Fiscale geldstromen

Overheid helpt multinationals bij verhullen van fiscale geldstromen

De richtlijn jaarrekening is geen schoolvoorbeeld van zorgvuldige wetgeving. Dat blijkt opnieuw bij een formulering rondom vrijstellingen. De wetgever is aan zet.

Gert-Peter den Hollander

De kop van dit stuk komt uit de NRC van 26 maart jl. Volgens de NRC voldoen veel tussenhoudstermaatschappijen aan de criteria voor micro- en kleine rechtspersonen en kunnen zij volstaan met het deponeren van zeer summiere balansgegevens (micro-rechtspersonen) respectievelijk een beperkte balans met toelichting (kleine rechtspersonen).

De NRC heeft gelijk: de Nederlandse wetgever heeft bij de formulering van de jaarrekeningregels in Titel 9 ruim gebruikgemaakt van de vrijstellingen die door de Europese richtlijn jaarrekening (2013/34/EU) worden gegeven. Wellicht dat het maatschappelijk verkeer inmiddels de mening is toegedaan dat die ruimte moet worden ingeperkt voor tussenhoudstermaatschappijen. De richtlijn jaarrekening geeft lidstaten de mogelijkheid dat te doen (via de zogenaamde lidstaatoptie van artikel 3 lid 12; ik bespreek deze hierna meer in detail), maar de Nederlandse wetgever heeft die optie niet overgenomen in Titel 9. Mocht de wetgever van mening zijn dat het zinvol is die optie alsnog in Titel 9 op te nemen, dan zou daarvoor een wetswijziging noodzakelijk zijn.

Hoe werken de regels precies?

Zoals bekend worden er in Titel 9 (in overeenstemming met de richtlijn jaarrekening) drie criteria gehanteerd voor de grootte-indeling van rechtspersonen, namelijk activa, netto-omzet en aantal werknemers. Als twee van de drie criteria minder bedragen dan € 6.000.000, € 12.000.000 respectievelijk 50, dan kwalificeert de rechtspersoon als klein. Voor microrechtspersonen zijn de grensbedragen nog een stuk lager: € 350.000, € 700.000 en tien werknemers.

'Als de wet niet wordt gewijzigd, zullen deze geldstromen veelal verhuld blijven.'

Artikel 2:377 lid 6 BW definieert netto-omzet als de opbrengst uit leveringen van goederen en diensten, onder aftrek van kortingen en dergelijk. Die opbrengsten zijn bij tussenhoudsters veelal verwaarloosbaar, zodat op basis van de wet (terecht) gebruik kan worden gemaakt van de vrijstelling.

De Raad voor de Jaarverslaggeving (RJ) geeft in alinea 270.201 nadere uitleg over het begrip netto-omzet voor (tussen)houdstermaatschappijen:

  • dividendinkomsten van (tussen)houdstermaatschappijen maken geen deel uit van de netto-omzet; 
  • rente-inkomsten op vorderingen die een uitbreiding zijn van de investering in deelnemingen maken evenmin deel uit van de netto-omzet.

Eigenlijk is dit een overbodige alinea in RJ 270, vanwege de wettelijke definitie in artikel 2:377 lid 6 BW: het is evident dat dividend- en rente-inkomsten geen deel uitmaken van de levering van goederen en diensten.

Op basis van de wet (en de richtlijnen van de RJ) kunnen tussenhoudsters dividend- en rente-inkomsten buiten beschouwing laten bij het bepalen van de netto-omzet. Omdat zij meestal geen personeel hebben, voldoen zij daarmee aan twee van de drie genoemde criteria en kwalificeren als kleine rechtspersoon. Derhalve kunnen zij volstaan met deponering van een beperkte balans met toelichting. Tot zover geen bijzonderheden; alles is geheel volgens de letter (en de geest) van de wet.

