Tuchtrecht

Waarschuwing en berisping voor onderzoeker 'Schiedam'

Het College van Beroep voor het bedrijfsleven heeft alsnog een berisping opgelegd aan de forensisch accountant die een onderzoek deed naar het optreden van de toenmalige burgemeester van Schiedam. Het college bevestigt de eerder opgelegde waarschuwing.

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Zaaknummers:
AWB 12/604 en 12/653, AWB 12/610
Datum uitspraak:
18 december 2014
Oordeel:
hoger beroep burgemeester deels gegrond, hoger beroep accountant ongegrond
Maatregel:
berisping i.p.v. geen maatregel, waarschuwing
Status:
definitief
Vindplaats:
ECLI:NL:CBB:2014:460 , ECLI:NL:CBB:2014:459

Lex van Almelo

Belangrijkste feiten

AWB 12/604 en 12/653

Een forensisch registeraccountant van BING onderzoekt in 2011 onder meer of de burgemeester van Schiedam voldoende professioneel heeft gehandeld. Daarvoor spreekt hij de burgemeester tweemaal. De onderzoeker biedt de burgemeester de gelegenheid om zaken die zij mist toe te voegen aan de concept-verslagen. Daarvoor kan ze desgewenst de geluidsbanden van de gesprekken beluisteren. Later attendeert de onderzoeker haar op de mogelijkheid om te wijzen op eventuele onjuistheden en de feitelijke bevindingen.

De burgemeester probeert tevergeefs met een kort geding inzage te krijgen in het definitieve rapport voordat het naar de gemeenteraad gaat, zodat zij meer tijd krijgt om eventuele feitelijke onjuistheden recht te zetten. In de media suggereert de burgemeester dat er onvoldoende hoor en wederhoor is gepleegd.

Daarop vertelt de onderzoeker desgevraagd op RTV Rijnmond dat:

  • de burgemeester al zeker 90 procent van het rapport heeft gelezen;
  • zij alleen nog niet de conclusies heeft gezien, maar wel de bevindingen;
  • er uitgebreid met haar is gesproken.

Een dag na het kort geding wordt het rapport uitgebracht aan de gemeenteraad. Weer een dag later ontvangt de burgemeester het rapport. Van de 154 pagina's gaan er 128 over dossiers waarin kritiek wordt geleverd op het handelen van de burgemeester. De burgemeester dient een klacht in.

De klacht houdt onder meer in dat de accountant:

b.1. op onzorgvuldige wijze 'hoor' heeft toegepast;

b.2. op onzorgvuldige wijze 'wederhoor' heeft toegepast;

d. in het rapport niet eerlijk verantwoording heeft afgelegd over het gebruik van de verslagen van de gesprekken met de burgemeester;

e. ten onrechte zelf conclusies heeft getrokken en zaken heeft gesuggereerd, terwijl hij het politieke oordeel aan de gemeenteraad had moeten overlaten.

De Accountantskamer vindt dat de werkwijze door de beugel kan en verklaart de klacht ongegrond. Zowel de burgemeester als de accountant - die zich later dat jaar uit het register laat schrappen - gaan in hoger beroep.

AWB 12/610

In dezelfde kwestie houden de accountant en zijn medewerkers achtentwintig interviews met betrokkenen. Verder spreken zij met vijfentwintig anonieme melders. Ook de loco-secretaris c.q. clustermanager Dienstverlening van de gemeente wordt onderworpen aan een interview.

Op 5 augustus krijgt deze per e-mail het verzoek om uiterlijk 10 augustus te reageren op een document waarin feitelijkheden worden geschetst over de benoeming van de afdelingsmanager Communicatie. De clustermanager krijgt vijf feitelijke stellingen en tien vragen voorgeschoteld. Daarop reageert hij drie dagen later per e-mail.

Eind augustus brengt de accountant zijn definitieve rapport uit aan de gemeenteraad. Daarbij voegt hij een afzonderlijk rapport over de bemoeienis van de clustermanager met de benoeming van de afdelingsmanager Communicatie. Deze bevindingen zijn in een apart rapport neergelegd omdat de accountant de privacy wil beschermen van de clustermanager die "geen onderwerp van onderzoek" was.

