Opinie

Hoogleraren accountancy, deel I: fact check

Onlangs stuurde minister van Financiën Dijsselbloem een brief aan de Tweede Kamer, naar aanleiding van een motie van Kamerlid Henk Nijboer. De motie heeft betrekking op de onafhankelijkheid van hoogleraren accountancy.

De motie-Nijboer luidt als volgt:
'Constaterende dat een aanzienlijk deel van de Nederlandse hoogleraren in dienst is van accountancykantoren;
overwegende dat dit kan leiden tot onwenselijke belangenverstrengeling en een onafhankelijke blik op de beroepsuitoefening beperkt;
vraagt de regering, met universiteiten en de sector in gesprek te gaan om te komen tot meer hoogleraren zonder nevenfuncties in de sector,
en gaat over tot de orde van de dag.'

De minister stelt in zijn brief onder meer het volgende:

  • Aantal hoogleraren met een RA-titel betrokken bij een postmaster RA-opleiding: 36
  • Aantal hoogleraren daarvan dat uitsluitend een dienstverband heeft bij een universiteit: 10
  • Aantal deeltijdhoogleraren: 26
  • Aantal deeltijdhoogleraren tevens werkzaam bij accountantsorganisatie: 14
  • Aantal deeltijdhoogleraren in andere functie, waaronder toezichthouder: 2 (de minister noemt geen aantallen, maar dit betreft Maijoor en Majoor)
  • Percentage hoogleraren-RA niet verbonden aan accountantsorganisatie: 61 procent
  • Percentage hoogleraren wel verbonden aan accountantsorganisatie: 39 procent

Ook stelt de minister dat 'deze hoogleraren zich de afgelopen jaren met ingezonden brieven en dergelijke hebben gemengd in het publiek debat over de sector' (daar overigens aan toevoegend: 'Het is in dat verband goed als een hoogleraar bij publicatie van een stuk transparant is over zijn/haar nevenfuncties en bij welke accountantsorganisatie hij of zij werkzaam is.')

In het kader van een fact check heb ik via de websites van de accountantsopleidingen en het accountantsregister voorgaande feiten geverifieerd. In deze bijdrage inventariseer en becommentarieer ik de door de minister gepubliceerde cijfers.

In een volgende bijdrage zal ik nader ingaan op een inventarisatie van ingezonden brieven en andere wijze van deelname aan het publieke debat van de hoogleraren accountancy die aan een accountantsorganisatie zijn verbonden of langdurig waren verbonden. Als ijkpunt neem ik daarvoor de periode 1 januari 2014 tot en met 31 december 2016, omdat in die periode eerst een storm over de accountancy joeg, waarna het publiek debat handelde over de maatregelen om de accountancy weer vlot te trekken.

In een daaropvolgende bijdrage - op deze site en/of in mijn column in het FD - zal ik de lijnen samentrekken, door de bevindingen te projecteren op de ontwikkelingen in het debat over de bijdrage van wetenschap aan maatschappelijke ontwikkelingen.

Turven

Maar allereerst een turfonderzoekje naar de cijfers. Ik nodig mijn hooggeleerde collega's en anderen uit om de tabellen en gegevens aan te vullen. Ik nodig hen ook uit - mede met het oog op de door mij aangekondigde vervolgstukken - mij te helpen door mij te wijzen op hun 'ingezonden brieven en andere wijze van deelname aan het publieke debat'. Aan degenen die ik mogelijkerwijs per ongeluk ben vergeten - ik doe nooit turfonderzoekjes - bied ik op voorhand mijn excuses aan.

In de navolgende tabel beperk ik mij - net als de minister - tot die hoogleraren die een RA-titel voeren en dus in het accountantsregister zijn ingeschreven. Daarbij heb ik een aantal hoogleraren-RA bewust niet opgenomen:

  • bijvoorbeeld Ruud Pruijm niet, omdat hij met emeritaat is (hoewel Peter van der Zanden en Hans Gortemaker hun afscheidsrede reeds hebben uitgesproken zijn zij blijkens de universitaire websites nog wel actief in de accountancyprogramma's en daarom wel meegenomen in de tabel);
  • bijvoorbeeld Arjan Brouwer niet, omdat de motie-Nijboer dateert van 2016 en toen was Brouwer nog geen hoogleraar. Ik hecht er echter aan op te merken dat Brouwer in het verleden juist wél heeft bijgedragen aan het publieke debat en dat hij dat als hoogleraar naar verwachting zeker ook zal blijven doen. Als ik hem wel zou meenemen, wordt het aantal hoogleraren verbonden aan een accountantsorganisatie overigens absoluut en procentueel alleen maar hoger;
  • bijvoorbeeld Robert Kamerling en Gerard Kampschroer niet, die beiden niet zozeer een accountancyleerstoel maar een fiscale leerstoel bekleden en daarmee niet actief zijn binnen de kernvakken van de accountancy (auditing, BIV/AO en externe verslaggeving);
  • bijvoorbeeld voormalig hoogleraren-RA zoals Jim Emanuels en Jaap van Manen niet, omdat die zich hebben laten uitschrijven uit het accountantsregister;
  • bijvoorbeeld Lizette van de Hel en Misja Mikkers niet, omdat zij niet zijn verbonden aan de accountancyopleiding, maar aan een Toezichtsacademie, respectievelijk een leerstoel met betrekking tot de zorgsector.

