Tuchtrecht

Dubbelrol bij afgewezen wrakingsverzoek

Twee tuchtrechters van het Instituut van Internal Auditors dienen een wrakingsverzoek in tegen een voorzitter van de Accountantskamer, die zich in deze zaak eerder boog over de klacht tegen een andere accountant. Bij de afwijzing van hun wrakingsverzoek speelt een accountantslid van de kamer een dubbelrol.

Accountantskamer

Zaaknummers:
22/853 Wtra AK
Datum uitspraak:
20 mei 2022
Oordeel:
afwijzing verzoek
Maatregel:
niet van toepassing
Status:
definitief
Vindplaats:
ECLI:NL:TACKN:2022:21

» Direct naar annotatie

Lex van Almelo

Belangrijkste feiten

Twee werknemers van een Nederlands onderdeel van een internationaal energieconcern beklagen zich medio 2013 over een directielid van een Duitse dochter van het bedrijf. Het management van de Duitse dochter laat de klacht onderzoeken en neemt maatregelen tegen de manager. Eén van de klagers is echter ontevreden over de afhandeling van de klacht en dient een klacht in bij de groep en bij de externe ombudsman van het concern.

Daarin beklaagt hij zich er niet alleen over dat zijn eerdere klacht niet goed is afgehandeld, maar ook dat de Duitse dochter de Code of Conduct van het bedrijf niet heeft nageleefd. Door bilateraal contact te hebben met één van de bieders heeft de dochter namelijk de wet overtreden bij de aanbesteding van de bouw van een nieuwe gasturbinecentrale.

In oktober 2014 oordeelt de ombudsman dat de eerste klacht inderdaad niet naar behoren is afgehandeld en dat de klachtafhandeling onredelijk lang heeft geduurd. Hij velt geen inhoudelijk oordeel over deze klacht. Een lid van het Europese groepsmanagement van het concern draagt het internal-auditteam van de Duitse dochter vervolgens op de tweede klacht te onderzoeken.

Eind 2014 concludeert het hoofd van de internal-auditafdeling van de Duitse dochter dat de klacht onvoldoende is onderbouwd. Een jaar later stopt het energiebedrijf het bouwproject en besluit de bestaande centrale te renoveren. Drie maanden later verklaart het bedrijf de twee klagers boventallig, maar het UWV weigert de ontslagvergunning.

Volgens de klokkenluiders moesten zij in opdracht van hun werkgever bilaterale besprekingen voeren met één van de bieders op het project. In september 2017 geeft een jurist van het energiebedrijf een registeraccountant de opdracht een‘objective investigation’ in te stellen naar de manier waarop de tweede klacht is afgehandeld. De klokkenluiders hekelen het validatie-onderzoek en dienen een klacht tegen de accountant in bij de Accountantskamer. De tuchtrechter legt de accountant een tijdelijke doorhaling op voor drie maanden. De accountant heeft hiertegen hoger beroep aangetekend.

De klokkenluiders dienen ook klachten in tegen een internal auditor. De Raad van Tucht van het Instituut van Internal Auditors (IIA) verklaart de klacht ongegrond; de Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak. In beide raden zitten onder anderen vier accountants. De klokkenluiders dienen vervolgens een tuchtklacht in tegen deze tuchtrechters (van wie er inmiddels één geen accountant meer is).

De tuchtklachten tegen de IIA-tuchtrechters worden behandeld door een kamer die wordt voorgezeten door dezelfde voorzitter die in februari 2021 de validatie-accountant schorste. De twee aangeklaagde accountants uit de IIA-Raad van Beroep laten hun advocaat een wrakingsverzoek indienen tegen de behandelend voorzitter van de Accountantskamer.

Verzoek

De voorzitter moet worden gewraakt, omdat zijn onpartijdigheid in het geding is, want hij:

  • is betrokken geweest bij de eerdere klacht van de klokkenluiders;
  • heeft de schijn gewekt dat hij kennis heeft van dit dossier en zijn oordeel niet alleen zal vormen op basis van de dossierstukken van de lopende zaak;
  • laat zich mogelijk ook beïnvloeden door een concept-memo van een internal auditor uit 2015, waarover NRC later schreef.

Oordeel

Het verzoek wordt afgewezen.

De voorzitter berust niet in het wrakingsverzoek en zegt dat het concept-memo van de internal auditor geen rol heeft gespeeld bij de behandeling van en de beslissing over de eerdere klacht van de klokkenluiders. Omdat in de eerdere zaak geen oordeel is geveld over dit memo zijn er geen concrete feiten en omstandigheden waaruit een objectieve vrees voor partijdigheid kan worden afgeleid.

