Tuchtrecht

Controle Econcern onvoldoende diep en kritisch

Twee registeraccountants van PwC hadden onvoldoende controle-informatie en geen deugdelijke grondslag voor de goedkeurende verklaring die zij afgaven bij de jaarrekening 2007 van Econcern. Beiden hebben als controlerend accountant hun kerntaak veronachtzaamd en het vertrouwen in het beroep "in hoge mate geschaad".

Accountantskamer

Zaaknummers:
13/2393 en 13/2394, 14/504 en 14/505, 14/1086 en 14/1087, 14/1136 en 14/1137 Wtra AK
Datum uitspraak:
13 oktober 2014
Oordeel:
deels gegrond
Maatregel:
tijdelijke doorhaling één maand
Status:
definitief, CBb 6 november 2018, 14/749
Vindplaats:
ECLI:NL:TACAKN:2014:80 , ECLI:NL:TACAKN:2014:79 , ECLI:NL:TACAKN:2014:78 , ECLI:NL:TACAKN:2014:77 , Samenvatting CBb-uitspraak

Lex van Almelo

Belangrijkste feiten

Econcern en haar groepsmaatschappijen houden zich bezig met duurzame energievoorziening. In 2009 zijn zij actief in vierentwintig landen. Van 2005 tot en met 2008 groeit de groep flink. Een registeraccountant van PricewaterhouseCoopers geeft bij de geconsolideerde jaarrekening 2007 een goedkeurende controleverklaring af.

In de jaarrekening staat dat deze is opgesteld in overeenstemming met de in Nederland geldende 'accounting principles (Dutch GAAP)'. De accountant heeft samen met een tweede verantwoordelijke controlepartner in 2008 het 'PwC Board Report' ondertekend. Daarin behandelen zij de financiële prestaties en de verslaggeving van Econcern en doen zij aanbevelingen voor de administratieve organisatie en de interne controle.

In de jaarrekening 2007 staat dat de totale opbrengsten zijn gestegen van 239,2 miljoen euro in 2006 naar 443 miljoen in 2007. Het netto resultaat nam toe van 43,5 miljoen euro naar 85,9 miljoen. Het balanstotaal groeide van 386,9 miljoen in 2006 naar 697,6 miljoen euro in 2007.

Op 18 juni 2009 worden Econcern en haar Nederlandse groepsmaatschappijen failliet verklaard. Willem Jan van Andel en Louis Deterink worden benoemd tot curator. In december 2013 brengen zij hun onderzoeksrapport naar de oorzaken van het faillissement uit. Daarin staat onder meer dat sprake was van agressieve financiële verslaggeving, die op diverse aspecten in strijd is met de Dutch GAAP. Diverse activa werden tegen 'market values' gewaardeerd. Ongerealiseerde herwaarderingen werden rechtstreeks verantwoord ten gunste van de winst- en verliesrekening.

De curatoren dienen een klacht in bij de Accountantskamer (13/2393 en 13/2394 Wtra AK).

In drie vergelijkbare zaken dienen twee investeerders (14/504 en 14/505 Wtra AK), de Stichting Belangenbehartiging Crediteuren Econcern (14/1086 en 14/1087 Wtra AK) en Delta Lloyd Asset Management (14/1136 en 14/1137 Wtra AK) een klacht in tegen beide accountants. In het licht van de klacht van de curatoren voegt het oordeel over die vrijwel identieke klachten weinig toe. Daarom volstaat hier een samenvatting van de klacht van de curatoren en het oordeel van de Accountantskamer daarover.

Klacht

De accountants hebben ten onrechte een goedkeurende verklaring afgegeven bij de jaarrekening 2007 en hebben ten onrechte het PwC Board Report ondertekend, omdat zij (kennelijk):

  • geen controlewerkzaamheden hebben verricht;
  • vrijwel geen controle hebben uitgeoefend;
  • onvoldoende hebben onderzocht of sprake is van een getrouwe weergave;
  • een onvoldoende professioneel kritische instelling aan de dag hebben gelegd;
  • de controlewerkzaamheden met onvoldoende diepgang hebben uitgevoerd.

