Magazine

Academische vrijheid, academische helden

Naast verschillen bestaat er ook een belangrijke overeenkomst tussen de beide universiteiten waaraan ik verbonden ben: de academische vrijheid staat voorop. En dat is wat ik het meest koester.

Dit artikel is verschenen in Accountant Q2, 2018

Bekijk alle artikelen uit dit nummer

» Download dit artikel in pdf

Sinds het jaar 2000 ben ik hoogleraar aan Nyenrode Business Universiteit en Universiteit Leiden. Twee totaal verschillende universiteiten, die ik koester; juist vanwege de verschillen. Nyenrode is een relatief jonge universiteit (1946), gericht op het bedrijfsleven, pragmatisch en dynamisch, sterk in executive education. Leiden is de oudste universiteit in Nederland (1575), puur academisch, theoretischer en statischer, vooral gericht op basisprogramma’s.

Ik heb de luxe dat ik kan zeggen: I take best of both worlds. Op Nyenrode treed ik (accountant) vooral op in programma’s voor studenten accountancy & controlling, voor alumni en in programma’s voor bestuurders en commissarissen. Ik zoek daar de verbinding tussen aandachtsgebieden als accountancy & controlling, corporate governance en ethiek & integriteit.

In Leiden doceer ik (jurist) het vak forensische accountancy binnen een criminologische opleiding. Ik zoek daar de verbinding tussen aandachtsgebieden zoals strafrecht, criminologie en specifieke onderwerpen zoals fraude, witwassen, witteboordencriminaliteit en organisatiecriminaliteit.

Maar naast verschillen bestaat er ook een belangrijke overeenkomst tussen beide universiteiten: de academische vrijheid staat voorop. En dat is hetgeen ik het meest koester. Het gaat er binnen de academische wereld niet zozeer om welke positie je ten aanzien van een onderwerp of debat nu precies inneemt. Het gaat er wel om dat die positie wordt onderbouwd door deugdelijk onderzoek en logisch navolgbare en toetsbare argumenten. Dat vereist dat je je openstelt voor toetsing en discussie, dat je je kwetsbaar durft op te stellen. Het gaat erom dat het handelen als academicus plaatsheeft volgens de principes van de Gedragscode Wetenschapsbeoefening: zorgvuldigheid, betrouwbaarheid, controleerbaarheid, onafhankelijkheid en onpartijdigheid. Accountants zullen zich daar vast goed in herkennen.

Cleveringa

Een treffend voorbeeld van het belang dat de Leidse Universiteit hecht aan de academische vrijheid en de bijpassende normen en waarden, betreft een belangrijke gebeurtenis in de Tweede Wereldoorlog. Rudolph Cleveringa, hoogleraar rechtsgeleerdheid handelsrecht en burgerlijk procesrecht, kwam op 26 november 1940 in een rede aan de Leidse universiteit op voor zijn collega’s. Daarmee protesteerde hij tegen de Duitse bezetter, die zijn promotor en collega-hoogleraar Meijers en een aantal andere Joodse hoogleraren ontslag had aangezegd. Cleveringa werd door de Sicherheitzpolizei opgepakt en gevangen genomen. Hij had zijn koffer met kleding vooraf klaargezet, omdat hij zeker wist dat hij zou worden aangehouden. Na zijn vrijlating werd hij door het Londens kabinet benoemd in het College van Vertrouwensmannen, dat na de bevrijding de overgang naar een normaal bestuur in Nederland moest begeleiden.

In 1946 trad hij op als erepromotor van Winston Churchill en in 1953 kreeg hij van de Amerikaanse regering de Medal of Freedom voor zijn verzetswerk. Cleveringa verkreeg blijvende eer door de instelling van de Cleveringa-leerstoel en de jaarlijkse organisatie van de Cleveringa-rede. Die rede wordt jaarlijks door Leidse hoogleraren uitgesproken in vele landen, vaak georganiseerd door en/of op de Nederlandse ambassade. In 2015 had ik de eer om een dergelijke rede in Tokyo uit te spreken.

De rede die Cleveringa op 26 november 1940 hield als protest tegen de Nazi’s, werd in 2015 uitgeroepen tot de ‘beste speech van Nederland’. In die rede toonde hij zich de academicus door de argumenten boven zijn emoties te stellen: ‘Ik zeide U niet over mijn gevoelens te zullen spreken; ik zal mij eraan houden, al dreigen zij als kokende lava te barsten door al de spleten, welke ik bij momenten den indruk heb, dat zich, onder den aandrang ervan, in mijn hoofd en hart zouden kunnen openen.’