Op grond van artikel 34 van de Wtra kan de voorzitter of elk van de leden die een zaak behandelt, worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de onpartijdigheid van de Accountantskamer schade zou kunnen lijden. Bij de behandeling van het verzoek zijn de artikelen 513 tot en met 515 van het Wetboek van Strafvordering van toepassing. Op grond van artikel 513 lid 1 Sv moet het verzoek worden gedaan zodra de verzoeker bekend raakt met de feiten en omstandigheden waarop deze zijn/haar verzoek baseert. In de rechtspraak wordt dit zo uitgelegd, dat een wrakingsverzoek ‘onverwijld’ moet worden ingediend nadat de verzoeker kennis heeft genomen van de feiten en omstandigheden waarop het verzoek berust.

In artikel 20 lid 5 van het Procesreglement van de Accountantskamer staat dat een wrakingsverzoek moet worden gedaan vóór de einduitspraak en zodra de verzoeker de daaraan ten grondslag gelegde feiten of omstandigheden kent. De verzoeker heeft op donderdagmiddag 19 mei 2022 een wrakingsverzoek ingediend, terwijl de zaak op vrijdagmiddag inhoudelijk zal worden behandeld. Op 22 februari 2022 heeft de Accountantskamer al echter laten weten dat deze voorzitter deel zal uitmaken van de behandelende kamer. De vraag of het wrakingsverzoek wel onverwijld is ingediend, beantwoordt de wrakingskamer niet; het wrakingsverzoek wordt namelijk al om andere redenen afgewezen.

Geen vrees voor partijdigheid

Een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. De rechter is uit hoofde van haar/zijn aanstelling in principe onpartijdig, tenzij een uitzonderlijke omstandigheid een zwaarwegende aanwijzing oplevert dat een rechter vooringenomen is tegenover een partij bij een geding. De vrees dat dit het geval is, moet objectief gerechtvaardigd zijn. Er moeten dus concrete feiten en omstandigheden bestaan waaruit de vrees voor partijdigheid van de rechter objectief kan worden afgeleid.

Daarnaast kan er reden zijn voor wraking als de vrees voor partijdigheid van die rechter - los van dier/diens persoonlijke opstelling in de hoofdzaak - objectief gerechtvaardigd is. Daarbij moet ook rekening worden gehouden met uiterlijke schijn.

Volgens de advocaat van de tuchtrechters gaat de lopende procedure over een concept-memo van een internal auditor. Dit memo bevindt zich ook in het dossier van de andere klacht van de klokkenluiders, waarover eerder werd geoordeeld. Het enkele feit dat een dossierstuk ook deel uitmaakt van een ander dossier en de rechter daardoor mogelijk kennis heeft van omstandigheden die niet uit het procesdossier blijken, levert geen aanwijzing op voor partijdigheid of vooringenomenheid van de voorzitter tegenover de verzoekers. Het is immers bij uitstek de taak van een rechter om een beslissing te baseren op de grondslag van het procesdossier.

Een grond voor wraking zou kunnen zijn dat de rechter in een eerdere uitspraak een oordeel heeft gegeven over de rol of betrokkenheid van de verzoekers, maar dat is hier niet het geval. De voorzitter heeft verklaard dat in de eerdere klacht geen oordeel is gegeven over het concept-memo. De advocaat van de verzoekers heeft dat op de zitting ook erkend.

Dat in een NRC-artikel is ingegaan op dit concept-memo en de voorzitter dit artikel mogelijk heeft gelezen, leidt niet tot een andere conclusie. Dit artikel is immers geen onderdeel van het procesdossier en houdt op geen enkele wijze verband met de behandeling van de vorige zaak die werd behandeld door de voorzitter. Je kunt hieruit in ieder geval niet afleiden dat de voorzitter vooringenomen of partijdig is.

Annotatie Lex van Almelo

De achtergrond van deze zaak is een vermeende misstand, die heeft geleid tot het ontslag van twee klokkenluiders bij een energieconcern. De klokkenluiders vonden dat de internal-auditafdeling van het bedrijf één van hun klachten niet goed afhandelde. Het bedrijf schakelde een registeraccountant die moest onderzoeken of de afhandeling van die klacht deugde. De accountant vond van wel. Nadat de klokkenluiders een tuchtklacht hebben ingediend tegen deze validerend accountant haalt de Accountantskamer diens inschrijving door voor drie maanden.