Want zo heeft Econcern:

a. ten onrechte haar belangen in Sol Holding, BMCH, Darwind en Scira niet geconsolideerd in de jaarrekening 2007;

b. een inconsistent verslaggevingsbeleid toegepast door een partieel belang in Windpark Q7 wèl te consolideren, terwijl die partiële consolidatie niet bijdroeg aan het gewenste inzicht in de vermogenspositie en resultaatontwikkeling;

c. ten onrechte haar niet-geconsolideerde deelnemingen ('participations') gewaardeerd tegen 'fair value/marketvalue' in plaats van tegen de netto-vermogenswaarde en zo ongerealiseerde herwaarderingen in de winst- en verliesrekening verwerkt;

d. ten onrechte onderhanden werk voor eigen rekening en risico ('WIP for own account') verantwoord via de winst- en verliesrekening en niet als materiële vaste activa in ontwikkeling en dat onderhanden werk ten onrechte gewaardeerd tegen 'market value' aan de hand van 'discounted cash flow'-berekeningen van de individuele projecten;

e. ten onrechte emissierechten in haar jaarrekening verantwoord tegen 'market value' in plaats van tegen de vervangingswaarde, terwijl het per einde boekjaar 2007 nog geen emissierechten had, maar er alleen in- en verkoopcontracten waren gesloten;

f. ten onrechte de betaalde koopprijs voor projectvennootschappen Godewind en Terra Nova niet opgesplitst in de netto-vermogenswaarde en de goodwill, maar in zijn geheel verantwoord als 'WIP for own account' en gewaardeerd tegen 'fair value';

g. inzake Globasol de debiteuren- en onderhanden werk-posities, de voorraden en een vordering op een verzekeraar te positief weergegeven door geen voorziening te nemen;

h. kennelijk geen impairment-test hebben overwogen voor de immateriële vaste activa, terwijl die test voor het boekjaar 2008 wel noodzakelijk werd geacht;

i. de verplichtingen die niet uit de balans blijken niet volledig en correct weergegeven;

j. in haar jaarrekening 2007 niet toegelicht dat bij het project REC Afrikahaven een transactie is gedaan met een aan haar verbonden partij;

k. ten onrechte de kosten, die in 2007 werden gemaakt om een financiering aan te trekken die pas in 2008 tot stand kwam, in de balans verantwoord als vooruitbetaalde bedragen en niet onmiddellijk via de winst- en verliesrekening ten laste van het resultaat gebracht.

Oordeel

Opmerkingen vooraf

Volgens de Accountantskamer gaat het aan de ene kant over de vraag of de jaarrekening 2007 voldoet aan de regels van Titel 2.9 BW en of de accountants daarbij terecht hebben verklaard dat de jaarrekening daaraan voldoet. Aan de andere kant gaat het erom of de accountants hun controlewerkzaamheden met een professioneel-kritische instelling en voldoende diepgang hebben uitgevoerd en een en ander tijdig en voldoende hebben gedocumenteerd.

De Accountantskamer beperkt zich tot de laatstgenoemde vragen. Op het voldoen aan de verslaggevingsregels gaat de kamer niet in. Als de accountants hun controlewerkzaamheden niet met een professioneel-kritische instelling en voldoende diepgang hebben uitgevoerd, volgt daaruit namelijk al dat de accountants zonder deugdelijke grondslag een goedkeurende verklaring in het maatschappelijk verkeer hebben gebracht c.q. laten brengen.

En als de controle van de rubricering, waardering en al dan niet (proportionele) consolidatie in de jaarrekening 2007 niet afdoende is uitgevoerd, zou deze controle alsnog moeten worden uitgevoerd, voordat de kamer kan oordelen of de informatie in de jaarrekening 2007 voldoet aan de gekozen verslaggevingsnormen en of het resultaat over 2007 en het eigen vermogen ultimo 2007 te hoog zouden zijn weergegeven. Als voor zo'n vergaand onderzoek al plaats is in een tuchtprocedure hebben de klagers er geen belang bij, omdat hun klacht immers al gegrond is wanneer de controle niet toereikend blijkt.

De Accountantskamer wijst erop dat de accountants gezien de goed onderbouwde klacht van de curatoren niet kunnen volstaan met de bewering dat zij voldoende en geschikte controle-informatie hebben verkregen zonder die stelling te onderbouwen met alle relevante stukken uit het controledossier.

