Zwalkende klokkenluider uitgeluid
De klachten van een oud-partner van een big four-kantoor tegen een oud-ceo en een oud-bestuurslid van het kantoor zijn definitief ongegrond. De partner wilde soms wel en soms geen klokkenluider zijn. Het verwijt dat de ceo hem niet op zijn rechten als klokkenluider heeft gewezen is dan ook uit de lucht gegrepen.
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Zaaknummers:
- 23/1050 en 23/1051
- Datum uitspraak:
- 12 mei 2026
- Oordeel:
- hoger beroepen ongegrond, klachten ongegrond
- Maatregel:
- geen
- Status:
- definitief
- Vindplaats:
- ECLI:NL:CBB:2026:206, ECLI:NL:CBB:2026:207
Lex van Almelo
Belangrijkste feiten
Volgens een senior Advisory-partner van een big four-kantoor heeft zijn leidinggevende tijdens een presentatie concurrentiegevoelige informatie gedeeld met een concurrent. Als de partner daarop aanslaat, zou de leidinggevende hem hebben geïntimideerd ("ik maak jou kapot") en er vervolgens voor hebben gezorgd dat de partner een lagere kwaliteitsscore en dus een lagere vergoeding kreeg.
De partner maakt er vervolgens een arbeidsgeschil van tussen hem en de leidinggevende, die de partner verwijt dat hij zich niet aan de regels houdt en instructies niet opvolgt. Als de partner zijn lage score en korting aanvecht, noemt hij de misstanden in een bijlage bij zijn beroepsschrift. De beroepscommissie speelt de aantijgingen door naar de general counsel van het kantoor.
Het hoofd juridische zaken en de ceo van het kantoor nemen de aantijgingen uiterst serieus, omdat het kantoor de mededingingswetgeving niet wil overtreden. Als de twee er meer over willen horen, geeft de inmiddels ontslagen partner niet thuis. De partner wil het alleen nog hebben over zijn lage QRM-kwaliteitsscore en de korting op zijn vergoeding en wil geen klokkenluider zijn, zegt hij tot zes keer toe. De ingeschakelde advocaat vindt in een onderzoek geen bewijs voor schendingen van de mededingingswetgeving.
Na zijn ontslag doet de partner een melding van de vermeende misstanden bij het 'ethics point' van het kantoor, dat wordt genoemd in de klokkenluidersregeling van het kantoor. Volgens die regeling moet een klokkenluidersmelding elders worden ingediend. De partner vraagt de behandeling van deze melding "voor nu on hold" te zetten. Maar twee maanden later dient hij de klacht opnieuw in. Omdat hij het bestuur van het kantoor heeft gedagvaard, wordt die melding niet in behandeling genomen.
Het kantoor heeft inmiddels een tweede onderzoek door de advocaat gelast. Daaraan wil de inmiddels ontslagen partner niet meewerken. De ex-partner sommeert het bestuur afstand te nemen van het onderzoek en brengt een dagvaarding uit met een schadeclaim. De bestuursvoorzitter schrijft hem dat er volgens het advocatenonderzoek geen misstanden zijn. En het bestuurslid, dat de ex-partner op de korrel heeft, was niet betrokken bij de reactie op de vermeende misstanden, omdat hij toen nog geen bestuurslid was.
De ontslagen partner dient klachten in tegen de voormalige ceo en het oud-bestuurslid. De Accountantskamer verklaart beide klachten ongegrond. De ontslagen partner gaat hiertegen in hoger beroep.
Hogerberoepsgronden
Volgens de ontslagen partner heeft de Accountantskamer onder meer ten onrechte vier onderdelen van de klacht tegen de ceo ongegrond verklaard en twee onderdelen van de klacht tegen het bestuurslid. Ook zou de Accountantskamer vooringenomen zijn geweest.
Oordeel
De hoger-beroepen zijn ongegrond en de klachten definitief ongegrond.
