Opinie

De wet is de wet, toch? (2)

Volgens de nieuwste mode, die we inmiddels allemaal kennen van de catwalk van de commissie De Wit, hoor je onderscheid te maken tussen 'met de kennis van nu' en 'met de kennis van toen'.

Heel soms wordt je kennis van toen ingehaald door de kennis van nu op een manier die maakt dat wat toen een afwijkend standpunt was, nu ineens normale realiteit is geworden. 

Ongeveer een jaar geleden leerde de kennis van toen mij dat de WWFT ruimte laat voor de gedachte dat een accountant die een ongebruikelijke transactie waarneemt bij zijn klant, niet meldingsplichtig is in het kader van de WWFT. Wel leek mij toen dat de accountant op grond van COS 250.30 en 31 in een dergelijke situatie zal moeten handelen. 

Ik heb bij die gelegenheid mijn zorg uitgesproken over de neiging van de toezichthouder, het Bureau financieel toezicht (BFT), de wet naar eigen believen wat ruim uit te leggen. Reacties op mijn verhaal toen varieerden van "hoe haal je het in je hoofd het beter te weten dan BFT?" tot "ja, leuk, maar wij gaan geen ruzie zoeken met BFT". 

Naar inmiddels blijkt weet ik het allerminst beter dan BFT, want BFT weet het zelf ook allemaal niet meer. 

Wat is er gebeurd? Het CBB deed een uitspraak over de werking van de Wet MOT, en die uitspraak zou wel eens verstrekkende gevolgen kunnen hebben voor de interpretatie van de WWFT (die de Wet MOT inmiddels heeft vervangen). Marcel Pheijffer  sprak zijn droefenis uit over het risico dat de WWFT een stuk minder ruim geïnterpreteerd zou kunnen worden dan BFT graag wil. 

Ik heb daar aangegeven dat ik, los van de vraag of droefenis terecht is, goede gronden zie om te veronderstellen dat de CBB-uitspraak ook in het WWFT-domein tot een andere interpretatie kan leiden. Ik heb, met name, mijn zorg willen uitspreken over toezichthouders die mogelijk menen dat hun interpretatie van de wet boven de wet zelf gaat, en boven de rechter. Ik verwijs graag naar die reactie. 

Nadat Marcel Pheijffer verwijten kreeg in de richting dat hij de rechtsstaat onvoldoende zou respecteren, kwam hij met een reactie, waarin tevens de conclusie van Joop Anemaet werd onderschreven: "Kortom, deze wet zit niet goed in elkaar. Het is tijd voor reparatiewetgeving." 

Mijn zorgen over een toezichthouder die de wet wel wat erg ruim interpreteert, wordt vandaag aangevuld met zorg over een minister die én de wet wat erg ruim interpreteert én niet schijnt door te hebben dat hij de wet niet hoort te interpreteren maar te verbeteren - als daar aanleiding voor is. Jan van Vliet van BDO wijst op de bijzondere rechtsstatelijke visies van onze minister van Financiën. 

Het begint, met alle respect voor betrokken betrokkenen, inmiddels een beetje een klucht te worden. Onbegrijpelijke en onwerkbare wetgeving wordt door een toezichthouder onnavolgbaar opgerekt, door de rechter opvallend omgekat, en daarna door een overijverige minister van een opzienbarende interpretatie voorzien. 

Het feit dat de minister niet met reparatiewetgeving komt, versterkt mij wel in mijn visie op basis van 'de kennis van toen'. 

Met de kennis van nu kan de minister brieven schrijven aan BFT tot hij een ons weegt, maar ik zal accountants desgevraagd blijven wijzen op de optie het uit te vechten voor de rechter. Dáár, en dáár alleen, dient in een rechtstaat het laatste woord te vallen over de interpretatie van wetgeving. 

Machtige toezichthouders zijn normaal in Nederland, en wat mij betreft nuttig. Maar ze dienen onder de tucht van de rechter te staan. En accountants zouden wat mij betreft niet te bang moeten zijn principiële vragen over wetsinterpretatie voor te leggen aan de rechter.

Wat vindt u van deze opinie?

Reacties 0 0 Spelregels debat

reacties

Reageren op een artikel kan tot drie maanden na plaatsing. Reageren op dit artikel is daarom niet meer mogelijk.

    Aanmelden nieuwsbrief

    Ontvang elke werkdag (maandag t/m vrijdag) de laatste nieuwsberichten, opinies en artikelen in uw mailbox.

    Bent u NBA-lid? Dan kunt u zich ook aanmelden via uw ledenprofiel op MijnNBA.nl.