Een enkele afwijking van een aanbeveling of interpretatie in de Richtlijnen van de Raad voor de Jaarverslaggeving is nog niet maatschappelijk onaanvaardbaar. De extern accountant moet toetsen of die afwijking geen afbreuk doet aan de aanvaardbaarheid en het wettelijke inzichtvereiste (uit artikel 2:362 BW) en die toetsing adequaat vastleggen in het controledossier.

Rubricering

Zijn de accountants terecht akkoord gegaan met de manier waarop de kapitaalbelangen in (onder meer) de Sol Holding, BMCH, Darwind, Scira en Windpark Q7 zijn gerubriceerd en hadden zij daarvoor voldoende controle-informatie?

Volgens de accountants moesten de belangen worden aangemerkt als participaties, zodat kon worden gekozen voor de consolidatievrijstelling uit paragraaf 305 van RJ 217. De kapitaalbelangen in Sol Holding, BMCH, Darwind en Scira werden niet duurzaam aangehouden maar "slechts om te vervreemden" en daarvoor bestond een exit-strategie. Zij wijzen in dit verband op het Businessplan 2008-2012 van Econcern en de bevestiging van de Econcern-directie dat die exit-strategie bestond. Ook wijzen zij op het 'Vendor Due Diligence Rapport' (VDD-rapport) dat Econcern heeft laten opstellen door Ernst & Young Transaction Advisory Services.

Op de zitting bij de Accountantskamer hebben de accountants gezegd dat zij de kwalificaties door Econcern hebben aanvaard als "een positieve keus voor participatie". De Accountantskamer leidt daaruit af dat zij alleen hebben afgewogen of de kapitaalbelangen konden worden gezien als participaties. Zij hebben dus vooral gekeken naar informatie die die keus kon bevestigen en hadden onvoldoende oog voor controle-informatie die daarmee strijdig of inconsistent was.

De accountants hebben bij hun oordeel of het ging om een participatie alleen getoetst of de rechtspersoon duurzaam met Econcern was verbonden en of er een exit-strategie bestond. Er kunnen echter meer criteria gelden om een participatie te beoordelen. Zo volgt uit (de tweede zin van lid 1 van) artikel 2:24c BW dat bij een kapitaalbelang van 20 procent of meer wordt vermoed dat sprake is van een deelneming. Bij een percentage van 20 of hoger moet Econcern dat vermoeden dus weerleggen. De accountants moeten dan voldoende en gedocumenteerde controle-informatie hebben om te onderbouwen dat zij een andere rubricering (konden) aanvaarden.

De Accountantskamer ziet echter een reeks serieuze contra-indicaties voor de gekozen benadering:

A. het kapitaalbelang in Sol Holding, BMCH, Darwind, Scira en Windpark Q7 lag steeds ruim boven 20 procent. In het VDD-rapport staat hierover onder meer dat deelnemingen van meer dan 50 procent volledig, die van 50 procent proportioneel en die van minder dan 50 procent niet worden geconsolideerd.

B. in het jaarverslag 2007 staat over Sol Holding vermeld dat Econcern een joint venture is aangegaan met Solon. In het VDD-rapport is Sol Holding aangeduid als een 'strategic investment' en in het Businessplan 2008-2012 staat dat Econcern op termijn in Sol Holding een minderheidsbelang van 15 procent wenst aan te houden.

C. Econcern was in 2006 betrokken bij de oprichting van BMCH. In 2007 heeft Econcern haar belang vergroot van 37 tot 49 procent. In het Businessplan 2008-2012 staat dat Econcern er vanuit gaat dat zij per ultimo 2012 nog een belang heeft van 24 procent en dat de productie van bio-fuels (door BMCH) één van de vier 'key-aspects' van Econcern is.

D. in het jaarverslag 2007 is opgenomen dat Econcern naast de 51 procent van de aandelen in Darwind een optie had op de resterende 49 procent van de aandelen. In het Businessplan 2008-2012 is vermeld dat Econcern per ultimo 2012 nog een belang verwachtte te houden van 51 procent. In het boekjaar 2006 was Darwind door Econcern aangemerkt als een deelneming en als zodanig in de consolidatie betrokken.