Niet vooringenomen
De oud-partner heeft dit standpunt niet nader geconcretiseerd of onderbouwd met relevante feiten en omstandigheden. Dat hij het niet eens is met de manier waarop de Accountantskamer zijn klachten heeft samengevat, de feiten heeft weergegeven en vervolgens haar oordeel heeft geformuleerd, maakt de tuchtrechter nog niet partijdig of vooringenomen.
Zaak ceo
Niets gemeld bij ceo
Dit klachtonderdeel is ongegrond verklaard, omdat de klager niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in 2018 misstanden heeft gemeld bij de ceo. Als de ceo in 2018 niets wist van de melding kan hem uiteraard niet met succes worden verweten dat hij er niets mee heeft gedaan. Het college sluit zich daarbij aan.
De ceo heeft bestreden dat de oud-partner in 2018 bij hem een melding heeft gedaan en de oud-partner heeft geen bewijs geleverd waaruit het tegendeel blijkt. De klager heeft in hoger beroep een e-mailbericht overgelegd, waaruit dit ook niet blijkt. Hierin beschrijft hij aan een derde wat er is voorgevallen tijdens de presentatie in september 2018 en vraagt advies over hoe hij hiermee om moet gaan. Dat de ceo een brief over de korting op de vergoeding van de partner heeft ondertekend, toont dit ook niet aan.
Ongehoorde korting
De ontslagen partner verwijt de ceo verder dat hij de brief over de korting op het salaris heeft ondertekend zonder hem te horen. Volgens het college heeft de oud-partner niet aannemelijk gemaakt dat de ceo de (inhoud van de) waarschuwingsbrief – en het verband tussen deze "formal warning" en de presentatie – kende toen hij de kortingsbrief ondertekende. In de overgelegde mailwisseling wordt alleen gesproken over het "appeal" van de oud-partner tegen de salariskorting, maar niet over de waarschuwingsbrief, terwijl de afdruk van het Whatsapp-gesprek evenmin aantoont dat de ceo op de hoogte was van de waarschuwingsbrief. Daarom ziet het college niet waarom de ceo de oud-partner had moeten horen voordat hij de kortingsbrief ondertekende.
Dat de ceo beroepsmatig handelde, betekent nog niet dat hij de brief als bestuurder pas had mogen ondertekenen nadat de oud-partner was gehoord of nadat op een andere manier onderzoek was gedaan naar de achtergrond van de waarschuwingsbrief. De ceo heeft bij de ondertekening van de kortingsbrief geen specifieke vaktechnische werkzaamheden verricht. In zo'n geval is de toetsingsruimte voor de tuchtrechter beperkt (zie deze uitspraak uit 2018). Het gaat hier om een (jaarlijkse) brief aan een groot aantal partners die de ceo ambtshalve heeft ondertekend. Een partner kan intern bezwaar en beroep aantekenen tegen een besluit over de vergoeding.
Klokkenluidersregeling niet gevolgd
Nadat de oud-partner in maart 2020 (dezelfde) mistanden opnieuw had gemeld is hij naar eigen zeggen ten onrechte niet gewezen op zijn rechten volgens de Klokkenluidersregeling en is de melding ten onrechte gekwalificeerd als een ernstig verstoorde verhouding tussen de toenmalige partner en zijn leidinggevende. Ook heeft de ceo, volgens de ontslagen partner, de meldingen laten onderzoeken, terwijl de Klokkenluidersregeling en -procedure niet onafhankelijk waren.
Volgens artikel 2 van de Klokkenluidersregeling van het kantoor begint een klokkenluidersprocedure met een melding bij de afdeling Juridische Zaken of bij een speciaal bedrijfsonderdeel van het kantoor. De Accountantskamer heeft terecht beklemtoond dat je ervan uit mag gaan dat een senior partner op de hoogte is van de Klokkenluidersregeling. Van hem mocht daarom worden verwacht dat hij een melding zou doen conform artikel 2 van die regeling.
De Accountantskamer heeft er in eerste instantie al op gewezen dat de toenmalige partner:
- niet heeft gekozen voor een melding;
- in de twee gesprekken met de ceo steeds heeft gezegd dat hij geen klokkenluider wilde zijn;
- geen onderzoek wilde naar aanleiding van zijn melding.
