Tuchtrecht

Belastingfraude voor zoon oude vriend

Een registeraccountant helpt het bedrijf van de zoon van een oude vriend door moeilijke tijden, maar faciliteert en pleegt daarbij belastingfraude.

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Zaaknummers:
20/380
Datum uitspraak:
02 november 2021
Oordeel:
deels gegrond
Maatregel:
doorhaling met herinschrijvingsverbod van 5 jaar
Status:
definitief
Vindplaats:
ECLI:NL:CBB:2021:971

Lex van Almelo

Belangrijkste feiten

Een registeraccountant in business heeft een bedrijfsadviesbureau. Hij doet administratieve en advieswerkzaamheden voor een uitzendbureau voor vrachtwagenchauffeurs in Apeldoorn. Het bureau is in handen van de zoon van een oude vriend en wordt gedreven in de vorm van een eenmanszaak. De accountant doet ook een deel van de ob- en lh-aangiften, aanvankelijk met een boekhoudpakket, maar later met de hand. Een ander deel doet de klant zelf, op naam van de accountant.

In 2016 doet de Belastingdienst een insolventieonderzoek bij het uitzendbureau. Daarbij blijkt dat de ob-aangiften over 2014 en 2015 en het eerste kwartaal van 2016 veel lager zijn dan de feitelijk behaalde omzetten. Ook de lh-aangiften over 2014 zijn onjuist.

Tijdens de verhoren door de FIOD bekent de accountant onder meer dat:

  • hij een deel van de ob-aangiften heeft ingediend;
  • hij de klant heeft gewezen op de mogelijkheid ob-omzet door te schuiven en later te corrigeren;
  • de klant de omzetten kon manipuleren toen het boekhoud- annex aangiftepakket niet meer werkte;
  • hij de cijfers van de klant niet controleerde;
  • hij soms wel het idee had dat hij voor het lapje werd gehouden;
  • alle lh-aangiften over 2014 onjuist waren.

De accountant richt in 2016 een bv op, die via de deurwaarder de inventaris kocht van het uitzendbureau. Hij heeft die inventaris vervolgens in bruikleen gegeven aan het uitzendbureau dat krap bij kas zat.

Het OM dient een klacht tegen de accountant in bij de Accountantskamer, die een doorhaling oplegt, waarbij de accountant zich niet binnen tien jaar mag herinschrijven. De accountant gaat in hoger beroep tegen die beslissing.

Hoger-beroepsgronden

De Accountantskamer heeft de klacht ten onrechte gegrond verklaard en ten onrechte een doorhaling met een herinschrijvingsverbod van tien jaar opgelegd.

Oordeel

Het hoger beroep is gegrond voor wat betreft de maatregel en de kwalificatie niet-integer en niet-professioneel handelen met de oprichting van de bv.

Behandeling niet geschorst

De accountant heeft op de zitting gevraagd het onderzoek ter zitting te schorsen en de behandeling van de zaak aan te houden, omdat:

  • hij wil wachten totdat de Hoge Raad een beslissing heeft genomen over zijn verzoek om herziening van het vonnis van de strafrechter – een verzoek dat de accountant nog moet indienen;
  • er volgens de accountant ten onrechte geen hoger beroep is ingesteld tegen dat vonnis, omdat hij is veroordeeld voor een kwaliteitsdelict, terwijl hij de vereiste kwaliteit niet bezat;
  • ook in de onderhavige accountantstuchtprocedure bepaalde punten over het hoofd zijn gezien; de gemachtigde zich tijdens de behandeling op de zitting fysiek niet langer in staat voelde de zitting volledig bij te wonen.

Het college stelt vast dat de accountant en zijn gemachtigde meteen na het verzoek om schorsing van het onderzoek ter zitting de zittingszaal hebben verlaten. Nadat het OM heeft kunnen reageren op het verzoek heeft het college het onderzoek ter zitting voortgezet en vervolgens gesloten. Daarbij heeft het college medegedeeld dat het zich na de zitting nader zal beraden over het aanhoudingsverzoek.

