Magazine

'Accountants hebben iets uit te leggen'

Sommigen propageren een rol van accountants als curator bij faillissementen, maar volgens onderzoeker Arnold van Amsterdam moeten accountants zich vooral in de periode daarvóór actiever opstellen. De meeste failliete bedrijven kregen een jaar eerder nog gewoon een ‘schone’ accountantsverklaring.

Dit artikel is verschenen in de Accountant nr. 1, 2004

Bekijk alle artikelen uit dit nummer

» Download dit artikel in pdf

Dat blijkt uit onderzoek van jurist/registeraccountant Arnold van Amsterdam, die op 10 juni 2004 promoveerde op Insolventie in economisch perspectief (Boom Juridische Uitgevers, Den Haag 2004). Van Amsterdam bestudeerde het openbare gedeelte van 249 curatorenverslagen uit de dossiers van alle faillissementen die de rechtbank Amsterdam in 1998 heeft uitgesproken. Verder keek hij uitvoerig naar (bijbehorende) jaarrekeningen uit het handelsregister en naar 111 dossiers over insolvente ondernemingen van drie banken, waaronder een grootbank en een middelgrote bank. Daarnaast hield hij een enquête onder curatoren en ondernemingen.

Stille surseance

Van Amsterdam spreekt van insolventie als ondernemingen niet meer op eigen benen kunnen staan, maar extra kredieten of hulp nodig hebben van banken, leveranciers, afnemers of (op salaris wachtend) personeel. Bij signalen van dreigende insolventie geven bankfilialen de dossiers van deze ondernemingen in handen van de speciale afdeling die (het hoofdkantoor van) de bank daarvoor heeft.

Deze bijzondere kredietafdelingen proberen de onderneming in een periode van ‘stille surseance’, die meestal tussen de zes en achttien maanden duurt, weer vlot te trekken. Door begeleiding, maar zonder zelf het roer in handen te nemen, slagen de banken erin 55 procent van de insolvente ondernemingen te redden met een doorstart. Overigens is daarbij niet na te gaan of en in hoeverre dit nu alléén de verdienste is van de banken. “Dat is een zwak punt in het onderzoek.”

‘Teleurgesteld’

De onderzoeker was bijna teleurgesteld door het succes van de stille surseance: “Ik had het leuk gevonden om te kunnen schrijven dat de banken allemaal boeven zijn.” Maar enig toezicht op de saneringspraktijk van de banken, bijvoorbeeld door De Nederlandsche Bank, is niettemin welkom. Want gezien de hoge (financiële) drempel kunnen ondernemingen en crediteuren zich nauwelijks bij de rechter beklagen over de bank.

Voor Van Amsterdam is in ieder geval wel duidelijk dat de kansen op een doorstart voor de resterende 45 procent buitengewoon gering zijn. “Als de grootste, zeer deskundige en best geïnformeerde crediteur er na nauw overleg in een stille surseance uiteindelijk geen heil meer in ziet, dan moet je als ondernemer of curator een goed verhaal hebben om toch een doorstart te willen maken.”

Opheffertjes

In enkele gevallen lukt het om met een, tijdens de stille surseance voorbereid, technisch faillissement personeel te laten afvloeien. “Maar dat meer dan negentig procent van de faillissementen eindigt in liquidatie is wel te begrijpen”, stelt Van Amsterdam. “Ik ben in de curatorenverslagen dan ook nauwelijks een doorstart tegengekomen. Het zijn allemaal opheffertjes, waarbij het erom gaat de zaak netjes af te wikkelen volgens de regels. En dat is echt werk voor juristen. De curator moet er voor de crediteuren zoveel mogelijk uithalen wat erin zit. Daarvoor zouden zij, eventueel samen met de fiscus, de directeuren veel vaker aansprakelijk moeten stellen. Volgens de curatorenverslagen die ik heb gelezen, doen zij dat bijna nooit. Wanneer je directeuren vaker persoonlijk aansprakelijk stelt, zullen zij eerder stoppen en schulden minder snel laten oplopen. Daardoor wordt de schade voor crediteuren automatisch kleiner.”