In het aparte onderzoek staat onder meer: "De clustermanager Dienstverlening heeft bij de voorgenomen aanstelling van het afdelingshoofd Communicatie naar onze mening het belangentegenstellingselement niet op zijn juiste waarde onderkend (...) Wij beoordelen het handelen van de clustermanager Dienstverlening als onzorgvuldig en strijdig met de vereisten van goed ambtenaarschap ..."

De clustermanager dient een klacht in, die de Accountantskamer deels gegrond verklaart. De accountant krijgt een waarschuwing en gaat in hoger beroep.

Beroepsgronden

AWB 12/604 en 12/653

De accountant vind dat de Accountantskamer ten onrechte heeft gezegd dat de onderzoeker aan het tuchtrecht is onderworpen omdat hij stond ingeschreven in het register. Ten onrechte, omdat:

  • hij in deze zaak namelijk niet beroepsmatig is opgetreden als registeraccountant;
  • BING geen accountantsorganisatie is;
  • de onderzoekers van BING geen accountancywerkzaamheden verrichten;
  • BING geen assurance- of aan assurance verwante opdrachten verricht;
  • het onderzoek van BING een integriteitsonderzoek betrof, dat fundamenteel verschilt van accountancywerkzaamheden;
  • voor dit integriteitsonderzoek geen accountantsdeskundigheid of aanverwante kennis was vereist;
  • hij dus geen professionele dienst in de zin van de VGC heeft verricht;
  • zijn rol bij dit onderzoek zeer beperkt was;
  • hij geen inhoudelijke werkzaamheden heeft verricht op dit dossier;
  • als directeur slechts de opdracht van de gemeente heeft aangenomen, de twee interviews met de burgemeester heeft bijgewoond en het rapport ondertekend.

Volgens de burgemeester heeft de Accountantskamer ten onrechte

  1. de media-uitingen van de accountant niet als verwijtbaar handelen gezien, terwijl hij hier publiekelijk informatie verspreidde uit een onderzoek dat nog niet was afgerond en uit een rapport dat nog niet was uitgebracht;
  2. gezegd dat er niets mis was met het hoor en wederhoor;
  3. gezegd dat de forensisch accountant geen ondeugdelijke onderzoeksmethoden heeft gebruikt en objectief onderzoek heeft verricht;
  4. klachtonderdeel d ongegrond verklaard, want de onderzoeker had in het rapport duidelijk moeten maken dat zij vond dat de gespreksverslagen een onjuiste en onvolledige weergave van de interviews waren;
  5. de grondslag voor de onjuiste conclusies niet beoordeeld en ten onrechte gezegd dat de accountant niet verwijtbaar heeft gehandeld door (onjuiste) conclusies te trekken over haar handelen en daarmee klachtonderdeel e ten onrechte ongegrond verklaard.

AWB 12/610

De accountant vindt dat de Accountantskamer ten onrechte heeft gezegd dat:

  1. hij aan het tuchtrecht is onderworpen, omdat hij stond ingeschreven in het register;
  2. hij de Praktijkhandreiking persoonsgerichte onderzoeken en relevante jurisprudentie niet bij zijn onderzoek zou hebben betrokken, terwijl de clustermanager hier niet over heeft geklaagd en de Accountantskamer hem daarover ook geen vragen heeft gesteld op de zitting;
  3. klachtonderdeel a gegrond was, omdat de clustermanager er niet over heeft geklaagd dat hem niet duidelijk was dat ook zijn handelen in specifieke dossiers zou worden beoordeeld en dat hij hierover niet schriftelijk was geïnformeerd;
  4. de clustermanager niet was geïnformeerd over de aard en de reikwijdte van het onderzoek;
  5. hij geen, althans niet correct, wederhoor heeft toegepast, terwijl hij hoor en wederhoor is toegepast op alle bevindingen die relevant zijn voor de klager;
  6. er geen of onvoldoende deugdelijke grondslag was, terwijl de kamer geen kennis heeft genomen van de feitelijke bevindingen die de basis waren voor de twee beoordelingen in het rapport;
  7. er geen deugdelijke grondslag was voor enkele oordelen van BING.