In de gestelde fysieke toestand van de gemachtigde van de accountant ziet het college onvoldoende aanleiding om het verzoek toe te wijzen. Op 31 juli 2021 heeft de gemachtigde het college schriftelijk verzocht een andere datum te bepalen vanwege een medische behandeling. Het college heeft er in zijn reactie op gewezen dat de zittingsdatum van 22 september 2021 al op 9 april 2021 was meegedeeld aan de partijen. De accountant en zijn (voormalige) gemachtigde waren dus op de hoogte van deze zittingsdatum.

Het college heeft de gemachtigde gevraagd om nadere informatie over de geplande medische behandeling en daarbij aangegeven dat hij geen vertrouwelijke medische gegevens hoefde te verstrekken. De gemachtigde heeft daarop laten weten principiële bezwaren te hebben tegen het beantwoorden van de vragen en de gevraagde informatie niet gegeven. Het college meldde daarna dat de zaak volgens planning zou worden behandeld op 22 september 2021.

De accountant heeft hier niet op gereageerd. Pas op de zitting heeft het college gehoord dat:

  • de gemachtigde de medische behandeling heeft laten uitstellen;
  • pijn hem mogelijk kon belemmeren om de zitting in haar geheel bij te wonen;
  • die situatie zich op een gegeven moment voordeed;
  • hij (mede) op grond daarvan heeft verzocht het onderzoek ter zitting te schorsen.

Omdat de accountant en zijn gemachtigde meteen na het verzoek de zittingszaal hebben verlaten, heeft het college niet de mogelijkheid gehad dit verzoek te bespreken en eventueel nadere afspraken te maken over de ontstane situatie. Ook hebben zij de beslissing van het college op het verzoek niet afgewacht in plaats van het college enig respijt te geven. Tegen deze achtergrond en gezien het belang van het OM bij voortzetting van de behandeling van de zaak vindt het college dat de goede procesorde niet wordt geschaad door het verzoek af te wijzen.

Het mogelijke verzoek tot herziening van het onherroepelijke vonnis van de strafrechter heeft geen rechtstreekse betekenis voor deze tuchtprocedure, omdat strafzaken en accountantstuchtzaken afzonderlijke, onderling onafhankelijke, procedures zijn met eigen karakteristieken. Het gaat om verschillende normschendingen en verschillende doelen. Het strafrecht dient vooral een punitief doel en het tuchtrecht vooral de bewaking en bevordering van de kwaliteit van de accountancy. De tuchtrechter is bevoegd een eigen oordeel te geven over de verenigbaarheid van het handelen van een accountant met de gedrags- en beroepsregels (zie deze uitspraak).

Al met al ziet het college geen reden het onderzoek ter zitting te schorsen.

Verklaringen tijdens verhoren

Op basis van de verklaringen die de accountant heeft afgelegd tijdens de verhoren is de Accountantskamer tot de conclusie gekomen dat:

  • in de jaren 2014, 2015 en 2016 onjuiste aangiften omzetbelasting en loonheffingen zijn gedaan;
  • de accountant dit wist of dit althans vermoedde;
  • de accountant de klant heeft geadviseerd in strijd met de werkelijkheid nihilaangiften te doen;
  • de accountant ook zelf bewust onjuiste aangiften heeft gedaan.

Volgens de accountant kan hem niet worden verweten dat voor de eenmanszaak nihilaangiften zijn ingediend, omdat de klant hem had verteld dat alle arbeidscontracten vanuit de eenmanszaak waren omgezet naar de vennootschap. Pas in 2017, hangende het strafrechtelijke FIOD-onderzoek, werd het de accountant duidelijk dat de eenmanszaak toch nog één persoon in dienst had.

