Opinie

RJ-aanbeveling werknemersaantallen moet dringend herzien

Verslaggevingsregels kunnen bestaan uit een verzameling regels (rules-based) of een aantal beginselen waaruit de toepassing wordt afgeleid (principles-based). US GAAP is een voorbeeld van het eerste, het Nederlandse 2BW titel 9 (op een paar uitzonderingen na) van het tweede.

Conceptueel is een stelsel beginselen sterker en we zullen niet snel een accountant tegenkomen die vindt dat alles in regels moet worden vastgelegd. Immers, formuleer je regels, dan weet je dat zal worden geprobeerd net binnen de grenzen te blijven om toch je zin te krijgen. De praktijk is sterker dan de leer en al snel zal worden gevraagd: waar staat dat het zo moet?

Aldus zien we zowel in de International Financial Reporting Standards als in de richtlijnen van de Nederlandse Raad voor de Jaarverslaggeving (RJ) de regels binnensluipen.

Een treffend voorbeeld is de wijze waarop volgens de RJ het aantal werknemers van een onderneming moet worden vastgesteld. Het is een van de drie criteria om te bepalen of 2BW titel 9 een vennootschap als groot, middelgroot of klein aanmerkt. Die indeling is van groot belang.

Als de vennootschap per abuis in een te hoge groottecategorie wordt ingedeeld, dan is de jaarrekening onnodig omvangrijk. Dat brengt onnodig kosten met zich mee, maar heeft verder geen verstrekkende gevolgen.

Dat ligt anders als een vennootschap te 'laag' wordt ingedeeld. Dan bevat de jaarrekening juist onvoldoende informatie, is niet voldaan aan de boekhoudplicht en is tevens de publicatieplicht overtreden. Daarvan zijn de gevolgen groter. Bij faillissement geldt dan namelijk wanbeleid (onweerlegbaar) en het (weerlegbaar) vermoeden dat dit wanbeleid een belangrijke oorzaak van het faillissement was (artikel 2:248[2]).

Slaagt het bestuur niet in het tegenbewijs, dan volgt bestuurdersaansprakelijkheid. En als de accountant terzake verkeerd heeft geadviseerd, dan wordt die rekening doorgestuurd.

De RJ beveelt aan om het aantal werknemers te bepalen op basis van fte's voor werknemers waarmee in de zin van het Burgerlijk Wetboek een arbeidsovereenkomst is aangegaan (RJ 315.105 3e alinea). Geen beginsel of uitwerking van een beginsel dus, maar een regel.

We zien meteen hoe aldus net binnen de grenzen van de regel kan worden gebleven: men lene werknemers in van een niet-groepsmaatschappij. Zij tellen niet mee, want niet de substantie is bepalend voor de vraag of sprake is van een werknemer, maar de vorm van het contract.

De moraal: RJ 315.105 deugt niet en is aan verandering toe. Hoe die verandering eruit moet zien, zal onderwerp zijn van discussie, maar hier alvast een voorzet (uiteraard inwisselbaar voor een beter voorstel):

"Het aantal werknemers is het aantal fte's dat in loondienst is, vermeerderd met het aantal dat duurzaam is ingeleend is, verminderd met het aantal dat duurzaam is uitgeleend."

Die verandering is niet 'gewoon' nodig, maar dringend nodig.

Ten eerste omdat de RJ op basis van recente jurisprudentie (Amsterdams gerechtshof in de Ahold-zaken) de bevoegdheid heeft gekregen om interpretatie te plegen binnen het kader van de wet. Kortom: waar de RJ binnen het kader van de wet opereert (en dat is hier het geval) hebben haar interpretaties de kracht van wet.

En ten tweede omdat op de werkvloer praktische problemen spelen. Op basis van de huidige RJ-regels tellen uitzendkrachten in dienst van een uitzendbureau mee voor de bepaling van het werknemersaantal van het uitlenende (uitzend)bedrijf, hoe vreemd het ook klinkt.

Herziening van het RJ-standpunt moet aan deze vreemde situatie een einde maken.

Wat vindt u van deze opinie?

Reageer Spelregels debat

Jan Achten is BDO- en NBA-pensionaris.

reacties

Reageren op een artikel kan tot drie maanden na plaatsing. Reageren op dit artikel is daarom niet meer mogelijk.

    Aanmelden nieuwsbrief

    Ontvang elke werkdag (maandag t/m vrijdag) de laatste nieuwsberichten, opinies en artikelen in uw mailbox.

    Bent u NBA-lid? Dan kunt u zich ook aanmelden via uw ledenprofiel op MijnNBA.nl.