Oordeel

AWB 12/604 en 12/653

Hoger beroep accountant

In 2012 heeft college al gezegd dat de wetgever de kerntaken van accountants wilde laten beoordelen door de tuchtrechter en klachten over de niet-kerntaken (zoals: juridische advisering, samenstelling van de boekhouding, belastingadviezen, forensische accountancy, due diligence en automatiseringsadviezen) in handen wilde geven van de Klachtencommissie NBA. Uiteindelijk is het wetsvoorstel zo aangepast dat klachten over ieder handelen of nalaten van accountants in de beroepsmatige sfeer direct kunnen worden voorgelegd aan de Accountantskamer.

Uit de voorbeelden in de Memorie van Toelichting bij de Wtra blijkt dat het de bedoeling van de wetgever is geweest dat het tuchtrecht zich uitstrekt tot een breed scala van werkzaamheden waarbij registeraccountants worden ingeschakeld. De werkzaamheden die de onderzoeker - tot 8 december 2012 nog registeraccountant - heeft uitgevoerd in het kader van het "integriteitsonderzoek" passen volgens het college in de onvolledige opsomming van niet-kerntaken. Zij moeten daarom worden gerekend tot het beroepsmatig handelen.

Het college wijst er nog op dat de onderzoeker de opdrachtbevestiging aan de gemeenteraad heeft ondertekend met zijn RA-titel.

Het hoger beroep van de accountant is dus ongegrond.

Hoger beroep burgemeester

Ad 1

De burgemeester heeft zich al in de media uitgelaten over het onderzoek en de werkzaamheden van BING voordat het onderzoek was afgerond. Volgens het college moet een accountant in beginsel op zulke uitlatingen kunnen reageren. De uitlatingen van de onderzoeker waren een reactie op die van de burgemeester. Daarom ziet het college niet in waarom de accountant tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

Dat de Accountantskamer ten onrechte heeft gezegd dat er niets mis was met het wederhoor bespreekt het college bij de behandeling van de tweede beroepsgrond.

Ad 2 (klachtonderdelen b.1 en b.2)

De burgemeester vindt dat de Accountantskamer ten onrechte heeft gezegd dat de onderzoeker correct hoor en wederhoor heeft toegepast. Maar zij is niet - althans niet volledig en niet tijdig - geïnformeerd over de inhoud van de onderzoeksopdracht.

Gezien het "verifiërend karakter" merkt het college het onderzoek aan als een persoonsgericht onderzoek in de zin van de Praktijkhandreiking persoonsgerichte onderzoeken. Als je de praktijkhandreiking niet correct toepast is dat alleen tuchtrechtelijk verwijtbaar als daarmee ook de Wet RA en de VGC wordt geschonden.

In (paragraaf 5.1 van) de Praktijkhandreiking staat als algemeen uitgangspunt dat de onderzoeker de onderzochte schriftelijk informeert over het onderzoek, tenzij de omstandigheden dat niet toelaten. Ook staat erin dat het voor zowel de kwaliteit van het uit te voeren onderzoek als voor de omgangsvormen tussen de accountant en de onderzochte van belang is dat laatstgenoemde de gelegenheid krijgt een bijdrage te leveren aan het onderzoek in de vorm van hoor en wederhoor.

Uit de Praktijkhandreiking volgt in ieder geval dat het een uitgangspunt bij een persoonsgericht onderzoek is dat je degene die je onderzoekt tijdig schriftelijk informeert over het onderzoek en de inhoud daarvan. Tijdig betekent vóórdat die persoon wordt gehoord. De onderzoeker heeft dat niet gedaan en ook niet aannemelijk gemaakt waarom het onder deze omstandigheden niet had gekund.

Daarmee heeft hij in strijd gehandeld met het fundamenteel beginsel van deskundigheid en zorgvuldigheid.