E. Econcern heeft in 2007 haar belang in Scira verdubbeld tot 50 procent. In het begin van 2008 heeft de joint venture-partner van Econcern in Scira het volledige belang van 50 procent van Econcern overgenomen door een koopoptie te verzilveren. Die optie en het verzilveren zeggen niets over een 'exit-strategie' van Econcern.

F. het belang in Duracar is in 2007 door de uitgifte van aandelen verwaterd van 33,25 tot 29,69 procent. Dat zegt op zich niets over een 'exit-strategie'.

G. Ecoventures hield kapitaalbelangen in Betronic (100 procent), OneCarbon (100 procent) en Innogrow (95 procent), die niet werden aangemerkt als participaties omdat zij werden geacht deel uit te maken van de 'core business' van Econcern en hiervoor geen exit-strategie bestond.

H. het was niet denkbeeldig dat Ecoventures de 'leiding' of 'overheersende zeggenschap' (ofwel van 'overheersende invloed' dan wel 'control') kon uitoefenen. Bij Sol Holding was een Econcern-werknemer bestuurder en bij Darwind was een Ecoventures-werknemer dat. Bij Scira werden twee van de vier bestuursleden benoemd door Econcern. Leden van de raad van bestuur van Econcern waren commissaris bij Sol Holding, BMCH, Darwind en Duracar, terwijl bij Sol Holding, BMCH, Darwind, Duracar en Scira behalve de participatie in de aandelen ook flinke leningen zijn verstrekt. In het VDD-rapport staat hierover onder andere dat Ecoventures bij voorkeur meer dan 50 procent van de aandelen houdt. Volgens de accountants heeft Econcern ook bij de controle bevestigd dat Econcern of Ecoventures betrokken was bij hun kapitaalbelangen.

I. dat Windpark Q7 in Evelop zat in plaats van in Ecoventures noopt nog niet tot het kwalificeren als deelneming.

In de concept-jaarrekening 2008 zijn aangepaste cijfers over 2007 opgenomen. Over de genoemde kapitaalbelangen neemt Econcern hier het standpunt in dat zij als groepsmaatschappij, deelneming of joint venture moeten worden beschouwd. Volgens Econcern komt de ommezwaai doordat Ecoventures (althans Econcern) meer betrokken was bij de dagelijkse activiteiten en daarmee meer invloed uitoefende. De accountants hebben bevestigd dat zij een goedkeurende accountantsverklaring wilden verstrekken bij de jaarrekening 2008.

Nog afgezien van bovengenoemde contra-indicaties (met name H) is het de vraag of Econcern dit niet ook al had moeten doen in de jaarrekening van 2007. Voor de rubricering van een kapitaalbelang gaat het er namelijk niet om of er feitelijk invloed of zeggenschap wordt uitgeoefend, maar of de mogelijkheid daartoe bestaat.

De Accountantskamer vindt het niet onbelangrijk dat cfo Leo Epskamp van Econcern in het najaar van 2008 voorstelde de meerderheidsdeelnemingen in lijn met de Dutch GAAP te consolideren. Interessant is ook dat de accountants in november 2007 na een intern consult bij hun afdeling vaktechniek zeiden dat het meerderheidsbelang in combinatie met actieve managementbetrokkenheid in Silpro noopt tot consolidatie.

Er was volgens de Accountantskamer onder de Dutch GAAP dus wel degelijk een andere keuze mogelijk dan niet consolideren. Gezien de genoemde contra-indicaties hadden de accountants daarnaar (aanvullende) controlewerkzaamheden moeten uitvoeren. De uitkomsten daarvan en de verkregen controle-informatie hadden zij zichtbaar moeten afwegen en beoordelen. Ook hadden zij de uitkomsten moeten documenteren om het risico van een materiële afwijking tot een aanvaardbaar niveau terug te brengen. Te meer omdat zij in hun risicoanalyse hadden onderkend dat de accounting van kapitaalbelangen een risico vormde.

