeld op het gebied van fraude?

“De druk van rechtszaken speelt in de VS zeker een rol. Maar dat is waarschijnlijk een minder groot probleem in Nederland. En omdat het analyseren van de root causes van problemen met een behoorlijk niveau van anonimiteit kan plaatsvinden, zie ik niet waarom de identiteit van cliënten en accountants kenbaar zouden moeten worden gemaakt. De frequentie waarmee problemen optreden is zoals gezegd laag. Er is ook survey-onderzoek gedaan waarin partners is gevraagd hoe vaak ze met een bestuur krijgen te maken dat de intentie heeft om cijfers foutief weer te geven. Dat is slechts in één à twee procent van de controles aan de orde. Individuele partners hebben dus weinig directe ervaring in het omgaan met dergelijke cliënten. De conclusie van die partners zou dan ook kunnen zijn dat er geen probleem bestaat; dat is voor verbetering vatbaar. Als we in staat zijn om data te verzamelen en die collectief te delen, dan bouwen we betere kennis op over de omstandigheden die kunnen worden gekoppeld aan misrapportage en die dit gedrag in de hand werken. De data zullen geaggregeerd worden gedeeld en dus niet per individuele casus.”

Welke problemen willen accountants graag op de korte termijn oplossen?

“Ze hebben behoefte aan betere risicoanalysemodellen. Helaas is het heel lastig om die op korte termijn te ontwikkelen. Daarvoor zijn data nodig. Om het risico op misrapporteren te modelleren zijn voldoende voorbeelden van misrapportages nodig. Het onderzoek van Patrick Vorst, dat ik eerder noemde, bevat 25 jaar SEC-gegevens. Daarin bevinden zich driehonderd ondernemingen die misrapporteerden uit in totaal 250.000 waarnemingen. Het is heel moeilijk om op basis van een dergelijke kleine dataset een goed model te bouwen.”

Investeren accountantskantoren zelf wel genoeg in onderzoek?

“Eerlijk gezegd ben ik al jaren gefrustreerd door het gegeven dat accountantskantoren niet meer investeren in interne R&D. Kennisintensieve ondernemingen als Apple investeren ongeveer tien procent van hun omzet in R&D. Dat is de drempel voor een onderneming waarin kennis cruciaal is. Accountantskantoren zijn ook kennisintensieve ondernemingen. Toch investeren ze vrijwel niets in interne R&D. Ze huren consultingfirma’s in voor hun R&D, in plaats van zelf intensief na te denken over wat er moet gebeuren om de accountantscontrole wezenlijk te verbeteren en die verbeteringen intern vanaf de basis zelf op te bouwen. Ook besluiten de kantoren te vaak op een hoog niveau hoe ze hun auditfocus willen aanpassen, zonder effectiviteit en toepasbaarheid van aanpassingen te testen. Kunnen de auditteams wel goed werken met nieuwe technologie? Dat is vaak vooraf onvoldoende duidelijk.”

Welk onderzoek gaat u verder oppakken in uw nieuwe functie?

“Ik zie in mijn eigen werk van de afgelopen 25 jaar een steeds fijner wordende granulariteit. Mijn vroege studies laten zijn dat er verschillen bestaan in audituitkomsten, bijvoorbeeld kwaliteit, tussen big four- en non-big fourkantoren en dat er ook verschillen bestaan binnen big four-kantoren als gevolg van hun industrie-expertise. Er bestaan zelfs verschillen tussen de kantoorvestigingen van hetzelfde accountantskantoor. Deze verschillen zijn mogelijk nog groter dan die tussen verschillende kantoren. De omvang van de vestiging lijkt samen te hangen met de kwaliteit van de controle.

Ik ben recent begonnen met het bestuderen van verschillen tussen partners en de effecten daarvan op de kwaliteit van de controle. We moeten meer leren over factoren die ervoor zorgen dat een controle kwalitatief hoog is en over factoren die er juist voor zorgen dat de kwaliteit laag is. Helaas praten accountantskantoren niet graag over het bestaan van controles van lage kwaliteit. Ze denken binair: de controle is goed of niet goed. Ik zie controlekwaliteit meer als een continuüm, lopend van een onacceptabel lage kwaliteit tot een zeer hoge kwaliteit. We moeten meer beseffen en waarderen dat sommige controles beter zijn dan andere en dat controles dus kunnen verbeteren. Ik zal mijn functie als FAR Chair gebruiken om een blik te werpen in de black box van de accountantskantoren.”

Kunt u dat toelichten?

“Mijn doel is om meer te weten te komen over de persoonlijkheidskarakteristieken van partners en managers en hoe persoonlijke verschillen het werk van controleteams en de controlekwaliteit beïnvloeden. Ook wil ik graag bestuderen hoe organisatorische en structurele kenmerken van accountantskantoren kunnen leiden tot kwalitatief hoogstaande controles.

Dit type onderzoek is van groot belang voor het begrijpen van de drivers van controlekwaliteit en kan worden verricht met het type toegang tot kantoren en controledata die met name een gevolg zijn van mijn functie als FAR Chair. Ik blijf dus, net als vroeger, onderzoeken welke factoren leiden tot betere controlekwaliteit, maar met een veel kleinere korrel.”

Welk advies wilt u meegeven aan de beroepsgroep, kantoren en CTA?

“Accountantskantoren moeten hun cultuur verbeteren, zodat de kwaliteit van de controles nog consistenter wordt. Ik denk dat er ook behoefte bestaat aan betere manieren om bewijs te verzamelen, aan de hand van meer geavanceerde audittechnologie, om zo een beter inzicht te krijgen in de omstandigheden die mogelijk leiden tot misrapportage. Het is daarbij belangrijk om te constateren dat, als er al een structurele tekortkoming bestaat in de controle, het niet zozeer ligt aan organisatorische aspecten van accountantskantoren, maar eerder aan de beperkingen van de onderzoeksmiddelen van accountants.

Deze gedachte wijkt enigszins af van wat de CTA volgens mij voor ogen heeft. Mijn benadering is wat positiever dan de gotcha-mentaliteit, die vaak in het publieke debat naar voren komt als het gaat over de kwaliteit van het werk van accountants.”

CV Jere Francis

In het voorjaar van 2019 startte Jere Francis met een aanstelling als Foundation for Auditing Research Chair bij Maastricht University. Francis werkte eerder op meerdere universiteiten in de Verenigde Staten en Australië. Het grootste deel van zijn carrière bracht hij door als professor aan de University of Missouri-Columbia. Francis werkte ook enige tijd als accountant bij Haskins and Sells, een rechtsvoorganger van Deloitte. Zijn onderzoeksinteresse ligt op het gebied van accountantscontrole, externe verslaggeving en internationale verslaggeving. Francis’ academische publicaties zijn inmiddels meer dan 25.000 keer geciteerd.

Luc Quadackers is eigenaar van Margila en als onderzoeker verbonden aan het Lectoraat Financieel-economische Advisering bij Innovatie (FAI) van de Hogeschool Utrecht.

Gerelateerd

reacties

Reageer op dit artikel

Spelregels debat

    Aanmelden nieuwsbrief

    Ontvang elke werkdag (maandag t/m vrijdag) de laatste nieuwsberichten, opinies en artikelen in uw mailbox.

    Bent u NBA-lid? Dan kunt u zich ook aanmelden via uw ledenprofiel op MijnNBA.nl.