De klaagster krijgt dus gelijk op het punt van de ongegrondverklaring van klachtonderdeel b.1.

Datzelfde geldt voor de ongegrondverklaring van klachtonderdeel b.2. De onderzoeker heeft een concept van het rapport voorgelegd in het kader van wederhoor. In dat concept ontbreekt hoofdstuk 8 van het definitieve rapport. Daarin worden observaties van melders en van de vertrouwenspersoon besproken, samen met bevindingen uit interviews en uit onderzoek van zestien dossiers. In dit hoofdstuk wordt ook het handelen van de burgemeester beoordeeld.

Volgens het college worden dus zowel bevindingen weergegeven als conclusies getrokken. Deze bevindingen zijn niet eerder besproken, zodat de burgemeester die niet kon kennen. Zij heeft er ook niet vóór publicatie op kunnen reageren. Haar is op dit punt dus geen correct wederhoor geboden.

De burgemeester stoort zich er ook aan dat de onderzoeker de bevindingen ten onrechte tegelijk aan meerdere personen heeft voorgelegd voor commentaar. Maar volgens de onderzoeker richtte het onderzoek zich ook op het college van B en W, de gemeentesecretaris en de leden van de ambtelijke top. Omwille van de samenhang in de bevindingen en de zorgvuldigheid heeft hij alle betrokkenen de gelegenheid gegeven op het hele feitencomplex te reageren.

Het college vindt net als de Accountantskamer dat er geen algemene regel is die dit verhindert.  

Ad 3 (klachtonderdelen c.1, c.2 en c.3)

De burgemeester vindt het "disproportioneel" dat onderzoekers in haar computer hebben gekeken. Uit dat onderzoek zijn kennelijk geen feiten en omstandigheden naar boven gekomen, die negatief zijn voor haar. De accountant heeft dat echter niet in het rapport gezet, terwijl daar wel haar argumenten in staan om niet mee te werken aan het onderzoek. Het is ook niet duidelijk waarom slechts tweeëntwintig personen zijn gehoord, terwijl eenenveertig mensen een verklaring wilden afleggen. De onderzoeker heeft tijdens het onderzoek vaak suggestieve vragen gesteld en mensen woorden in de mond gelegd.

Dat deze toelichting niet in het rapport staat en dat daarin de conclusie ontbreekt dat het computeronderzoek geen belastende feiten heeft opgeleverd, wil volgens het college nog niet zeggen dat de feiten niet objectief worden weergegeven.

Volgens het rapport zijn vijfentwintig melders geïnterviewd en hebben de onderzoekers nog eenentwintig andere betrokkenen geïnterviewd. De te interviewen personen zijn geselecteerd op basis van de relevante informatie die zij vermoedelijk konden verstrekken. Positieve verklaringen over de burgemeester en de betekenis van haar functioneren voor de stad zijn niet in het rapport verwerkt, omdat dat niet onderzocht hoefde te worden.

Het college vindt deze handelwijze in dit geval verdedigbaar. Het college vindt het verder niet onbegrijpelijk dat de penningmeester niet is gehoord.

Het college vindt het verwijt van de suggestieve vragen onvoldoende onderbouwd. Uit de voorbeelden blijkt hooguit dat de onderzoeker bij sommige vragen is uitgegaan van zijn vermoedens. Maar net als de Accountantskamer vindt het college dat geen blijk van vooringenomenheid.

Ad 4

In het rapport staat ten onrechte dat de burgemeester niet heeft gereageerd op de twee interviewverslagen, terwijl zij dat wel heeft gedaan. Zij heeft bezwaar gemaakt tegen de onderzoeksaanpak, de vraagstelling en de inhoud van de verslagen.

De onderzoeker erkent dat de burgemeester niet heeft ingestemd met de gespreksverslagen. Maar volgens hem was het voor de gebruiker duidelijk genoeg dat zij de gelegenheid heeft gehad om die kritiek kenbaar te maken.

