Tuchtrecht

Rapport gerechtelijk deskundig wel goed onderbouwd

Het deskundigenrapport dat een registeraccountant uitbracht over een accountant-administratieconsulent is wel degelijk goed gefundeerd. De AA heeft zijn klant gedupeerd door zijn passieve houding.

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Zaaknummers:
16/767
Datum uitspraak:
10 januari 2018
Oordeel:
beroep gegrond / klacht ongegrond
Maatregel:
geen i.p.v. waarschuwing
Status:
definitief
Vindplaats:
ECLI:NL:CBB:2018:14

Lex van Almelo

Belangrijkste feiten

Een accountant-administratieconsulent heeft sinds 2002 een voormalig boer als klant. De klant heeft in 1998 zijn melkveehandel gestaakt en zijn boerderij verkocht. In datzelfde jaar is de agrariër gescheiden van zijn vrouw. De accountant moet de conceptjaarstukken en de winst- en verliesrekening over 1998 beoordelen ten behoeve van de boedelverdeling en de fiscale afhandeling van het staken van de onderneming.

In juli 2004 komt de Belastingdienst met een eerste voorstel voor de fiscale afhandeling. De accountant kan zich hierin niet vinden. In september komt de inspecteur met een nieuw voorstel. De accountant zegt aan de telefoon echter dat hij “voorlopig geen tijd” heeft. Drie weken later geeft de inspecteur schriftelijk te kennen de zaak te willen afronden. Hij doet een voorstel dat een stuk ongunstiger is voor de klant dan het eerste voorstel. De gewezen melkveehouder gaat daarmee akkoord.

Later vindt de klant dat hij een belastingteruggave is misgelopen. Hij stelt het kantoor van de accountant aansprakelijk. Het gerechtshof benoemt een registeraccountant tot deskundige. Die moet beoordelen of een redelijk bekwaam en redelijk handelend accountant-administratieconsulent de boer had moeten adviseren het eerste voorstel van de Belastingdienst te aanvaarden. Daarbij moet hij in aanmerking nemen dat:

  • tegen de IB-aanslag 1998 geen bezwaar meer open stond;
  • het risico bestond dat de fiscus dit voorstel (op onderdelen) zou intrekken;
  • het resultaat van de onderhandeling beter of slechter zou uitvallen dan dit voorstel.

De deskundige concludeert dat de accountant zijn klant inderdaad had moeten adviseren het eerste voorstel te accepteren. In zijn rapport komt de deskundige echter ook met conclusies over de manier waarop de accountant zijn praktijk uitoefende. Zo zou de accountant “een authentiek en excentriek persoon met een authentieke, verouderde praktijk” zijn. En op basis van dertien punten concludeert de deskundige dat er bij de accountant geen sprake was van een adequate beroepsuitoefening.

De accountant dient een klacht in tegen de gerechtelijk deskundige. De Accountantskamer verklaart de klacht gegrond en legt een waarschuwing op. Volgens de Accountantskamer was het niet de bedoeling van het gerechtshof dat de deskundige zou beoordelen hoe de accountant zijn (fiscale) werkzaamheden heeft uitgevoerd, maar had de deskundige de (fiscale) problematiek van dit geval uitdrukkelijk moeten analyseren. Vervolgens had hij een afweging kunnen maken over het risico dat het voorstel zou worden ingetrokken en van de kansen op een beter of slechter resultaat.

De deskundige heeft dit niet gedaan omdat hij naar eigen zeggen de inhoudelijke werkzaamheden niet kon beoordelen vanwege de zijns inziens chaotische praktijk van de AA. Niettemin concludeert de deskundige dat de accountant akkoord had moeten gaan met het eerste voorstel van de Belastingdienst. Volgens de Accountantskamer mist die conclusie een deugdelijke grondslag. Als de praktijkvoering van de accountant inderdaad chaotisch en achterhaald was, had de deskundige moeten schrijven dat hij de vraag om die reden niet kon beantwoorden.