Wat betreft de vennootschap heeft de accountant naar zijn zeggen weliswaar de klant geassisteerd bij het doen van nihilaangiften. Maar de Accountantskamer heeft ten onrechte genegeerd dat de accountant zich er wel degelijk van heeft vergewist dat de fiscus daardoor niet zou worden benadeeld. Zo wist de accountant dat er voldoende middelen op de G-rekening van de vennootschap stonden en binnen bleven komen om de verschuldigde belasting (uiteindelijk) te kunnen voldoen.

Ook nadat de klant vroeg of de rekening gedeblokkeerd kon worden, stond de accountant er naar eigen zeggen op dat de middelen beschikbaar bleven om belasting te betalen. De accountant heeft de klant herhaaldelijk gezegd dat er op korte termijn correctiesuppleties moesten worden ingediend. Dat de klant onvoldoende luisterde, betreurt de accountant achteraf. Volgens de accountant heeft de Accountantskamer niet met de juiste bril gekeken naar zijn handelen.

Het OM heeft er in zekere zin begrip voor dat de accountant zijn vriend en diens zoon met raad en daad heeft willen bijstaan in een moeilijke en onzekere periode. Dat kan echter niet het plegen en faciliteren van belastingfraude rechtvaardigen.

Het college stelt vast dat de accountant zich verweert tegen het indienen van nihilaangiften loonheffingen voor de eenmanszaak. Maar dat is geen onderdeel van de klacht, dus slaagt deze hoger-beroepsgrond niet.

De accountant mag dan hebben gekeken of de fiscus niet zou worden benadeeld door de onjuist ingevulde aangiften, omdat er voldoende middelen op de G-rekening stonden. Dat neemt niet weg dat de Belastingdienst:

  • zonder overleg, als extern financier is gebruikt;
  • voor bijna 2,3 ton is benadeeld, terwijl niet is gebleken dat de accountant er ooit voor heeft gezorgd dat de onjuiste voorstelling in de aangiften werd hersteld.

Oprichting vennootschap

Volgens de accountant is hij met goede bedoelingen overgegaan tot oprichting van de vennootschap. Het idee was dat de klant in dienst van de bv zou treden en bij zijn ziekte passende werkzaamheden zou kunnen uitvoeren. In het onverhoopte geval dat hij arbeidsongeschikt zou raken, zou hij niet onder het bestaansminimum hoeven te zakken. Dit was geen uitkeringsfraude. Daarbij komt dat de klant uiteindelijk nooit in dienst is getreden bij de bv en ook geen uitkering heeft gekregen via deze vennootschap.

Het college is het niet eens met de Accountantskamer dat de accountant op dit punt in strijd heeft gehandeld met de fundamentele beginselen van integriteit en professionaliteit. Zonder nadere motivering ziet het college niet in waarom het oprichten van de bv om een uitkering bij ziekte veilig te stellen op zichzelf niet oprecht is en het accountantsberoep in diskrediet brengt.

Dit kan echter wel worden aangemerkt als schending van het objectiviteitsbeginsel, omdat de accountant de bv niet uit eigen belang heeft opgericht, maar om een uitkering voor de klant veilig te stellen. Daarmee heeft hij zich te zeer vereenzelvigd met de belangen van zijn cliënt zonder dat is gebleken dat hij zijn objectiviteit heeft gewaarborgd. Er is dus weliswaar geen sprake van niet integer handelen, maar het klachtonderdeel is niettemin terecht gegrond verklaard.

Maatregel

Een doorhaling met de maximale termijn waarop de accountant zich niet opnieuw kan inschrijven komt volgens de accountant neer op een Berufsverbot. Daarbij komt dat de strafrechter hem al heeft veroordeeld tot een taakstraf van 240 uur. De accountant vraagt de termijn te verkorten, zodat hij zijn huidige klanten kan inlichten en bepaalde opdrachten kan afronden en overdragen.