Lidstaatoptie

Artikel 3 lid 12 van de richtlijn jaarrekening geeft lidstaten echter de mogelijkheid om het gebruik van deze vrijstelling drastisch in te perken: "Voor de berekening van de in de leden 1 tot en met 7 vermelde drempelwaarden kunnen de lidstaten eisen dat ondernemingen waarvoor de netto-omzet niet relevant is, inkomsten uit andere bronnen omvatten." De wetgever kan volgens de richtlijn jaarrekening dus bepalen dat dividend- en rente-inkomsten bij tussenhoudsters gewoon deel uitmaken van de netto-omzet.

Bij de implementatie van de richtlijn jaarrekening in Titel 9 in 2015 zei de Memorie van Toelichting (MvT) (Kamerstukken II 2014/15, 34 176, nr. 3, pagina 44) in de concordantietabel (die aangeeft waar in Titel 9 welke bepaling uit de richtlijn jaarrekening is opgenomen) het volgende over artikel 3 lid 12: "behoeft geen implementatie (lidstaatoptie, reeds opgenomen in nationale wetgeving, zie paragraaf 2.1)". Een onjuiste weergave van de feiten, want het is evident dat deze lidstaatoptie niet in Titel 9 is opgenomen.

'Ik heb al eerder geconcludeerd dat de richtlijn jaarrekening geen schoolvoorbeeld van zorgvuldige wetgeving is.'

Elders in de MvT wordt niet ingegaan op deze specifieke lidstaatoptie, terwijl daar wel aanleiding voor was, omdat deze lidstaatoptie 'nieuw' is ten opzichte van de Vierde EG-richtlijn, de voorganger van de richtlijn jaarrekening. Het zou dus goed zijn geweest als de wetgever had gemotiveerd waarom er voor is gekozen deze lidstaatoptie niet te implementeren in Titel 9. Ik heb al eerder geconcludeerd dat de richtlijn jaarrekening geen schoolvoorbeeld van zorgvuldige wetgeving is. En dit punt kan aan de lange lijst van te verbeteren fouten en slordigheden worden toegevoegd.

Administratieve lasten

Nu is het wel zo dat vermindering van administratieve lasten een belangrijk criterium is geweest voor de wetgever om bepaalde vrijstellingen uit de richtlijn jaarrekening in Titel 9 op te nemen en dat zou ook kunnen gelden voor het niet-implementeren van deze lidstaatoptie.

Mocht de wetgever van mening zijn dat bij tussenhoudsters dividend- en rente-inkomsten deel moeten uitmaken van de netto-omzet (wat ik me goed zou kunnen voorstellen, omdat deze grootheden voor een tussenhoudster relevanter zijn dan de opbrengst van goederen en diensten), dan kan de wetgever eenvoudig overgaan tot het implementeren van deze lidstaatoptie in Titel 9.

De consequentie daarvan is dat veel tussenhoudsters geen gebruik meer zullen kunnen maken van de vrijstellingen voor micro- of kleine rechtspersonen en een uitgebreide (gecontroleerde) jaarrekening zullen moeten deponeren. Dat zorgt voor extra administratieve lasten voor concerns die gebruikmaken van Nederlandse houdster- en financieringsmaatschappijen en maakt Nederland misschien minder aantrekkelijk als vestigingsplaats voor dergelijke houdster- en financieringsmaatschappijen. Maar misschien zou dat juist onderdeel kunnen zijn van een beleid om Nederland niet te positioneren als fiscaal paradijs.

Hoe dan ook, de wetgever is aan zet. Als de wet niet wordt gewijzigd, zullen deze geldstromen veelal verhuld blijven. Het is de vraag of dat in het publiek belang is.

Gert-Peter den Hollander RA is directeur van Everest Advies in Bilthoven.

reacties

Reageer op dit artikel

Spelregels debat

    Aanmelden nieuwsbrief

    Ontvang elke werkdag (maandag t/m vrijdag) de laatste nieuwsberichten, opinies en artikelen in uw mailbox.

    Bent u NBA-lid? Dan kunt u zich ook aanmelden via uw ledenprofiel op MijnNBA.nl.