De accountants hebben aangevoerd dat zij zich bij het toetsen van de rubricering hebben gebaseerd op:

  • het Businessplan 2008-2012;
  • het VDD-rapport;
  • het 'project Sustain'-rapport dat Econcern had laten opstellen door UBS;
  • gesprekken met het bestuur van Econcern.

Gebleken is dat de accountants alleen maar een concept van het UBS-rapport hadden dat op meerdere aspecten substantieel afwijkt van het definitieve rapport. Toen dit bleek, zeiden de accountants ineens dat zij de informatie uit dit rapport "slechts" hebben gebruikt als achtergrondinformatie. Hoe het ook zij - volgens de Accountantskamer kan zo'n concept-stuk niet worden als geschikte controle-informatie, omdat het niet is opgesteld voor controledoeleinden en de onderliggende informatie niet is gecontroleerd.

Ook het VDD-rapport en het Businessplan 2008-2012 zijn niet opgesteld voor controledoeleinden. Het gaat volgens de Accountantskamer "steeds" om niet gecontroleerde informatie, die afkomstig is van (het bestuur van) Econcern en die op onderdelen tegenstrijdig en inconsistent is. Daarom had van de accountants mogen worden verwacht dat zij de uitgangspunten, de toekomstverwachtingen en de cijfermatige analyses in zowel Businessplan 2008-2012 als VDD-rapport met een professioneel-kritische instelling hadden onderzocht.

Bij de rubricering van Ecoventures als participatiemaatschappij en haar belangen in (onder meer) Sol Holding, BMCH en Darwind als participaties hadden de accountants kritisch moeten beoordelen wat de (mogelijke) invloed van Ecoventures was op haar kapitaalbelangen en hoe concreet en realistisch het beweerde voornemen was om deze belangen niet duurzaam te houden.

De accountants hebben niet over dit voornemen gesproken met de directies van Sol Holding, BMCH of Darwind. Volgens hen was het niet noodzakelijk om de ondersteunende documenten (het Businessplan 2008-2012, het UBS project Sustain-rapport en het VDD-rapport) diepgaand te analyseren.

De accountants hebben de Accountantskamer geen controle-documentatie voorgelegd:

  • waaruit blijkt dat zij de bevestiging van het Econcern-bestuur van de beperkte betrokkenheid bij de kapitaalbelangen hebben getoetst en gewogen;
  • waarmee zij kunnen onderbouwen dat het de bedoeling was bepaalde kapitaalbelangen te reduceren;
  • waaruit blijkt dat zij hebben overwogen waarom een belang niet duurzaam werd gehouden als het verwaterde.

De Accountantskamer concludeert daarom dat niet aannemelijk is geworden dat de accountants voldoende en geschikte controle-informatie hadden. In zoverre is de klacht over de aanvaardbaarheid van de rubricering gegrond.

Waardering

Gezien de gegrondheid van de klacht over de rubricering is het duidelijk dat de accountants ook niet voldoende en geschikte controle-informatie hadden om de waardering van kapitaalbelangen in Sol Holding, BMCH en Darwind tegen 'fair value' als actuele waarde goed te keuren. De Accountantskamer gaat niettemin na of de accountants inzake de waardering voldoende en geschikte controlewerkzaamheden hebben uitgevoerd.

Passages uit het UBS-Sustain-rapport, het VDD-rapport en rapporten van PKF en W+ST wekken "alleszins" de indruk dat al op voorhand vaststond wat de uitkomst van de waardering van Silpro en BCE zou zijn. Ook de afgesproken verdeling van het belang in Sol Holding suggereert sturing van de uitkomst.

In het waarderingsrapport van W+ST is ervan uitgegaan dat de joint venture Silpro een financieringsbehoefte had van 230 miljoen. De investeringsbehoefte steeg binnen een jaar echter naar 577 miljoen en in mei 2008 zelfs naar 662 miljoen. De grote overschrijding van de oorspronkelijk begrote financiering roept vragen op. De mogelijke gevolgen van de grotere financieringsbehoefte konden effect hebben op de waardering van Silpro.

Uit de verkoop van Silpro-aandelen door minderheidsaandeelhouder Norsun kan een waardering van Silpro worden afgeleid van 5,4 miljoen euro. W+ST kwam kort daarvoor echter op 136,5 miljoen euro.  Waarom had die minderheidsaandeelhouder zo'n andere kijk op Silpro? Hield dat verband met de sterk gestegen financieringsbehoefte?