Briloff

Binnen de accountancy zijn eveneens academische helden te vinden, al zijn ze - zeker in het recente verleden - in aantal niet talrijk. Op Nederlands grondgebied is één van de grootste namen, uiteraard, die van Theodoor Limperg. Maar mijn absolute held en inspirator is Abe Briloff. Een Amerikaanse hoogleraar accountancy die aldaar werd geduid als the conscience of the profession. Minder vleiend werd hij ook wel omschreven als an accounting gadfly en aging warrior with a worn-out message. Briloff heeft vanaf 1944 het vak gediend tot hij, aan de vooravond van mijn verjaardag, overleed op 12 december 2013. Over hem valt te lezen in een door hoogleraar Richard Criscione geschreven biografie. Van Briloff zelf verschenen boeken - in mijn boekenkast staan ze vooraan - met titels als: The truth about corporate accounting (1972), More debits than credits (1976) en Unaccountable accounting (1979).

Briloff introduceerde de - nog steeds toepasselijke - term bikini-accounting: “A balance sheet is very much like a bikini bathing suit. What it reveals is interesting, what it conceals is vital.” Hij was zelf een meester in het tonen van hetgeen door het bedrijfsleven, onder het toeziend oog van accountants, werd verhuld. Hij prikte er doorheen, legde het bloot en maakte het openbaar. Bedrijven die door zijn analyses werden ‘getroffen’, werden steevast met een fors koersverlies op de beurs geconfronteerd. Op Wall Street werd dat geduid als het Briloff-effect.

Briloff was accountant, auteur, columnist en dus ook hoogleraar. Eentje die bereikbaar was voor de pers en die publiceerde voor het grote publiek: “Accounting academics typically wrote in academic journals, where they were read by other academics”, aldus collega-hoogleraar Stephen Zeff. “But Abe wrote for a broader audience, which meant the whole financial world saw what he wrote and sent lawyers running in the direction of the courts to bring lawsuits against him.”

Briloff werd menigmaal ‘uitgekotst’ door het Accounting Establishment. Zijn aanwezigheid in het accountantsdomein zorgde regelmatig voor (negatieve) publiciteit. Zijn aanwezigheid en kritiek hebben diverse keren geleid tot aanpassing van wet- en regelgeving. Zijn aanwezigheid en kritiek hebben regelmatig geleid tot het nemen van kostenverhogende kwaliteitsmaatregelen binnen accountantskantoren. Zijn aanwezigheid en kritiek hebben accountantspartners geld gekost.

Maar zijn aanwezigheid en kritiek waren nodig om het accountantsberoep - bezien vanuit het maatschappelijk verkeer - kwalitatief beter en sterker te maken. Befaamd zijn Briloffs bijdragen aan en getuigenissen voor parlementaire onderzoekscommissies. Als geen ander kon hij casuïstiek ‘fileren’ en misstanden in het bedrijfsleven en de accountancy blootleggen. Daarbij deinsde Briloff er niet voor terug om ook de Amerikaanse beroepsorganisatie aan te spreken en waar nodig aan te pakken. Bijvoorbeeld als het ging om het (on)vermogen van de beroepsorganisatie om falende collega’s voor de tuchtraad te brengen.

Menigmaal hekelde Briloff de macht van de grote accountantsorganisaties binnen de beroepsorganisatie. In zijn woorden: “My primary thrust is to break the stranglehold which the oligopoly within our profession presently holds over the principal professional organizations.”

Degenen die mijn werk kennen begrijpen waarom ik mij een geestverwant voel van Briloff: wij streven dezelfde soort doelen na. Met dezelfde werkwijze: geen focus op academische journals, maar wel op het grotere publiek. Het doorprikken van ‘luchtbellen’ en wollige beleidstaal. Het ter discussie stellen van werkwijzen. Het soms flinterdunne intellectuele gehalte en corpsbalachtig gebral van het Accounting Establishment aantonen. De durf om het werk van collega-hoogleraren en hun bijdrage aan het maatschappelijk debat ter discussie te stellen. Kortom: het leggen van vingers op zere plekken. Na onderzoek en/of met argumenten onderbouwd. Niet vanuit een voor de academie gebouwde ‘ivoren toren’, maar met de voeten in de praktijk. Briloff was een wetenschapper die goed zou hebben gepast binnen de beste tradities van Nyenrode.

