De voortgezette toetsing wordt als instrument veel te weinig gebruikt, meent John Weerdenburg. Terwijl dat instrument juist kan zorgen voor snelle kwaliteitsverbetering.
Discussie ColumnVoortgezette toetsing; van snel herstel naar uitgesteld toezicht
Elk jaar levert de Raad voor Toezicht een verslag op over het voorbije toetsingsjaar. Wie dat leest, zou een goede indruk moeten krijgen van het kwaliteitsniveau van kantoren in dat jaar, maar ook van zaken waar met nadruk naar gekeken is door het toetsersgilde.
Uit het verslag over het toetsingsjaar 2024 blijkt dat er bij de 143 uitgevoerde toetsingen slechts één keer gebruik is gemaakt van het 'instrument' van de voortgezette toetsing. Dat is niet alleen verrassend, maar ook bijzonder spijtig. Het concept van de voortgezette toetsing was toch juist bedoeld voor pragmatisch en proportioneel toezicht?
Ik snap daar helemaal niets van. Waarom? De voortgezette toetsing biedt de mogelijkheid om beperkte tekortkomingen binnen drie maanden te corrigeren, waarna de toetsing gewoon kan worden afgerond. Die voortgezette toetsing staat in de praktijk dus voor een snel herstel, korte lijnen en directe kwaliteitsverbetering. Dat zou eenieder toch als muziek in de oren moeten klinken; de toetser die zo naar een snelle afronding kan en het kantoor dat snel en goed herstel doorvoert.
Minimale inzet
Maar dan naar de kern van dit mysterie: waarom wordt de voortgezette toetsing dan zo tergend minimaal ingezet? Een grote bottleneck is het feit dat het initiatief uitsluitend bij de toetser ligt. Dus ook al sta je als kantoor te trappelen met je herstelmaatregelen en weet je 100 procent zeker dat je die misschien zelfs al binnen vier weken in plaats van drie maanden kunt hebben doorgevoerd, dan nog vang je bot. Immers, alleen de toetser mag het initiatief nemen tot een voortgezette toetsing.
Nog een obstructie: een voortgezette toetsing vergt te allen tijde extra afstemming met de Raad voor Toezicht. Extra afstemming is altijd extra gedoe - welke toetser heeft daar zin in? En dan is er nog het valse argument van veiligheid; een hertoetsing voelt ‘veiliger’ door de langere termijn.
Classificatieprobleem
Wie nog een laag dieper graaft, ziet dat er een dieperliggend probleem schuilgaat onder deze zaken: de classificatie van tekortkomingen. Stel dat je een lichte of incidentele fout veroorzaakt hebt in de externe verslaggeving, bijvoorbeeld door een foute instelling in je rapportgenerator. Iets waardoor het inzicht in de jaarrekening in ieder geval géén averij opgelopen heeft. Dan zegt de Raad voor Toezicht eigenlijk: ook een klein beetje fout vinden wij verschrikkelijk fout. Oftewel: je kunt fluiten naar je voortgezette toetsing; het wordt gewoon een reguliere hertoetsing. Elke fout in de jaarrekening (ongeacht de aard of impact) leidt dus tot een hertoetsing. Dat is een zwart-witbenadering voor een praktijk die juist vele tinten grijs kent; lang niet elke fout is fundamenteel of structureel. Sommige tekortkomingen kun je ook gemakkelijk en snel herstellen - en laat de voortgezette toetsing daar nou precies voor bedoeld zijn.
Verlies aan momentum
Wie nogmaals het rapport over 2024 in de hand neemt, ziet kraakhelder dat er een overweldigende voorkeur bestaat voor de route die naar hertoetsing leidt (in plaats van naar een voortgezette toetsing). En dat is eigenlijk doodzonde. Niet alleen vanuit financieel perspectief, maar bovenal omdat het momentum niet gepakt wordt. Kantoren met een lichte tekortkoming, die graag zo snel mogelijk de boel weer op de rit willen hebben, krijgen niet de kans tot 'eerherstel' binnen drie maanden. Nee, ze moeten een jaar geduld opbrengen voordat ze opnieuw aan een toetsing worden onderworpen. Wat er dan gebeurt is even logisch als voorspelbaar: als de zeilen slap komen te hangen, gaat het schip niet meer vooruit. Verbetermaatregelen? Die kun je ook wel ergens in de loop van het jaar nemen. Ondertussen sudderen de kwaliteitsproblemen stilletjes door. Dat is niet in het belang van het kantoor, noch van de klant.
De voortgezette toetsing lijkt hiermee vakkundig buitenspel gezet. Niet door beleid, maar door interpretatie en gedrag. De vraag is dan ook niet of het instrument moet blijven bestaan, maar of we bereid zijn om het daadwerkelijk te gebruiken waarvoor het bedoeld is: snel, proportioneel en effectief ingrijpen waar dat kan. Goed toezicht gaat niet alleen over streng zijn. Het gaat ook over tijdig handelen.