Voorts merk ik op dat er ook andere hoogleraren op het terrein van de accountancy actief zijn (bijvoorbeeld en niet-limitatief: Bouwens, Emanuels, Langendijk) dan degenen die in het RA-register zijn ingeschreven (waarbij één daarvan, Bouwens, overigens zeer actief is in het publiek debat). Maar over hen gaat de brief van de minister niet.

Universiteit Hoogleraar met RA-titel Verbonden aan
accountantsorganisatie
Universiteit van Amsterdam 1. Hans Leenaars Nee
  2. Frans van Schaik Ja, Deloitte
  3. Philip Wallage Voorheen KPMG
Vrije Universiteit Amsterdam 4. Cees Camfferman Nee
  5. Roger Dassen Ja, Deloitte
  6. Peter Eimers Ja, PwC
  7. Oscar van Leeuwen Voorheen KPMG
alsmede consultancy
  8. Steven Maijoor Nee
      Philip Wallage Voorheen KPMG
  9. Frans van der Wel Voorheen KPMG, EY
Universiteit Groningen 10. Ralph ter Hoeven Ja, Deloitte
  11. Dick de Waard Voorheen EY
Universiteit Maastricht 12. Harold Hassink Nee
  13. Roger Meeuwissen Nee
  14. Peter Sampers Nee
  15. Ruud Vergoossen Voorheen EY, BDO
Universiteit Nyenrode 16. Barbara Majoor Voorheen KPMG, Deloitte
  17. Leen Paape Voorheen PwC
  18. Marcel Pheijffer Nee
        Ruud Vergoossen Voorheen EY, BDO
Erasmus Universiteit Rotterdam 19. Auke de Bos Ja, EY
  20. Peter Diekman Ja, BDO en voorheen
PwC, KPMG
  21. Hans Gortemaker Voorheen PwC
  22. Martin Hoogendoorn Voorheen EY
  23. Erik Roelofsen PwC
Universiteit Tilburg 24. Kees Cools Voorheen PwC
  25. Rob Fijneman Ja, KPMG
  26. John van Kollenburg Ja, BDO
  27. Leo van der Tas Ja, EY
  28. Eddy Vaassen Ja, Berk
  29. Arco van de Ven Voorheen EY
alsmede consultancy
  30. Hans Verkruijsse Voorheen EY
  31. Peter van der Zanden Voorheen EY

Een tweede tabel vat de eerste als volgt samen:

Verbonden aan
accountants- of
consultancyorganisatie
Naam Aantal resp. percentage
Nee, wel fulltime aan
universiteit
Camfferman, Hassink, Meewissen,
Paape, Pheijffer
5 personen resp. 16,1 procent
Nee, wel dienstbetrekking
in andersoortig bedrijfsleven
of bij toezichthouder
Leenaars, Maijoor, Sampers,
Majoor
4 personen resp. 12,9 procent
Ja Van Schaik, Dassen, Eimmers,
Van Leeuwen, Ter Hoeven, De Bos,
Diekman, Roelofsen, Cools,
Fijneman, Van Kollenburg,
Van der Tas, Vaassen, Van de Ven
14 personen resp. 45,2 procent
Voorheen wel, nu daar aan
einde loopbaan

Wallage, Van der Wel, De Waard,
Vergoossen, Gortemaker,
Hoogendoorn, Verkruijsse,

Van der Zanden

8 personen, resp. 25,8 procent

Ik plaats bij het genoemde in de brief van de minister in relatie tot mijn inventarisatie de volgende kanttekeningen:

  • de minister noemt het aantal van 36 hoogleraren-RA. Ik kom tot 31 hoogleraren die ik in het licht van de discussie ten tijde van de motie en het thema daarvan relevant acht;
  • de minister kent tien (van de 36 ofwel 27,8 procent) hoogleraren-RA die fulltime zijn verbonden aan de universiteit. Ik kom tot slechts vijf (op een aantal van 31, ofwel 16,1 procent);
  • de minister kent veertien hoogleraren-RA (van de 36 ofwel 38,9 procent) die tevens zijn verbonden aan een accountantsorganisatie;
  • ik kom tot het getal veertien hoogleraren-RA (van de 31 ofwel 45,2 procent) die verbonden zijn aan een accountants- of consultancyorganisatie (elf respectievelijk drie, waarbij ik Van Leeuwen, Cools en Van de Ven onder consultancy plaats). Beperk ik mij tot accountantsorganisaties, dan kom ik tot elf hoogleraren-RA (van de 31 ofwel 35,5 procent).