Het college vindt de vermelding dat zij niet heeft gereageerd onjuist. De accountant heeft door zo te rapporteren in strijd gehandeld met het fundamenteel beginsel van deskundigheid en zorgvuldigheid. De Accountantskamer had klachtonderdeel d inderdaad gegrond moeten verklaren.

Ad 5

Volgens de opdrachtbevestiging moest de accountant de onderzochte feiten beoordelen tegen de achtergrond van het geldende toetsingskader. Op de zitting bij de Accountantskamer is de burgemeester nog gekomen met twee kwesties waaruit zou blijken dat de accountant ten onrechte conclusies heeft getrokken.

Net als de Accountantskamer vindt het college dit een ontoelaatbare uitbreiding van de klacht. Volgens vaste jurisprudentie van het college is het uit het oogpunt van behoorlijkheid in beginsel niet toegestaan een klacht nog op de zitting bij de Accountantskamer uit te breiden. Er zijn in dit geval geen redenen om van dit beginsel af te wijken. Daarom heeft de Accountantskamer deze kwesties terecht buiten beschouwing heeft gelaten.

Volgens de burgemeester heeft de accountant ten onrechte geconcludeerd dat uit zijn onderzoek naar de opdrachtverstrekking aan een aannemingsbedrijf is gebleken dat:

  • ambtenaren sinds 2008 de boodschap kregen dat "voorzichtigheid moet worden betracht" in contacten met de desbetreffende aannemer;
  • ambtenaren die boodschap hebben opgevolgd;
  • dit (onder meer) heeft geleid tot een substantiële afname in de opdrachtverstrekkingen aan het bedrijf;
  • weliswaar niet is gebleken dat de burgemeester zelf expliciet opdracht heeft gegeven het aannemingsbedrijf uit te sluiten van opdrachten voor de gemeente, maar dat haar kritiek op de aannemer daar wel toe heeft geleid;
  • de burgemeester zich had moeten realiseren dat haar kritiek invloed zou hebben, juist ook gezien haar "directieve stijl van leidinggeven".

Volgens het college kan op basis van de weergegeven verklaringen de indruk ontstaan dat haar optreden van invloed kan zijn geweest op de afname in de opdrachtverstrekkingen aan de aannemer. Maar in het rapport staan ook verklaringen - onder andere van de directeur van de gemeente - die erop wijzen dat de aannemer minder opdrachten kreeg door de aangescherpte aanbestedingsregels en een sterkere controle. Het college vindt dat de onderzoeker onvoldoende rekening heeft gehouden met de ontlastende verklaringen.

Uit facturen blijkt dat de aannemer ook na 2008 voor aanzienlijke bedragen opdrachten heeft uitgevoerd voor de gemeente. Het college vindt dat:

  • de accountant over deze kwestie "te ongenuanceerde" conclusies heeft getrokken;
  • ten onrechte relevante zaken heeft weggelaten;
  • hierdoor heeft gehandeld in strijd met de beginselen van deskundigheid en zorgvuldigheid en objectiviteit.

Conclusie hoger beroep burgemeester

Het hoger beroep van de burgemeester is gegrond en de klachtonderdelen b.1, b.2, d en e zijn gegrond.

AWB 12/610 (Klacht clustermanager)

Ad 1

Deze beroepsgrond wordt met dezelfde argumenten verworpen als in de uitspraak hierboven.

Ad 2

De Accountantskamer heeft gezegd dat:

  • nergens uit blijkt dat de accountant vóór of tijdens de uitvoering van de werkzaamheden heeft onderzocht in hoeverre de Praktijkhandreiking en jurisprudentie van belang waren, noch dat hij het conceptueel raamwerk van de VGC heeft toegepast;
  • het niet of niet correct toepassen van de Praktijkhandreiking een tuchtrechtelijk verwijt kan opleveren als daardoor de Wet RA of de VGC wordt overtreden en de accountant daardoor in strijd handelt met het belang van een goede uitoefening van het accountantsberoep.