Het OM geeft aan dat de strafrechter juist geen beroepsverbod heeft opgelegd om een eventuele beslissing daarover van de Accountantskamer niet op voorhand te doorkruisen. Een kortere periode om de huidige klanten in te lichten, opdrachten af te ronden dan wel over te dragen, vindt het OM onzin, omdat het aanvangsmoment van de maatregel voor zowel vijf, zeven als tien jaar hetzelfde is.

Het college is het met de Accountantskamer eens dat een doorhaling van de inschrijving passend en geboden is. De handelwijze van de accountant is ernstig tuchtrechtelijk verwijtbaar, want de accountant heeft:

  • over een langere periode bewust onjuiste belastingaangiften ingediend;
  • daardoor de Belastingdienst voor een fors bedrag van bijna 2,3 ton benadeeld;
  • de fundamentele beginselen van integriteit, vakbekwaamheid en zorgvuldigheid, en objectiviteit geschonden.

Daar staat tegenover dat de accountant geen persoonlijk voordeel heeft genoten van zijn handelen. Tien jaar niet mogen herinschrijven, is in dit geval niet proportioneel; vijf jaar is lang genoeg.

Annotatie Lex van Almelo

Een registeraccountant helpt de zoon van een oude vriend. De zoon heeft een uitzendbureau voor vrachtwagenchauffeurs en geeft te weinig aan voor de omzetbelasting en loonheffing. De accountant faciliteert dat feitelijk en doet zelf ook onjuist aangifte voor de bv van de zoon. De accountant heeft deze bv opgericht, zodat de zoon daar in dienst kan komen en bij eventuele ziekte een uitkering krijgt. Dat gebeurt uiteindelijk niet. Er kan ook nog een andere reden zijn: via de deurwaarder de inventaris kopen en in bruikleen geven aan het uitzendbureau dat krap bij kas zit.

De Accountantskamer deelt een forse douw uit door een doorhaling op te leggen met de maximale termijn, waarbinnen geen herinschrijving mogelijk is. In hoger beroep halveert het college die termijn van tien naar vijf. Het college tilt ietsje minder zwaar aan de oprichting van de bv ten behoeve van de uitkering door dit niet zozeer te zien als niet-integer en schadelijk voor het beroep als wel als niet-objectief. En omdat de accountant persoonlijk geen voordeel heeft gehad bij de fraude, vindt het college tien jaar disproportioneel.

De accountant is zeker geen lieverdje. De strafrechter heeft hem de maximale taakstraf opgelegd van 240 uur, terwijl de klant eraf komt met 150 uur en een voorwaardelijke celstraf van drie maanden. Zijn straf is definitief, maar de accountant beweert bij het college dat hij een herzieningsverzoek gaat indienen en vraagt daarom de behandeling van de zaak uit te stellen. Ook vraagt hij om uitstel, omdat zijn raadsman te ziek zou zijn om een (hele) zitting bij te wonen. Na het gooien van dit bommetje hebben de accountant en zijn raadsman meteen de zittingszaal verlaten. Het college heeft het verzoek dus niet met hen kunnen bespreken. Omdat de raadsman al maandenlang wist wanneer de hoger-beroepszitting zou worden gehouden en niet duidelijk heeft willen maken waarom zijn medische behandeling juist op dat moment nodig was, wijst het college het schorsingsverzoek af. Dat het een smoes was, is niet bewezen. Maar het gedraai bij het verzoek om uitstel komt niet erg oprecht over. Het college maakt daarom terecht korte metten met de uitstelpoging.

reacties

Reageren op een artikel kan tot drie maanden na plaatsing. Reageren op dit artikel is daarom niet meer mogelijk.

    Aanmelden nieuwsbrief

    Ontvang elke werkdag (maandag t/m vrijdag) de laatste nieuwsberichten, opinies en artikelen in uw mailbox.

    Bent u NBA-lid? Dan kunt u zich ook aanmelden via uw ledenprofiel op MijnNBA.nl.