Vanwege

  • de verschillen en inconsistenties in de waarderingen,
  • het risico dat de waarderingen werden gestuurd en
  • de reeks contra-indicaties

hadden de accountants de rapportages van PKF en W+ST diepgaand moeten onderzoeken voordat zij concludeerden dat het aanvaardbaar was de feitelijke waardering te baseren op de genoemde rapporten.

De accountants hebben de rapportages van PKF en W+ST en de 'exit' van Norsun echter niet kritisch bekeken. Dat de rapporten van PKF en W+ST zijn opgesteld door erkende 'Wirtschaftprüfers' is niet voldoende gezien NVCOS 620 ('Gebruikmaken van de werkzaamheden van een door de accountant ingeschakelde en deskundige').

De Accountantskamer vindt het onzin dat (aanvullende) controlewerkzaamheden niet noodzakelijk waren, omdat 'de exit' van Norsun zich ten tijde van de afronding van de controle in een afrondende fase bevond en daarom niet relevant was voor de waardering van Silpro en Sol Holding.

In de jaarrekening 2007 van Econcern staat een omvangrijke ruilwinst van 81,1 miljoen euro. Volgens de Accountantskamer hebben de accountants zich bij hun oordeel hierover niet laten leiden door het voorzichtigheidsbeginsel (uit artikel 2:384 lid 2 BW). Dat beginsel houdt onder meer in dat winsten en waardeveranderingen alleen in het resultaat worden verwerkt als zij daadwerkelijk op de balansdatum zijn gerealiseerd.

De Accountantskamer vindt het ook van onvoorzichtigheid getuigen dat de accountants:

  • de verkoop van Silpro-aandelen door Norsun zonder meer irrelevant vonden;
  • het kennelijk aanvaardbaar vonden om een 4 procent-verwatering van het belang in Duracar zonder meer te extrapoleren (wat leidde tot een herwaardering van de gehouden aandelen);
  • aanvaardden dat de onmiddellijke (door)verkoop van 25 procent van de
    aandelen in BMCH aan mede-investeerder Teijin werd aangemerkt als een 'transactie met een derde' die een waardering op 'market value' zou rechtvaardigen (zodat winst kon worden genomen en het 'resterend' belang geherwaardeerd).

De accountants hebben daarvoor geen rechtvaardiging aangevoerd en hun afwegingen niet gedocumenteerd.

Het is al met al niet aannemelijk geworden dat zij voldoende en geschikte controlewerkzaamheden hebben uitgevoerd en dus ook niet dat zij voldoende en geschikte controle-informatie hebben verkregen. Daarom is de klacht op dit punt gegrond.

Consolidatie

De accountants hebben volgens de klagers onvoldoende controlewerkzaamheden verricht om het al dan niet consolideren van de kapitaalbelangen te controleren in - onder meer - Sol Holding, BMCH, Darwind en Windpark Q7.

Omdat de bovengenoemde klachtonderdelen gegrond zijn, hadden de accountants ook niet voldoende en geschikte controle-informatie om het toepassen van de consolidatievrijstelling voor (onder meer) de kapitaalbelangen in Sol Holding, BMCH en Darwind te beoordelen. Deze vrijstelling geldt namelijk alleen maar voor participaties.

De Accountantskamer gaat desondanks gedetailleerd na of de accountants hiervoor inderdaad niet voldoende en geschikte controlewerkzaamheden hebben uitgevoerd. Daarbij telt de kamer opnieuw de contra-indicaties voor de rubricering als participatie mee. Verder blijkt niet uit de controledocumentatie dat was voldaan aan de vrijstellingsvoorwaarden. De accountants hebben de beoordeling van de consolidatie daarom niet adequaat uitgevoerd.

In de jaarrekening 2007 heeft Econcern het belang in Windpark Q7 proportioneel geconsolideerd (zoals bedoeld in artikel 2:409 BW). Uit het PwC Board Report blijkt dat het effect van die keuze (in plaats van verantwoording op basis van netto-vermogenswaarde) materieel was: 95 miljoen euro op 443 miljoen aan totale opbrengsten.