RAC 570

Voor de accountant ziet de onderzoeker bij surseances en faillissementen hooguit een bijrol weggelegd in uitzonderingsgevallen. De accountant zou zich, volgens Van Amsterdam, juist in de periode daarvóór actiever moeten opstellen. RAC 570 schrijft dat ook voor.

“Volgens deze controlerichtlijn moet de accountant rekening houden met het risico van dreigende insolventie. Zowel bij de planning van zijn controle, als bij het vervolg. Wanneer hij op signalen van financiële problemen stuit, moet hij een inschatting maken van de gevolgen die dat kan hebben voor de continuïteit van de onderneming. Hij moet kijken wat hierover in het jaarverslag staat en zonodig een continuïteitsparagraaf toevoegen aan zijn accountantsverklaring.”

Schone verklaring

Maar bij de ondernemingen die in 1998 in het arrondissement Amsterdam failliet gingen, gaf de accountant in het jaar voor het faillissement meestal een schone verklaring af, zonder enige waarschuwing. En dat terwijl er in de jaren voor het faillissement allerlei signalen waren van dreigende insolventie, zoals ontoereikend werkkapitaal, aflossingsverplichtingen die niet worden nagekomen, overmatig gebruik van kortlopend krediet om vaste activa te financieren en andere signalen die RAC 570 onder punt 8 vermeldt.

Dat de accountant ‘meestal’ een schone verklaring afgaf, wil zeggen: in twee van de drie gevallen. In één op de zes gevallen trof Van Amsterdam een continuïteitsparagraaf aan, terwijl de accountant zich in eveneens één op de zes gevallen onthield van een oordeel of zelfs een afkeurende verklaring gaf. Dit beeld komt volgens Van Amsterdam overeen met onderzoeksresultaten uit de literatuur. Maar hij vindt één jaar faillissementen in één arrondissement te beperkt om ‘schijnexacte’ uitspraken te doen. Daarom houdt hij het ’t liefst bij ‘meestal’.

AFM-onderzoek

Ook aan harde uitspraken over de ‘weinig-alarmerende’ houding van de accountant waagt de onderzoeker zich niet. “Omdat ik de accountantsdossiers niet ken, kan ik hieruit geen conclusies trekken. Maar de accountant heeft hier wel iets uit te leggen.”

Toen Van Amsterdam nog als rijksaccountant werkte bij de belastingdienst heeft hij wel eens gepoogd inzage te krijgen in de accountantsdossiers. Maar dat werd hem geweigerd. “Terecht, want ik zou het als openbaar accountant ook niet doen. Daarom ben ik ervoor dat de Autoriteit Financiële Markten bij faillissementen het accountantsdossier gaat doorlichten. Al ben ik bang dat accountants niet zo veel te winnen hebben bij zo’n onderzoek door de AFM: als de accountant een fout heeft gemaakt krijgt hij op zijn duvel, maar als hij het goed heeft gedaan, krijg je direct de vraag wat je dan aan een accountantsverklaring hebt …”

Geringe meerwaarde

De vraag wat je aan een accountantsverklaring hebt, heeft Van Amsterdam voorgelegd aan 82 curatoren en 68 crediteuren die voorkwamen op de uitdelingslijsten van de curatoren en aan een controlegroep van veertien andere ondernemingen die niet waren betrokken bij deze faillissementen.

Vergeleken met de ondernemers zijn de curatoren nog betrekkelijk positief over de betrokkenheid van de accountant. De meerderheid (57 procent) van de geënquêteerde curatoren (allemaal gespecialiseerde insolventierecht-advocaten) maakt het niet uit of de jaarstukken zijn opgesteld door een registeraccountant of AA, terwijl de cijfers volgens 39 procent van de curatoren winnen aan betrouwbaarheid. Als de jaarstukken zijn gecontroleerd door een registeraccountant of AA winnen de cijfers volgens 55 procent van de curatoren aan betrouwbaarheid, terwijl dat voor veertig procent geen verschil maakt.