Overigens vindt de Accountantskamer ook de conclusie over de praktijk twijfelachtig omdat de deskundige die niet diepgaand heeft onderzocht. Tijdens het onderzoek van de deskundige waren de ordners over deze kwestie bij de klant, terwijl de deskundige zich alleen baseerde op het dossier dat bij de accountant aanwezig was.

Verder heeft de deskundige in zijn rapport geschreven dat hij op basis van de twee brieven van de Belastingdienst al kon concluderen dat de accountant inderdaad had moeten adviseren akkoord te gaan met het eerste voorstel. De Accountskamer vindt die redenering onnavolgbaar, omdat in de eerste brief van de Belastingdienst geen reactietermijn stond. Bovendien is het eerste voorstel - in tegenstelling tot wat de deskundige beweert - niet ingetrokken omdat de accountant de Belastingdienst had laten weten geen tijd te hebben voor zijn onderzoek, maar omdat de Belastingdienst vaststelde dat zij rekenfouten had gemaakt en de landbouwvrijstelling op onderdelen verkeerd had toegepast.

De deskundige gaat in hoger beroep tegen het oordeel van de Accountantskamer.

Beroepsgronden

De Accountantskamer:

  1. was niet bevoegd was om de klacht te behandelen en vond het conceptueel raamwerk ten onrechte relevant in deze zaak;
  2. heeft ten onrechte rekening gehouden met een aantal niet onderbouwde posten in de klacht, terwijl dit stuk destijds niet is ingebracht bij het gerechtshof en heeft ten onrechte gezegd dat de deskundige onvoldoende fiscale kennis had om de vraag van het gerechtshof te kunnen beantwoorden;
  3. heeft ten onrechte gezegd dat de inhoud en conclusie van het rapport de toets der kritiek niet kunnen doorstaan.

Oordeel

Het beroep is gegrond.

Ad 1 Bevoegdheid

Uit de bepalingen van de Wet op het accountantsberoep en de Wet tuchtrechtspraak accountants volgt dat de Accountantskamer bevoegd is om te oordelen over een tuchtklacht die is ingediend tegen een accountant. Dat de klacht gaat over het handelen als deskundige in een civiele procedure maakt dat niet anders. In 2016 heeft het college al gezegd dat het niet de bedoeling is van een tuchtrechtelijke procedure om opnieuw en integraal te onderzoeken of de inhoud of totstandkoming van een deskundigenbericht voor een civielrechtelijke procedure in orde is.

De tuchtrechter moet wel beoordelen of de deskundige bij het opstellen van zijn deskundigenbericht in strijd heeft gehandeld met zijn beroeps- en gedragsregels. Dat heeft de Accountantskamer ook gedaan.

Ad 2

De Accountantskamer geeft alleen het standpunt van de klager weer zonder daarover een oordeel te geven.

Ad 3

De Accountantskamer vond dat de inhoud en de conclusie van het rapport geen deugdelijke grondslag hadden. Het College van Beroep voor het bedrijfsleven vindt dat de Accountantskamer de inhoud van het rapport onvoldoende heeft beoordeeld op zijn merites. Volgens het college heeft de deskundige de eerste vraag van het gerechtshof bevestigend beantwoord en in de aanloop naar dit antwoord drie uitvoerige onderbouwde en toegelichte deelconclusies getrokken, waarin hij op verschillende aspecten met betrekking van de werkzaamheden van de accountant is ingegaan. De Accountantskamer heeft dit essentiële deel van de onderbouwing van het rapport ten onrechte genegeerd.

De bevindingen in het rapport bevatten voldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat de accountant steken heeft laten vallen toen de Belastingdienst in 2004 zijn voorstel deed en dat de klant nadeel heeft geleden van die tekortkomingen. Het voorstel ging over de definitieve aanslag inkomstenbelasting 1998, zodat de accountant (zoals het gerechtshof ook zegt) – afhankelijk was van de goede wil van de Belastingdienst.

