Magazine

Hoeveel topvrouwen?

In het juli/augustusnummer stelde ik dat vrouwen nooit even sterk vertegenwoordigd zullen zijn in topfuncties als mannen. Dit vanwege hun andersgerichte ambities, plus het feit dat ze vaker dan mannen elkaar bestrijden en kritiek persoonlijk opvatten.

Dit artikel is verschenen in de Accountant nr. 2, 2006

Bekijk alle artikelen uit dit nummer

Naast instemming kwam daarop ook kritiek, vooral op het tweede deel. Typisch vrouwelijke eigenschappen zouden niet bestaan of geen handicap zijn voor een topcarrière. Laat ik hier volstaan met een citaat van de Amerikaanse oud-minister van buitenlandse zaken Madeleine Albright, dat onlangs instemmend werd aangehaald door de op dit punt eveneens onverdachte Neelie Kroes: “De grootste vijanden van vrouwen zijn andere vrouwen.” Voor de meer wetenschappelijk ingestelde critici adviseer ik een onderzoek van Florida State University, uitgebreid aangehaald in The Economist van 5 augustus 2006 (pagina 68).

Niettemin: de vrouwelijke ondervertegenwoordiging op topniveau is nu natuurlijk extreem. Binnen de big four is vier tot vijf procent van de directors en partners vrouw. Buiten de accountancy is het overigens niet veel beter. Sommigen pleiten daarom voor verplichte quota vrouwen in topfuncties. Er is al doodserieus een percentage van veertig procent geopperd, naar het voorbeeld van gidsland Noorwegen. Een beetje eng. Maar wat is wél een redelijk streefpercentage?

Laten we de discussie ontdoen van de gevoelige randjes en ons hier beperken tot de ambities. Nederlandse vrouwen hebben andere ambities dan mannen. Een recent onderzoek onder accountancystudenten (zie het volgende nummer) bevestigt dat nog eens overtuigend. Op de vraag of ze de ambitie hebben om op termijn director of partner te worden, zegt 49 procent van de mannelijke studenten ‘ja’. Van de vrouwen slechts 22 procent. Een rekensommetje leert dan dat bij gelijke instroom, kansen en geschiktheid uiteindelijk 31 procent van de topfuncties door een vrouw zou moeten worden bekleed.

Maar laten we nog even verder rekenen. Want die ondervraagde studentes hebben doorgaans nog geen kinderen. Tachtig procent van de Nederlandse vrouwen krijgt die wel, een omstandigheid die zo leert de realiteit bij velen andere prioriteiten doet bovendrijven. Stel dat de helft van de studentes die nu een topcarrière willen, dat na het krijgen van kinderen nog steeds wil. En dat dit bij vaders driekwart is. Dit is nattevingerwerk, maar de cijfers lijken me eerder meer dan minder geëmancipeerd dan de werkelijkheid. Een volgend rekensommetje leert dat vrouwen dan niet langer 31 procent van het aantal ‘topfunctie-belusten’ vormen, maar 25 procent. Uiteindelijk zou dan dus hoogstens een kwart van die functies door een vrouw kunnen worden bezet. Dat is een feit, geen ideologische uitspraak.

Wel ideologisch is de onuitgesproken overtuiging van veel ‘meer vrouwen in topfuncties’-voorvechters dat zo'n functie eigenlijk ‘beter’ is dan een lagere. Over dezelfde parttimebanen die de emancipatiebeweging ooit als hoogste doel beschouwde, wordt nu vaak denigrerend gesproken als ‘deeltijdbaantjes’. De realiteit is dat de meeste vrouwen met kinderen en steeds meer mannen zulke banen simpelweg prefereren, zo bevestigde een SCP-studie dit jaar nog eens.

Veel bevlogen ‘emancipatoren’ rusten echter niet eerder dan dat iedereen fulltime aan het werk is, liefst op ‘topniveau’. Ter linkerzijde uit overspannen gelijkheidsoverwegingen, en ter rechterzijde uit economische motieven. Een dwaling. Gelijke kansen voor iedereen, dat is belangrijk. Het streven iedereen hetzelfde te laten willen, riekt daarentegen naar dwingelandij.

reacties

Reageren op een artikel kan tot drie maanden na plaatsing. Reageren op dit artikel is daarom niet meer mogelijk.

    Aanmelden nieuwsbrief

    Ontvang elke werkdag (maandag t/m vrijdag) de laatste nieuwsberichten, opinies en artikelen in uw mailbox.

    Bent u NBA-lid? Dan kunt u zich ook aanmelden via uw ledenprofiel op MijnNBA.nl.