Uit de overige antwoorden blijkt dat 57 procent van zowel de crediteuren als de ondernemingen uit de controlegroep niet naar de jaarrekening kijkt alvorens een contract te sluiten of tot levering over te gaan. Voor de accountantsverklaring is de belangstelling nog geringer: bij de crediteuren heeft 93 procent en bij de controlegroep heeft 86 procent die niet gelezen.

Minderheid

Het merendeel van de ondervraagde ondernemers is dan ook niet in staat een oordeel te geven over het handelen van de accountant bij het failliet verklaarde bedrijf: 78 procent heeft geen mening, twaalf procent vindt dat de accountant juist heeft gehandeld en negen procent vindt van niet.

Van Amsterdam heeft de ondernemers ook gevraagd wat zij in het vervolg gaan doen. Slechts een minderheid van negentien procent zal voortaan de jaarrekening opvragen. 35 Procent zegt dat ‘soms’ te gaan doen en 46 procent zegt het niet te gaan doen. Van de ondernemers zal een minderheid (38 procent) voortaan de accountantsverklaring gaan lezen; 62 procent is niet van plan dat te gaan doen.

Van Amsterdam: “De meeste ondernemers in het midden- en kleinbedrijf laten de jaarrekening en vooral de accountantsverklaring links liggen. Zij zijn er niet of nauwelijks in geïnteresseerd. De markt vindt die kennelijk niet belangrijk en de markt heeft altijd gelijk.”

Verwachtingskloof

De suggestie de verplichte accountantsverklaring dan maar af te schaffen om de administratieve lasten van het bedrijfsleven te reduceren, gaat hem echter te ver. “Nee, als je die verplichting opheft, is het hek helemaal van de dam. Maar het NIVRA moet veel beter duidelijk maken wat het maatschappelijk verkeer van de accountant mag verwachten.”

In tegenstelling tot het bedrijfsleven, dat niet echt blind vaart op de accountantsverklaring, verwacht het publiek volgens Van Amsterdam dat een goedkeurende accountantsverklaring betekent dat de accountant alle cijfers heeft gezien, de directie goed werkt, er geen sprake is van fraude en de continuïteit van de onderneming is verzekerd. “De accountant kan en wil dat niet waarmaken. Dat zou het NIVRA beter duidelijk moeten maken. Maar het is natuurlijk een hopeloos verhaal, dus ik vermoed dat die verwachtingskloof blijft bestaan. Want leg maar eens uit dat een goedkeurende accountantsverklaring niet betekent dat alle fouten er uit zijn gehaald, de kwaliteit van de directie goed is, de onderneming niet heeft gefraudeerd en het voortbestaan voorlopig gewaarborgd is. Marketingtechnisch is dat een beroerd verhaal.”

Niet boosaardig

Van Amsterdam realiseert zich dat zijn eigen verhaal ‘wel negatief’ is over de accountants. “Het is niet uit boosaardigheid, maar de accountant heeft zichzelf doelbewust in deze positie gemanoeuvreerd door zich uit te roepen tot vertrouwensman van het maatschappelijk verkeer en vervolgens de RAC 570 op te stellen en in te voeren. Dan moet je jezelf als beroepsgroep ook serieus nemen en je aan jouw eigen richtlijn houden. Anders is het aan de gebruikers niet meer uit te leggen.”

Gerelateerd

reacties

Reageren op een artikel kan tot drie maanden na plaatsing. Reageren op dit artikel is daarom niet meer mogelijk.

    Aanmelden nieuwsbrief

    Ontvang elke werkdag (maandag t/m vrijdag) de laatste nieuwsberichten, opinies en artikelen in uw mailbox.

    Bent u NBA-lid? Dan kunt u zich ook aanmelden via uw ledenprofiel op MijnNBA.nl.