Nieuws

Samenstellers terecht en ten onrechte beboet

Het College van Beroep voor het bedrijfsleven heeft een streep gezet door de boete van het BFT aan een belastingadvieskantoor dat fiscale en samenstellingswerkzaamheden verrichtte. In een andere zaak heeft het college echter een hogere boete bevestigd die is opgelegd aan een administratiekantoor dat vergelijkbaar werk deed.

Lex van Almelo

Het administratiekantoor verwerkt van 2008 tot en met 2013 de financiële administratie van een meubelwinkel. De cliënt heeft volgens het kantoor een normaal risicoprofiel. Een medewerkster van het kantoor zit twee dagen per week bij de klant.

Het Bureau Financieel Toezicht (BFT) ziet later dat:

  • klanten van de winkel in die jaren meerdere keren 15.000 euro of meer contant hebben betaald;
  • de winkel een groot deel van de omzet contant ontving;
  • de winkel regelmatig grote bedragen bij de bank heeft afgestort;
  • één van de klanten van de winkel vermoedelijk hoort bij een groep die contant voor een kwart miljoen aan meubelen kocht en exporteerde naar Suriname;
  • deze klant in 2010 voor 92.991 euro contant heeft afgerekend voor meubels;
  • deze klant ‘smurfgedrag’ heeft vertoond met vierentwintig contante transacties die net onder de meldgrens van 15.000 euro vielen;
  • het totaal van die smurftransacties 768.437,40 euro beloopt.

21 mille boete

In 2016 legt het BFT een boete op van 42.000 euro, omdat het kantoor drie keer de Wwft heeft overtreden door geen cliëntonderzoek te doen en zeven maal door geen ongebruikelijke transacties te melden. Als het kantoor bezwaar maakt, verlaagt de toezichthouder de boete van 4,5 tot 3 procent van de omzet ad 933.000 euro. Het kantoor vindt die 28 mille nog te veel en gaat in beroep. De rechtbank verlaagt de boete tot 21.000 euro. Zowel het BFT als het administratiekantoor gaat hiertegen vergeefs in hoger beroep.

Het College van Beroep voor het bedrijfsleven verklaart de hoger beroepen ongegrond. In de jaren 2011, 2012 en 2013 is er voor in totaal bijna negen ton aan contante bedragen gestort bij de bank. In 2010 kocht een klant van de meubelzaak voor 92.991 euro aan meubels en betaalde die in porties onder de meldgrens. Het kantoor verwerkte die kleinere deelbetalingen. Volgens het college had dit bij elkaar reden moeten zijn voor het kantoor om “de herkomst van de stortingen” te onderzoeken en de onderliggende facturen te bezien. Al had de meubelzaak zelf ook een meldplicht.

Toen in oktober 2013 berichten in de media verschenen over mogelijk witwassen door de meubelzaak heeft de boekhoudster nog eens in de administratie gekeken. Zij concludeerde dat de meubelzaak waarschijnlijk zaken en facturen voor haar had achtergehouden. Ook deze bevindingen hadden het kantoor moeten aanzetten tot nader onderzoek. Het kantoor hoefde vier contante aankopen van 15.000 euro of meer echter niet te melden, omdat het BFT niet heeft aangetoond dat de boekhoudster die heeft gezien.

Les- en examengeld

In de andere zaak gaat het om een vennootschap onder firma die in 2016 een boete krijgt van 1080 euro. De firma heeft als belastingadviseur in de jaarrekening 2014 van een klant een langlopende familieschuld van 9000 euro verwerkt als lening, zonder dat er een leningsovereenkomst is. De klant, een rijinstructeur, heeft in 2014 ook contant 1250 euro betaald aan een rijschoolhouder. Uit de kasadministratie, die de adviseur bijhield, blijkt echter niet duidelijk waarvoor en wanneer precies is betaald.

Volgens het BFT is evenmin duidelijk hoe de rijinstructeur kan rondkomen en in zijn levensonderhoud voorziet. Volgens de toezichthouder had de adviseur:

  • de contante betaling daarom als ongebruikelijke transactie moeten melden bij de FIU-Nederland;
  • de schuld niet moeten boeken als familielening, maar als rijlesomzet;
  • een en ander moeten zien als aanleiding voor nader cliëntonderzoek.

Als de adviseur bezwaar maakt, neemt het BFT gas terug en wordt de boete verlaagd tot 720 euro. In beroep bevestigt de rechtbank deze boete, maar in hoger beroep vecht de adviseur die boete met succes aan. Daarbij voert hij aan dat hij in 2011 wel degelijk cliëntenonderzoek heeft gedaan bij de acceptatie van de klant en daarbij vaststelde dat:

  • het om een langlopende familieschuld ging van 15.000 euro;
  • de vorige boekhouder de schuld ten onrechte had geboekt als lening;
  • het ging om contant betaalde rijlessen;
  • de klant daarmee een lesauto heeft aangeschaft;
  • 9000 euro kwam van een zakelijke rekening en 6000 euro van een spaarrekening.

De contante betaling van 1250 euro betreft examengelden die leerlingen hebben betaald aan de instructeur. De instructeur heeft deze gelden doorbetaald aan een rijschool die de rijexamens aanvroeg bij het CBR, omdat de instructeur daartoe niet bevoegd was.

Boete inslikken

Het college vindt dat er “boekhoudkundig alternatieve oplossingen denkbaar waren geweest” om de schuld te verwerken. Dat is echter geen reden om te verlangen dat het kantoor opnieuw cliëntenonderzoek deed. De verklaring voor de contante betaling vindt het college aannemelijk en de herkomst van het geld voldoende duidelijk. De adviseur had geen aanleiding om te vermoeden dat de betaling verband kon houden met witwassen of financieren van terrorisme en hoefde die dus niet te melden.

Het BFT moet niet alleen de boete inslikken, maar ook een deel van de proceskosten vergoeden aan de adviseur.

Gerelateerd

reacties

Reageer op dit artikel

Spelregels debat

    Aanmelden nieuwsbrief

    Ontvang elke werkdag (maandag t/m vrijdag) de laatste nieuwsberichten, opinies en artikelen in uw mailbox.

    Bent u NBA-lid? Dan kunt u zich ook aanmelden via uw ledenprofiel op MijnNBA.nl.