So far, so good. Je kunt betogen dat de cijfers van de minister en ondergetekende wel iets van elkaar afwijken, maar niet heel veel. Je kunt ook betogen dat er verschillen in keuzes (bijvoorbeeld ten aanzien van Brouwer, Kamerling en Kampschroer) zijn in de meegenomen aantallen die de ontstane verschillen deels verklaren.

Arbeidsverleden

Echter, de door mij onderscheiden categorie 'Voorheen wel verbonden aan accounts- of consultancyorganisatie, nu aldaar aan einde loopbaan' bevat acht namen van hoogleraren die het grootste deel van hun loopbaan bij een accountantsorganisatie werkzaam zijn geweest. Een aantal van hen (Wallage, De Waard, Vergoossen en Hoogendoorn) is relatief recent bij de accountantsorganisatie gestopt; een aantal van hen relatief langer geleden (Van der Wel, Gortemaker, Verkruijsse, Van der Zanden). Maar alle acht hebben een dusdanig arbeidsverleden binnen accountantsorganisaties - waar zij ook hun hoofdtaak hadden - dat zij daarvan naar de mening van ondergetekende niet los kunnen worden gezien.

Als we dat laatste dusdanig vertalen naar een indeling waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen de negen hoogleraren die niet aan een accountants- of adviesorganisatie zijn verbonden (vijf fulltime hoogleraren, twee toezichthouders (Maijoor en Majoor) en twee hoogleraren vanuit het bedrijfsleven (Leenaars en Sampers)) en voorts 22 hoogleraren die langdurig verbonden waren of dat nog zijn aan een accountants- of consultancyorganisatie, dan ontstaat een (geheel) ander beeld dan de minister presenteert. Immers:

  • de minister komt tot een percentage van 39 procent hoogleraren-RA dat aan een accountantsorganisatie is verbonden;
  • ondergetekende komt in zijn indeling tot 22 van de 31 hoogleraren-RA, ofwel 71 procent, die langdurig verbonden waren of dat nog zijn aan een accountants- of consultancyorganisatie.

Criteria

De minister en ondergetekende hanteren deels andere criteria, komen deels tot een andere groep hoogleraren en gaan uit van een andere visie op verbondenheid van de hoogleraar-RA aan een accountantsorganisatie. Het verschil zit in de groep accountants-pensionado’s die nog wel hoogleraar zijn. Een groep waarvan eenieder het overgrote deel van zijn loopbaan is gevormd binnen de omgeving waarover de motie-Nijboer gaat. In ieder geval is bij eenieder uit deze groep de duur van het 'accountantsleven' substantieel langer geweest dan hun 'academisch leven'. Een feit dat je naar mijn mening in de discussie over de beoordeling van getoonde onafhankelijkheid, getoond kritisch vermogen en deelname aan het publiek debat niet kan en mag negeren.

Naar mijn mening bevestigt voorgaande analyse dan ook eerder de zorgen achter de motie-Nijboer (een situatie die 'kan leiden tot onwenselijke belangenverstrengeling en [die] een onafhankelijke blik op de beroepsuitoefening beperkt' alsmede de noodzaak te komen tot 'meer hoogleraren zonder nevenfuncties in de sector'), dan dat die de zorgen wegneemt. Een debat daarover is dan ook zonder meer nuttig. 

Vervolg

De volgende bijdrage is korter: die handelt als gezegd over de inventarisatie van ingezonden brieven (zoektermen: FD, NRC, opiniestukken op accountant.nl) en andere wijze van deelname aan het publieke debat (zoektermen: hoorzittingen Tweede Kamer, publieksvoorlichting op televisie of deelname aan commissies) van de hoogleraren accountancy die aan een accountantsorganisatie zijn verbonden of waren verbonden. Als gezegd hanteer ik daarbij als onderzoeksperiode 1 januari 2014 tot en met 31 december 2016.

Correcties, aanvullingen en input voor de vervolgbijdragen zijn van harte welkom!

Wat vindt u van deze opinie?

Reacties 96 70 Spelregels debat

Gerelateerd

reacties

Reageren op een artikel kan tot drie maanden na plaatsing. Reageren op dit artikel is daarom niet meer mogelijk.

    Aanmelden nieuwsbrief

    Ontvang elke werkdag (maandag t/m vrijdag) de laatste nieuwsberichten, opinies en artikelen in uw mailbox.

    Bent u NBA-lid? Dan kunt u zich ook aanmelden via uw ledenprofiel op MijnNBA.nl.