Volgens het college heeft de Accountantskamer hiermee alleen het kader weergegeven waarbinnen de werkzaamheden moeten worden beoordeeld. Gezien de aanleiding van het onderzoek heeft de Accountantskamer terecht de Praktijkhandreiking erbij gehaald. Dat is geen uitbreiding van de klacht.

Ad 3

Volgens het college heeft de Accountantskamer ook op dit punt de klacht niet uitgebreid. De clustermanager heeft er bijtijds aanvullend over geklaagd dat de scope van het onderzoek voor hem onduidelijk was, omdat die vrijwel dagelijks veranderde, en heeft deze aanvulling toegelicht. De Accountantskamer heeft die toelichting betrokken bij zijn oordeel. Dat dit niet blijkt uit het proces-verbaal is geen punt. Zoals gebruikelijk is er een beknopt proces-verbaal opgesteld en geen woordelijk verslag van wat er op de zitting is besproken. Overigens heeft de accountant niet tegengesproken dat dit inderdaad is besproken.

Ad 4

Het algemeen uitgangspunt van de Praktijkhandreiking is dat de onderzochte schriftelijk wordt geïnformeerd over het persoonsgerichte onderzoek, tenzij de omstandigheden zich hiertegen verzetten. De accountant bestrijdt niet dat dit bij de clustermanager achterwege is gelaten.

Ook uit andere feiten blijkt dat de clustermanager niet zo goed was geïnformeerd over de aard en de reikwijdte van het onderzoek dat hem duidelijk was dat dit zich ook zou richten op zijn functioneren, handelen en nalaten in specifieke dossiers. Er was geen reden om dit na te laten.

Ad 5

Het college is het met de Accountantskamer eens dat de accountant door toezending van een "wederhoordocument" met vragen wel heeft gevraagd om nadere informatie, maar niet om een reactie op de bevindingen van het onderzoek. De Accountantskamer heeft dus terecht geoordeeld dat de accountant bij de clustermanager geen wederhoor heeft toegepast. De Accountantskamer is - in tegenstelling tot wat de accountant beweert - ook wel degelijk nagegaan of de bevindingen daardoor geen deugdelijke grondslag meer hebben.

Ad 6

De accountant heeft de notitie, waarin de oordelen staan, niet ingebracht in de tuchtprocedure. Alleen de accountant kon deze notitie overleggen aan de Accountantskamer. De accountant had er rekening mee moeten houden dat de Accountantskamer zonder die notitie niet (goed) kon vaststellen of voor de oordelen van de accountant een deugdelijke grondslag bestond.

De Accountantskamer heeft niet in strijd gehandeld met de beginselen van behoorlijk procesrecht door de accountant gelegenheid te onthouden om de notitie in een zeer laat stadium alsnog te overleggen. De kamer heeft zich daardoor - met het oog op de positie van de klager - juist aan die beginselen gehouden.

Ad 7

Volgens de uitspraak van de Accountantskamer houdt de klacht onder meer in dat het rapport feitelijke onjuistheden bevat en onjuiste conclusies worden getrokken. De klager heeft dit twee keer schriftelijk naar voren gebracht en een en ander onderbouwd. De Accountantskamer is dus niet buiten de klacht getreden door te zeggen dat er geen deugdelijke grondslag was voor twee oordelen van BING.

Het college vindt net als de Accountantskamer dat je uit een besproken e-mailbericht niet kunt afleiden dat de burgemeester zich daadwerkelijk zou hebben bemoeid met de aanstelling van de medewerker Kabinetszaken, zoals in het rapport stond. Uit andere informatie kan dit ook niet worden afgeleid. Daarom is er geen deugdelijke grondslag voor de conclusie dat de clustermanager hierover niet de waarheid heeft gesproken.

Uit een gespreksverslag en een e-mail van de clustermanager blijkt dat de klager meermaals gemotiveerd zijn standpunt hierover uiteen heeft gezet. Daarbij is hij onder meer ingegaan op het functioneren van de desbetreffende medewerkster. In het rapport en in de notitie wordt hier nauwelijks iets over gezegd. Nu BING dit punt niet nader heeft onderzocht, vindt ook het college het oordeel over het vermeend onzorgvuldig handelen van de clustermanager onvoldoende gefundeerd.