De accountant en de Belastingdienst hadden al enige tijd overlegd over de fiscale afwikkeling van het bedrijf toen de Belastingdienst in juli 2004 aan het einde van een bespreking kwam met een concreet voorstel om de kwestie af te wikkelen. De accountant heeft het voorstel meteen afgewezen, omdat dit naar zijn mening te mager was. Daarna heeft de Belastingdienst het voorstel op papier gezet. In die brief:

  • vraagt de Belastingdienst zich uitdrukkelijk af of het voorstel niet te ruimhartig is;
  • geeft de Belastingdienst de accountant de mogelijkheid zijn standpunt (dat het voorstel nog te zuinig is) nader te onderbouwen – eventueel met hulp van de Belastingdienst;
  • stelt de Belastingdienst nog een aantal concrete vragen aan de accountant;
  • schrijft de betrokken inspecteur dat hij eind augustus/begin september opnieuw contact zal opnemen en dat de accountant ook schriftelijk mag reageren.

Zoals de deskundige in zijn rapport heeft geconstateerd, heeft de accountant vervolgens:

  • niet gereageerd op deze brief;
  • zijn standpunt niet cijfermatig onderbouwd;
  • de gestelde vragen niet beantwoord;
  • geen overleg gevoerd met de boer over de brief en het daarin gedane voorstel.

Volgens het college heeft de accountant inderdaad niet de mogelijkheid benut om de Belastingdienst te overtuigen van zijn gelijk en de kans vergroot dat de Belastingdienst het oorspronkelijke voorstel zou intrekken. Uit het rapport van de deskundige blijkt dat:

  • de accountant de Belastingdienst telefonisch liet weten dat hij voorlopig geen tijd zou hebben om de brief te beantwoorden;
  • de Belastingdienst toen niet meer heeft gewacht op een reactie en een minder gunstig voorstel deed.

De Belastingdienst kwam met een gewijzigd voorstel en gaf de accountant de kans om de fiscus te overtuigen dat dit niet redelijk was. Maar opnieuw reageerde de accountant niet, zo blijkt ook uit de gang van zaken die de deskundige beschrijft in het rapport. Dat de opdracht aan de accountant per 1 november 2004 was geëindigd, vindt het college geen goede reden voor deze passiviteit.

Uiteindelijk is de kwestie in 2005 afgewikkeld met een uitkomst die voor de ex-boer nadeliger was dan wanneer de accountant het eerste voorstel had aanvaard. Het was de verantwoordelijkheid van de accountant om zijn standpunt cijfermatig te onderbouwen. Dat heeft de accountant echter niet gedaan, hoewel de Belastingdienst hem daarvoor uitdrukkelijk de gelegenheid gaf.

De Accountantskamer heeft dus ten onrechte gezegd dat de deskundige geen deugdelijke grondslag had voor de inhoud en conclusies van zijn rapport.

Maatregel

Geen. De Accountantskamer heeft ten onrechte een waarschuwing opgelegd.

Annotatie Lex van Almelo

Het is lastig om een les te trekken uit deze uitspraak. Het college oordeelt anders over het deskundigenrapport dan de Accountantskamer. Beide tuchtcolleges kijken dus verschillend tegen de feiten aan. Maar het college heeft het laatste woord, dus moeten we ervan uitgaan dat de registeraccountant als gerechtelijk deskundige terecht negatief oordeelde over de accountant-administratieconsulent. Zo leert de uitspraak vooral iets over de accountant die geen partij was bij de uitspraak. En die les is dat je het namens jouw klant best oneens kunt zijn met de fiscus, maar dan wel bijtijds en gefundeerd moet aangeven waarom. Kennelijk spreekt dat voor sommige accountants niet vanzelf.

reacties

Reageer op dit artikel

Spelregels debat

    Aanmelden nieuwsbrief

    Ontvang elke werkdag (maandag t/m vrijdag) de laatste nieuwsberichten, opinies en artikelen in uw mailbox.

    Bent u NBA-lid? Dan kunt u zich ook aanmelden via uw ledenprofiel op MijnNBA.nl.