Opinie

Hoogleraren accountancy, deel III: deelname aan het debat

Naar aanleiding van een motie van Tweede Kamerlid Nijboer en het antwoord daarop van minister van Financiën Dijsselboem schreef ik al twee blogs over mijn collega-hoogleraren-RA. Eerst inventariseerde ik wie dat nu eigenlijk precies zijn, om vervolgens hun publicaties te turven.

Minister Dijsselbloem stelt dat het systeem met wetenschappelijke codes en beroepscodes waarborgen schept 'dat hoogleraren in de accountancysector op onafhankelijke wijze wetenschap kunnen uitoefenen en zich kunnen mengen in de lopende discussies'. Dijsselbloem suggereert dat de kantoorhoogleraren dat ook doen, waar hij constateert 'dat deze hoogleraren zich de afgelopen jaren met ingezonden brieven en dergelijke hebben gemengd in het publieke debat over de sector'.

Maar uit een inventarisatie van ondergetekende blijkt dat zij dat nauwelijks hebben gedaan. Noch in ingezonden brieven, noch in opinies of wetenschappelijke bijdragen. Als we alles van de dertig betrokken hoogleraren op een hoop gooien, gaat het om gemiddeld nog geen handvol publicaties per hoogleraar-RA in een periode van drie jaar, ofwel: ruim één bijdrage per jaar. Slechts een enkeling (bijvoorbeeld Ter Hoeven, Eimers, Diekman) draagt substantieel meer bij. Anderen - ik noem bewust geen namen - zijn volstrekt onzichtbaar als het gaat om publiceren en het leveren van andere bijdragen (commissies, hoorzittingen in de Tweede Kamer, voorlichtende bijdragen op radio of televisie).

Bij deze cijfers, waarbij ik zo ruim mogelijk heb geteld, passen twee kanttekeningen. Ten eerste: dat een bijdrage wordt geschreven door een hoogleraar, maakt die nog niet tot een wetenschappelijke bijdrage. Bijdragen in de krant, op een website of in periodieken zoals AccountancyVanmorgen hebben - een enkele uitzondering daargelaten - een ander karakter en zijn op zijn best als 'populair wetenschappelijk' te duiden.

Ten tweede: nagenoeg alle geïnventariseerde bijdragen blijven inhoudelijk ver weg van de vragen waarover het maatschappelijk debat in de accountancy in de periode 2014-2016 is gegaan. Namelijk:

  1. Hoe komt het dat de kwaliteit van de accountantscontrole de afgelopen dertig jaar is afgenomen?
  2. Hoe komt het dat zich een reeks aan incidenten heeft voorgedaan (de boekhoudschandalen aan het begin van deze eeuw, de weinig doortastende rol van accountants in de aanloop naar de financiële crisis in 2008 en de reeks aan Nederlandse kwesties in de afgelopen jaren) die door de werkgroep 'Toekomst Accountantsberoep' is geduid als een 'structureel probleem' en die heeft geleid tot het afkalven van vertrouwen in accountants?
  3. Hoe herstellen we die kwaliteit en het vertrouwen?

De hoogleraren-RA komen nauwelijks tot een oorzaken- en probleemanalyse, geven geen verklaringen, leggen de vinger niet op de zere plekken en zijn onzichtbaar bij het - vanuit de praktijk of de wetenschap - in openbaarheid aandragen van deugdelijke oplossingen.

Kunnen ze het niet? Durven ze het niet? Willen ze het niet? Mogen ze het niet? Wat de antwoorden ook zijn: ze doen het niet. Dat mag het collectief aan hoogleraren-RA zich best aantrekken. Maar ook dat doen ze niet. Want de discussie over met name de praktijkhoogleraren is niet meer dan een herhaling van zetten. Op deze site, in de politiek, in de media, maar ook in het MAB.

Zo werd de discussie onder meer gevoerd in het MAB van juli/augustus 2012. Dus nog voor de periode (2014-2016) waarop mijn inventarisatie betrekking heeft. Daarin stellen de (toen) kantoorhoogleraren Hoogendoorn, Wallage en Vergoossen dat zij een brede definitie van ‘maatschappelijk debat’ aanhangen. Enigszins badinerend richting onder meer media en politiek stellen zij dat dit zich niet mag beperken tot 'het min of meer op populistische wijze bediscussiëren van specifieke casussen met weinig oog voor nuances'. Het blijkt dan echter te gaan om casuïstiek waarin accountants tuchtrechtelijk zijn veroordeeld, accountantsorganisaties civielrechtelijke claims hebben betaald of in het zicht daarvan hebben geschikt, strafrechtelijke vervolging van accountants en/of accountantsorganisaties en/of hun clientèle aan de orde is, of de AFM een onvoldoende inzake de kwaliteit van het controledossier heeft uitgedeeld. Anders gezegd: het mooiste materiaal om te bestuderen, lessen te trekken en deze te gebruiken in het academisch onderwijs.

Genoemden beschrijven deelname aan het maatschappelijk debat als volgt:

  • het inbrengen van de resultaten van (eigen) wetenschappelijk onderzoek in de maatschappelijke discussie;
  • het participeren in regelgevende organen, adviesgroepen, commissies, werkgroepen en dergelijke;
  • het reageren op consultatiestukken die door overheidsorganen worden gepubliceerd; en
  • het reageren op gebeurtenissen in de samenleving die het vakgebied van de accountancy raken.