Conclusie AWB 12/610

Het beroep is ongegrond.

Maatregel

AWB 12/604 en 12/653

Berisping. De onzorgvuldigheden zijn zo ernstig dat de accountant daarmee het accountantsberoep in diskrediet heeft gebracht.

AWB 12/610

Het college bevestigt de waarschuwing

Annotatie Herbert Reimers

Dit integriteitsonderzoek heeft in de media veel stof doen opwaaien. Net als andere onderzoeken van deze registeraccountant, die zich in 2012 liet uitschrijven uit het register. Eén van de redenen was dat hij de regels voor accountants te knellend vindt bij onderzoek naar integriteitskwesties.

In de 'kwestie Schiedam' staat nu vast dat de accountant de onderzochte persoon ook bij een 'integriteitsonderzoek' moet informeren over het onderzoek, die persoon moet horen en eigenlijk altijd commentaar moet (kunnen) laten leveren. Verder is duidelijk dat je conclusies ook bij integriteitsonderzoeken moet baseren op feiten. Het zijn eisen die je, het mag niet verrassen, aan elk integer onderzoek mag stellen. Deze ervaren onderzoeker heeft zich er echter niet aan gehouden.

Ik beperk mij hier tot enkele aspecten van het hoger beroep van de burgemeester en de accountant.

De accountant stelt dat hij in dit dossier niet beroepsmatig als registeraccountant is opgetreden. Omdat sprake is van een integriteitsonderzoek zou het niet gaan om accountancywerkzaamheden waarvoor accountantsdeskundigheid of aanverwante kennis was vereist. Dat voor onderzoeken als deze een NBA-praktijkhandreiking is opgesteld geeft naar mijn idee al aan dat integriteitsonderzoeken c.q. persoonsgerichte onderzoeken kunnen vallen binnen het domein van het accountantsberoep. Ik kan de conclusie van het CBb, dat de werkzaamheden inderdaad binnen het domein vallen van het accountantsberoep, dus wel begrijpen.

De reikwijdte van het tuchtrecht is een genuanceerd onderwerp. In de wetsgeschiedenis zijn bijvoorbeeld ook minder voor de hand liggende diensten als juridische advisering en automatiseringsadviezen genoemd. Deze vallen onder het bereik van het tuchtrecht als zij in de uitoefening van het accountantsberoep zijn verleend of als er een relatie is tussen de overtreding en de uitoefening van het accountantsberoep. Denk bij dat laatste bijvoorbeeld aan je ouders in de privésfeer helpen bij het witwassen van geld door juridisch adviezen te geven.

De burgemeester heeft in de media meermaals gezegd dat zij de feitelijke bevindingen van het uit te brengen rapport niet kende en dat de accountant wederhoor achterwege had gelaten. De accountant heeft daarop in de media gereageerd. Voor de klager was dit aanleiding om een klacht in te dienen.

Het college is gelukkig net als de Accountantskamer van oordeel dat een accountant in beginsel de mogelijkheid toekomt op dergelijke uitlatingen te reageren. Daarbij vind ik het vooral relevant dat de informatie die naar buiten wordt gebracht een deugdelijke grondslag moet hebben en dat in verband met de geheimhoudingsplicht geen vertrouwelijke informatie uit het rapport wordt prijsgegeven. In de reactie van de accountant was dit niet aan de orde. Hij reageerde niet op de inhoud van het rapport, maar op de omstandigheden rond de totstandkoming daarvan.

reacties

Reageren op een artikel kan tot drie maanden na plaatsing. Reageren op dit artikel is daarom niet meer mogelijk.

    Aanmelden nieuwsbrief

    Ontvang elke werkdag (maandag t/m vrijdag) de laatste nieuwsberichten, opinies en artikelen in uw mailbox.

    Bent u NBA-lid? Dan kunt u zich ook aanmelden via uw ledenprofiel op MijnNBA.nl.