Briloff had vaak gelijk, maar kreeg het gelijk niet van zijn vakgenoten, de hoogleraren en andere spelers vanuit het Accounting Establishment. Maar hij kreeg achteraf wel gelijk door de loop van de geschiedenis. Doordat, nadat hij erover had geschreven, bijvoorbeeld uitkwam dat (de jaarrekeningen van) bedrijven zo rot bleken als een mispel. Doordat praktijken binnen het accountantsberoep en de beroepsorganisatie, enige tijd nadat hij daar over had geschreven, werden aangepakt. Niet omdat Briloff erover had geschreven, maar omdat incidenten - die hij had voorspeld - de noodzaak tot veranderingen aantoonden. De sector kon door die incidenten vaak niet anders dan regels en werkwijzen aanpassen. Als ze dat zelf niet deden, dan deed de wetgever dat wel. En terecht.

Foucault en Stolker

Maar ook bij de meer klassieke academische leer voel ik mij thuis. Bijvoorbeeld bij de Franse fiolosoof Michel Foucault, met zijn pleidooi voor Parrhesia ofwel het vrijmoedig spreken. Foucault stelt: “Ik wil als intellectueel niet de profeet of de moralist spelen. De mensen zijn op politiek en moreel gebied volwassen geworden. Zij moeten individueel en collectief keuzes maken. Ik vind het belangrijk te zeggen hoe een bepaald regime functioneert en hoe het samengesteld is, en een reeks manipulaties en mystificaties te verhinderen. Maar het zijn de mensen die moeten kiezen.”

Net zo voel ik mij thuis bij de woorden van de Leidse rector Carel Stolker: “Ik ben als rector blij met wetenschappers die zich behalve in het wetenschappelijke ook in het maatschappelijke en politieke debat storten, en met de vrijheid die wij hun bieden.” Vrijheid is wat wetenschappers nodig hebben, om hun drive en drift tot het onderzoeken, het leren kennen, het leren begrijpen, het uitleggen en vertalen, gestand te kunnen doen.

Vrijmoedig

Ik moedig jonge studenten en jonge collega’s graag aan om vrijmoedig te spreken. Het is de jonge generatie die ons en ons vak verder moeten brengen. Het is aan hen om geijkte werkwijzen ter discussie te stellen. Om verandering te brengen, te innoveren. Om de gevestigde orde en algemene opvattingen ter discussie te stellen. Om de vraag te stellen of het niet anders kan of zelfs anders moet. Dat alles moeten zij vooral doen: het gaat immers om hun toekomst, om hun vrijheid.

Marcel Pheijffer

Prof. mr. dr. Marcel Pheijffer RA (1967) is hoogleraar (forensische) accountancy aan de universiteiten Nyenrode en Leiden. Daarnaast is hij lid van de Monitoring Commissie Accountancy en sinds 1 mei 2018 lid van de Commissie van toezicht financiën politieke partijen (Ctfpp). Bovendien is hij vaste columnist in het FD en op Accountant.nl.

Tussen 1991 en 2003 was hij werkzaam bij de FIOD in Haarlem en in die functie betrokken bij grootschalige onderzoeken op het terrein van de georganiseerde criminaliteit en organisatiecriminaliteit. In 2002 was hij inhoudelijk secretaris van de Parlementaire Enquêtecommissie Bouwnijverheid. Pheijffer promoveerde in 2000 op het proefschrift ‘De forensisch accountant; het recht meester’.

Marcel Pheijffer (1967) is hoogleraar Forensische Accountancy aan de universiteiten Nyenrode en Leiden.

reacties

Reageren op een artikel kan tot drie maanden na plaatsing. Reageren op dit artikel is daarom niet meer mogelijk.

    Aanmelden nieuwsbrief

    Ontvang elke werkdag (maandag t/m vrijdag) de laatste nieuwsberichten, opinies en artikelen in uw mailbox.

    Bent u NBA-lid? Dan kunt u zich ook aanmelden via uw ledenprofiel op MijnNBA.nl.