Kijken we echter naar het collectief van dertig hoogleraren-RA, dan zijn de volgende vragen te stellen:

  • welk eigen wetenschappelijk onderzoek van hen gaat in op de drie eerder ten aanzien van de periode 2014-2016 gestelde vragen? (het gaat dus niet om descriptieve stukken waarin vaktechnische onderwerpen worden uitgelegd);
  • aan welke regelgevende organen, adviesgroepen, commissies, werkgroepen en dergelijke hebben zij in deze meegedaan? (dan hebben we het dus niet over reguliere vaktechnische commissies en al helemaal niet degenen waarin de hoogleraar-RA mede namens de accountantsorganisatie is afgevaardigd);
  • hoe vaak hebben zij op consultatiestukken gereageerd? (niet vanuit de kantoororganisaties, maar enkel en alleen als hoogleraar);
  • hoe vaak hebben zij gereageerd op gebeurtenissen in de samenleving die het vakgebied van de accountancy raken? (bijvoorbeeld gericht op de drie vraagstukken die in de periode 2014-2016 centraal hebben gestaan).

De antwoorden? Viermaal: collectief nauwelijks, individueel soms en dan bij wijze van uitzondering.

Het collectief hoogleraren-RA kan en mag daar niet tevreden, laat staan zelfgenoegzaam, over zijn. Hoewel ik in de gemaakte inventarisatie van bijdragen en publicaties niet ben meegeteld, maak ik wel uit van het collectief hoogleraren-RA. Ik ben niet tevreden over onze prestaties, wij kunnen niet zelfgenoegzaam zijn. Eigenlijk schaam ik me ervoor van het collectief hoogleraren-RA deel uit te maken.

Minister Dijsselbloem is optimistischer en wijst erop dat het vanuit het oogpunt van 'kenniscirculatie en het belang van het kunnen delen van ervaringen uit de praktijk wenselijk wordt geacht dat er hoogleraren zijn die nevenfuncties hebben in de beroepspraktijk, zoals bij een accountantsorganisatie'.

Op Nyenrode en de andere universiteiten verzorgen iedere vrijdag vele docenten vanuit de praktijk colleges. Wat is nu de legitimatie om enkele van hen hoogleraar te maken? Dat zij zijn gepromoveerd? Of dat het prettig is dat de universiteit via kantoorhoogleraren een band heeft met een accountantsorganisatie? Of gaat het om (de facto) sponsoring van leerstoelen door accountantsorganisaties?

En is er ook een keerzijde? Belemmeren de praktijkhoogleraren bijvoorbeeld niet de wetenschappelijke carrière van jonge talenten die meer dan zij presteren op het gebied van wetenschappelijke publicaties? Zijn die jonge talenten niet onafhankelijker dan de praktijkhoogleraren?

Onafhankelijkheid en zich kunnen mengen in maatschappelijke discussies is het thema waarover Kamerlid Nijboer zorgen heeft. Minister Dijsselbloem wijst naar allerhande codes die van toepassing zijn als kantoorhoogleraren over de schreef gaan. Hij vergeet daarbij echter een belangrijk punt te noemen: dat zwijgen, omdat je niet kan of mag spreken door verbondenheid aan een accountantsorganisatie, wellicht de grootste aantasting vormt van je wetenschappelijke integriteit en onafhankelijkheid.

Maar gesanctioneerd worden voor overtreding van een code zal in geval van zwijgen nimmer plaatsvinden. De hoogleraren-RA die verbonden zijn aan een accountantsorganisatie stellen regelmatig dat zij zich door die organisatie niet belemmerd voelen om te spreken. Dat zal best. Ik geloof het alleen niet (en met mij vele anderen). Bovendien hebben kritische collega’s van mij in en rond het accountantswereldje met mij achter de schermen menigmaal verhalen van hoogleraren gehoord die wel degelijk wijzen op belemmeringen. Ook van hen die het voor de bühne categorisch ontkennen. En van hen die achter de schermen wel degelijk een mening blijken te hebben over bijvoorbeeld de combinatie van controle en advies, fraude, casuïstiek en het business- en verdienmodel.

En uit geheel eigen ervaring: toen ik onlangs voor een functie werd benaderd door een big four-kantoor werd mij door een bestuurder expliciet te verstaan gegeven dat ik dan toch echt anders en neutraler moest gaan schrijven. En ook dat ik niet kon schrijven of werken aan casuïstiek gericht tegen andere kantoren.

Alleen al vanwege die uitspraken wil ik niet bij een dergelijke accountantsorganisatie werken: ik zou dan mijn ziel en hetgeen waarvoor ik sta verkopen en mijn integriteit en onafhankelijkheid laten aantasten. Voor een hogere beloning, dat dan weer wel.

In een laatste bijdrage over het thema hoogleraren-RA zal ik inventariseren of ik alleen sta in mijn constateringen. Ondertussen hoop ik natuurlijk dat vanuit het collectief hoogleraren-RA eindelijk eens een tegenreactie komt. Of kunnen ze het niet omdat er geen goede argumenten voorhanden zijn? Durven ze het niet? Willen ze het niet? Mogen ze het niet? Doen ze het alweer niet?

Enfin, laat de reacties komen – wat goed is voor een evenwichtiger beschouwing - voordat ik mijn samenvattende beschouwing voor het FD schrijf. Met als werktitel (vrij naar een bijdrage van collega Bob Hoogenboom): 'Waar zijn de hoogleraren-RA als je ze nodig hebt?'

Wat vindt u van deze opinie?

Reacties 133 86 Spelregels debat

Gerelateerd

reacties

Reageren op een artikel kan tot drie maanden na plaatsing. Reageren op dit artikel is daarom niet meer mogelijk.

    Aanmelden nieuwsbrief

    Ontvang elke werkdag (maandag t/m vrijdag) de laatste nieuwsberichten, opinies en artikelen in uw mailbox.

    Bent u NBA-lid? Dan kunt u zich ook aanmelden via uw ledenprofiel op MijnNBA.nl.