Volgens artikel 2:409 BW (aanhef en sub b) mag evenredig consolideren echter alleen als wordt voldaan aan het wettelijk inzichtvereiste (van artikel 2:362 BW). De accountants moesten dus toetsen of proportioneel consolideren van het belang in Windpark Q7 in dit geval voldeed aan het inzichtvereiste.

Tegenover de Accountantskamer hebben de accountants toegegeven dat zij de uitkomsten van hun controlewerkzaamheden, toetsing en afweging niet hebben vastgelegd in hun controledossier. Daarom gaat de Accountantskamer ervan uit dat zij niet voldoende en geschikte controle-informatie hadden om te voldoen aan het wettelijke inzichtvereiste en om de toepassing van de vrijstelling goed te keuren. Ook op dit punt is de klacht gegrond.

'Work In Progress for own account'

Volgens de klagers heeft Econcern ten onrechte een bedrag van 225 miljoen euro als onderhanden werk ('Work In Progress for own account') verwerkt op basis van 'market value'. De accountants hebben dit gemotiveerd tegengesproken en de klagers hebben hun stelling onvoldoende onderbouwd. Dit deel van de klacht is daarom ongegrond.

Emissierechten

De klagers menen dat Econcern de emissierechten ('carbon credits') ten onrechte in haar jaarrekening 2007 heeft verantwoord onder voorraad en ten onrechte heeft gewaardeerd op basis van 'fair market value'. De accountants hebben op dit punt echter voldoende controlewerkzaamheden uitgevoerd.

Wel hebben zij verzuimd vast te leggen hoe zij dachten over de rubricering van de emissierechten onder voorraad. Ook hebben zij de emissierechten gewaardeerd alsof die een financieel instrument waren. Het materieel belang van deze post is echter te beperkt en van onvoldoende tuchtrechtelijk gewicht om de klacht op dit punt gegrond te verklaren.

Goodwill

Volgens de klagers heeft Econcern voor Godewind en Terra Nova koopprijzen van 30 respectievelijk 4,1 miljoen euro betaald en die ten onrechte niet opgesplitst in de netto-vermogenswaarde respectievelijk goodwill.

Volgens de accountants had Econcern met deze vennootschappen in feite niets anders verworven dan de concessie om een windpark te bouwen. Daardoor werd niet, zoals gebruikelijk, een 'business' overgenomen met allerhande identificeerbare activa en passiva en was er geen sprake van goodwill.

Nu onder de verworven vennootschappen kennelijk alleen licenties, vergunningen en concessies vallen om een windpark te ontwikkelen, vindt de Accountantskamer het echter niet zonder meer voor de hand liggen om die te rubriceren onder 'voorraad' en op te nemen tegen de verkrijgingsprijs, zoals Econcern heeft gedaan.

De accountants hadden bij hun controle onderzoek moeten doen naar die rubricering en de waardering. Zij hadden de aanvaardbaarheid van de gemaakte keuzes moeten afwegen. Te meer nu Econcern de verkrijgingsprijs in eerste instantie had uitgesplitst en daardoor sprake was van tegenstrijdige of inconsistente controle-informatie (zoals bedoeld in NVCOS 230).

De accountants hadden onvoldoende en geschikte controle-informatie en zijn tekort geschoten in hun controlewerkzaamheden. Op dit punt is de klacht gegrond.

Diverse onderwerpen

Volgens de klagers hadden de accountants nog bij vijf andere onderwerpen onvoldoende controle-informatie om de boeken te kunnen goedkeuren. Deze onderwerpen stemmen overeen met de klachtonderdelen g tot en met k. Daarvan zijn de drie laatste (deels) gegrond.

Dat Econcern de verplichtingen die niet uit de balans blijken niet volledig en correct heeft weergegeven, onderbouwen de klagers met vier casussen. Het verwijt dat niet is vermeld dat er een terugkoopverplichting bestond voor de certificaten van werknemersaandelen blijkt bij nader inzien echter onjuist. Op dit punt is de klacht dus ongegrond. Bij twee andere casussen valt de accountants tuchtrechtelijk niets of heel weinig te verwijten. Wel gegrond is de klacht dat de accountants niet hebben gedocumenteerd waarom zij akkoord gingen met een (van de RJ 252 paragraaf 509) afwijkende kwantificatie van de 'earn out verplichtingen'.