De klokkenluiders dienen ook een tuchtklacht in tegen een internal auditor van het bedrijf bij het Instituut van Internal Auditors. De Raad van Tucht van de IIA verklaart die klacht ongegrond en de Raad van Beroep bevestigt dit in hoger beroep. Vier leden van de IIA-tuchtcolleges waren destijds registeraccountant (drie zijn het nog steeds). De klokkenluiders dienen een tuchtklacht tegen de vier in bij de Accountantskamer. De formele voorzitter van de Accountantskamer zet dezelfde persoon op deze zaak, die als voorzitter de validerend registeraccountant een tijdelijke doorhaling oplegde, samen met twee rechters en twee accountants-leden. Op 22 februari dit jaar krijgen de IIA-tuchtrechters te horen dat de klacht tegen hen op 20 mei zal worden behandeld en wie de voorzitter is van de behandelende kamer. Pas op de middag voor de zitting dient de advocate van de Raad van Beroep een wrakingsverzoek in tegen de voorzitter. Dat dit rijkelijk laat en niet bepaald ‘onverwijld’ is, zoals het procesreglement voorschrijft, zal iedereen duidelijk zijn. De wrakingskamer behandelt het verzoek niettemin inhoudelijk en wijst het af.

Dat de voorzitter het dossier kent en op die manier kennis heeft genomen van het concept-memo van de eerder aangeklaagde internal auditor levert geen objectieve reden op om te twijfelen aan de onpartijdigheid van de voorzitter. Dat de voorzitter over de inhoud van het memo kan hebben gelezen in de NRC evenmin. De accountants van de Raad van Beroep berusten volgens hun advocate in de beslissing van de wrakingskamer en geven geen commentaar. Inhoudelijk valt er ook weinig op het oordeel af te dingen.

Toch zit er een luchtje aan de uitspraak. In de rechtspraak is het gebruikelijk – zo niet geboden – om het oordeel over een wrakingsverzoek in handen te geven van andere rechters die niets met de inhoud van de zaak van doen hadden. Soms wordt voor een oordeel over het verzoek zelfs uitgeweken naar een speciale wrakingskamer bij een ander gerecht, om elke schijn van partijdigheid of vooringenomenheid te voorkomen. In dit geval speelt een accountantslid van de Accountantskamer echter een dubbelrol: hij was net als de voorzitter betrokken bij het opleggen van de tijdelijke doorhaling aan de validerend registeraccountant en oordeelt nu mee over het wrakingsverzoek tegen die voorzitter. De dubbele petten roepen principiële twijfels op.

Navraag bij de Accountantskamer leert dat het in het kleine team onmogelijk was om binnen een paar uur een andere wrakingskamer samen te stellen. Een aangezocht accountantslid was weliswaar beschikbaar, maar had een connectie met één van de betrokken partijen en voelde zich daarom niet vrij. Een tweede accountantslid dat beschikbaar was, voelde zich wel vrij om het wrakingsverzoek te behandelen. Ook al had hij eerder in deze zaak een vernietigend oordeel geveld over de validerend accountant. Maar het oordeel over die accountant stond volgens hem inhoudelijk geheel los van de vraag of de voorzitter wellicht (in schijn) vooringenomen was tegenover de IIA-tuchtrechters. Dus hij zag geen beletsel.

Ik kan mij iets voorstellen bij zo’n pragmatische benadering als de nood aan de man is. Maar ik had mij nog beter kunnen voorstellen dat dit accountantslid alle schijn van vooringenomenheid uit principe had willen vermijden en had gezegd: ik doe het niet. Want het zal nu eenmaal vragen oproepen bij de buitenwereld, zoals de lezer merkt.

Het is natuurlijk een rare situatie: je plant een zitting en vlak daarvoor komt er een wrakingsverzoek binnen. Je weet dat het verzoek moet worden afgewezen omdat het veel te laat is ingediend. Toch moet je een team samenstellen om dat vast te stellen. Hals over kop, want je wilt de zitting over de inhoud vervolgens gewoon laten doorgaan. Het is praktisch gezien allemaal goed verdedigbaar en de wrakingskamer heeft de zaak ook zeker niet inhoudelijk afgeraffeld. En als het wrakingsverzoek een verkapte poging van de aangeklaagden was om de inhoudelijke behandeling op grond van strategische overwegingen uit te stellen dan wil je het verzoek als tuchtrechter natuurlijk niet honoreren.

Maar naar mijn oordeel moet je principieel zijn. Daarom had de inhoudelijke behandeling van het wrakingsverzoek moeten worden uitgesteld, zodat een compleet onafhankelijke wrakingskamer het verzoek had kunnen afwijzen. De wens om de planning niet in de soep te laten lopen, is begrijpelijk, maar niet belangrijk genoeg om afbreuk te doen aan het beeld dat een volledig onafhankelijke rechter zich over een verzoek buigt waarin wordt getwijfeld aan de onpartijdige beoordeling.

reacties

Reageer op dit artikel

Spelregels debat

    Aanmelden nieuwsbrief

    Ontvang elke werkdag (maandag t/m vrijdag) de laatste nieuwsberichten, opinies en artikelen in uw mailbox.

    Bent u NBA-lid? Dan kunt u zich ook aanmelden via uw ledenprofiel op MijnNBA.nl.