Pas in 2021 heeft hij een melding volgens de Klokkenluidersregeling gedaan. Eerdere meldingen over de vermeende misstanden hadden een ander karakter. Onder deze omstandigheden kan de ceo niet worden verweten dat hij de oud-partner niet heeft gewezen op de Klokkenluidersregeling of de procedure uit deze regeling niet in gang heeft gezet. Deze klachtonderdelen zijn dan ook terecht ongegrond verklaard.
Repercussies voorkomen
Volgens de ontslagen partner heeft de ceo geen toereikende maatregelen getroffen om te voorkomen dat hij zou lijden onder repercussies naar aanleiding van de gedane meldingen. Omdat de ceo niets wist van een melding valt hem niet te verwijten dat hij niets heeft gedaan.
Zaak oud-bestuurslid
De Accountantskamer heeft al gezegd dat het bestuurslid op 1 juli 2021 tot het bestuur is toegetreden en op geen enkele manier betrokken was bij de behandeling van de melding.
Daarom kan hij hierop niet tuchtrechtelijk worden aangesproken. Verder blijkt uit een e-mail van de afdeling Juridische Zaken dat de Klachtencommissie heeft besloten de tweede melding niet langer in behandeling te nemen. De oud-partner heeft niet aannemelijk gemaakt dat het bestuurslid hier (deels) de hand in heeft gehad.
Volgens de oud-partner heeft de Accountantskamer miskend dat hij de niet correct afgehandelde meldingen uit 2018 en 2020 opnieuw onder de aandacht wilde brengen van het bestuurslid. Die heeft een advocatenkantoor geïnstrueerd de klachten niet in behandeling te nemen als klokkenluidersmeldingen. Hij had volgens de oud-partner een maatregel moeten nemen op grond van artikel 5 van de VGBA nu de organisatie en de huisadvocaat de geldende wet- en regelgeving niet hebben nageleefd.
Volgens het college is dit onderdeel van de klacht terecht ongegrond verklaard, omdat de oud-partner niet aannemelijk heeft gemaakt dat het bestuurslid betrokken is geweest bij de afhandeling van de melding door de Klachtencommissie. Het enkele feit dat het bestuurslid op dat moment bestuurder was, betekent niet dat hem voor de afhandeling van deze melding een tuchtrechtelijk verwijt gemaakt kan worden.
Ook het andere klachtonderdeel is terecht ongegrond verklaard. De oud-partner heeft dit onvoldoende onderbouwd.
Annotatie Lex van Almelo
Een Advisory-partner van een big four-kantoor meent dat een kantoorgenoot concurrentiegevoelige informatie deelt en de mededingingswetgeving overtreedt. De partner bespreekt deze misstand en krijgt ruzie met zijn leidinggevende. Als zijn beoordeling daarna negatief uitvalt en zijn partnervergoeding wordt verlaagd, maakt de partner daar bezwaar tegen. De misstanden wil hij op dat moment even buiten beschouwing laten.
Later doet hij opnieuw een melding. Het kantoor laat de vermeende misstand onderzoeken door een advocaat met als uitkomst dat er niets mis was. De ontslagen partner, die bij nader inzien toch klokkenluider had willen zijn, dient klachten in tegen een toenmalig bestuurslid en de toenmalige ceo van het kantoor. De klacht tegen het bestuurslid wordt – definitief – ongegrond verklaard, omdat de persoon toen nog geen bestuurslid was en niet betrokken is geweest bij de afhandeling van de meldingen.
Ook de klacht tegen de ceo is definitief ongegrond. De partner heeft in hoger beroep evenmin aangetoond dat de ceo op de hoogte was van de eerste melding en hem heeft benadeeld. De ceo hoefde de partner niet te wijzen op de Klokkenluidersregeling en diens rechten als klokkenluider. Een senior partner hoort die regeling zelf te kennen. De ceo mocht ervan uitgaan dat de partner zich niet als klokkenluider beschouwde, omdat deze dat herhaaldelijk had gezegd.