Volgens de accountants hoefde de heer Lange als directielid van Evelop niet te worden aangemerkt als een sleutelfunctionaris (in de zin van paragraaf 301 van RJ 330 'Verbonden partijen'). De raad van bestuur van Econcern was namelijk nauw betrokken bij de bedrijfsvoering van haar dochtermaatschappij Evelop. Om die reden hoefde de transactie met de vennootschap van de heer Lange niet vermeld te worden als een transactie met een verbonden partij. Daarom hebben de accountants op dit punt geen controledocumentatie overgelegd.

Zij hebben echter ook niets vastgelegd. Daarom gaat de Accountantskamer ervan uit dat zij niet voldoende en geschikte controle-informatie hadden om een afweging en oordeel op te baseren. In zoverre is de klacht gegrond.

Ook het verwijt dat zij hebben aanvaard dat Econcern in 2007 kosten heeft genomen voor het aantrekken van een financiering in 2008 is terecht. Volgens de accountants leggen de klagers paragraaf 219 van RJ 240 te eng uit. De accountants hebben echter niet aangegeven waarop zij deze weging hebben gebaseerd, terwijl niet gebleken is dat daarover documentatie bestaat. Ook op dit punt hebben zij dus niet toereikende controlewerkzaamheden verricht.

Conclusie

Al met al is niet aannemelijk geworden dat de accountants:

  • voldoende en geschikte controlewerkzaamheden hebben verricht op het merendeel van voormelde onderdelen van de jaarrekening 2007 en de toelichting;
  • voldoende en geschikte controle-informatie hadden.

De accountants hebben de controle van de jaarrekening met onvoldoende diepgang en een onvoldoende professioneel-kritische instelling gepland en uitgevoerd. Daardoor hebben zij zonder deugdelijke grondslag een goedkeurende verklaring in het maatschappelijk verkeer gebracht.

Nu de klacht grotendeels gegrond is, hebben de curatoren er geen belang meer bij dat wordt uitgezocht of:

  • de informatie in de jaarrekening voldoet aan de eisen van Titel 2.9 BW en
  • of het resultaat over 2007 en het eigen vermogen ultimo 2007 te hoog zijn weergegeven.

Maatregel

De Accountantskamer rekent het beide accountants zwaar aan dat zij de steken hebben laten vallen bij de controle van een jaarrekening, waarvan zij wisten dat hun goedkeurende verklaring van essentieel belang was voor potentiële investeerders in Econcern. Zij zijn in het bijzonder te kort geschoten bij de waardering van het belang in Sol Holding, dat zowel absoluut als relatief "van zeer groot materiaal belang" was voor het resultaat en het vermogen van Econcern.

Omdat

  • het om zo'n groot belang ging,
  • de accountants het risico onderkenden
  • en het hier ging om complexe, grensoverschrijdende materie

had je van de accountants "een hoge mate van oplettendheid en een professioneel-kritische opstelling" mogen verwachten.

Omdat zij die misten, hebben de accountants:

  • hun kerntaak als controlerend accountant veronachtzaamd;
  • "in aanmerkelijke mate" de fundamentele beginselen van deskundigheid en zorgvuldigheid en van professioneel gedrag geschonden;
  • in hoge mate het vertrouwen in de beroepsgroep geschaad.

Aangezien beiden even verantwoordelijk waren en hun geen van tweeën eerder een tuchtrechtelijke maatregel is opgelegd, is voor alletwee een tijdelijke doorhaling van één maand passend en geboden.

Zie ook het nieuwsbericht 'Accountants jaarrekening Econcern geschorst'.

reacties

Reageren op een artikel kan tot drie maanden na plaatsing. Reageren op dit artikel is daarom niet meer mogelijk.

    Aanmelden nieuwsbrief

    Ontvang elke werkdag (maandag t/m vrijdag) de laatste nieuwsberichten, opinies en artikelen in uw mailbox.

    Bent u NBA-lid? Dan kunt u zich ook aanmelden via uw ledenprofiel op MijnNBA.nl.