Tuchtrecht

Opdrachtgerichte kwaliteitsbeoordeling onjuist

De klachtfunctionaris van een accountantskantoor ziet als opdrachtgerichte kwaliteitsbeoordelaar fouten van een collega door de vingers, die daarvoor later zes maanden wordt doorgehaald. De kwaliteitsbeoordelaar zelf wordt nu berispt.

Accountantskamer

Zaaknummers:
15/2007 Wtra AK
Datum uitspraak:
24 juni 2016
Oordeel:
deels gegrond
Maatregel:
berisping
Status:
definitief
Vindplaats:
ECLI:NL:TACAKN:2016:46

Lex van Almelo

Belangrijkste feiten

Een bedrijf dat drinkwaterinstallaties beheert en onderhoudt en daarover technisch adviseert, heeft drie dochter-bv's. Eén van de aandeelhouders wil in 2009 uit de onderneming stappen. De andere aandeelhouders zullen na diens vertrek een nieuwe bv oprichten, samen met de moeder-bv en de aandeelhouder van deze moeder.

Een extern bureau bepaalt de waarde van twee dochters aan de hand van een quick scan en informatie van twee aandeelhouders. De aandelen van de eerste dochter zouden ultimo 2008 3,98 respectievelijk 2,62 miljoen euro waard zijn.

Een registeraccountant beoordeelt de halfjaarcijfers met toelichting per 30 juni 2009 van drie dochter-bv's en geeft bij alledrie een verklaring van oordeelonthouding af. De projectadministratie van twee dochters en de voorraadadministratie bij de derde dochter zijn volgens de accountant “onvoldoende geschikt” om de omzet en kostprijs omzet respectievelijk de voorraadwaarde te kunnen beoordelen. Daardoor kan hij niet vaststellen of er eventueel correcties noodzakelijk zijn. De accountant schrijft dat hij “geen enkele zekerheid” geeft omdat hij niet voldoende geschikte informatie kon verkrijgen om een conclusie op te baseren.

Begin 2010 geeft de accountant een inbrengverklaring af bij de oprichting van de nieuwe moeder-bv. Daarin is hij van oordeel dat de waarde van de voorgenomen inbreng ten minste gelijk is aan het bedrag van de stortingsplicht ad 1,89 miljoen euro, exclusief het agio. De nieuwe moeder-bv koopt de aandelen van twee aandeelhouders in de drie dochters. De koopsom bestaat uit 2,2 miljoen euro en een variabele component van maximaal 4 ton.

In 2011 beginnen de aandeelhouders van moeder en dochters een civiele procedure tegen de twee aandelenverkopers. De moeder beëindigt de opdracht met het accountantskantoor, waaraan de registeraccountant verbonden is. De voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam veroordeelt het kantoor in januari 2014 om uit het dossier een aantal stukken over de moeder en de dochters af te geven.

Het moederbedrijf laat een ander accountantskantoor in 2012 onderzoeken of het teveel heeft betaald voor de aandelen in de dochter-bv's. Begin 2014 dienen moeder, dochters en twee gelieerde aandeelhouders een klacht in tegen de accountant, die door de Accountantskamer voor zes maanden wordt doorgehaald. De accountant heeft beroep aangetekend tegen dit vonnis, daarover is nog geen uitspraak gedaan.

De klachtenfunctionaris van het accountantskantoor trad bij dit dossier op als opdrachtgerichte kwaliteitsbeoordelaar. In die hoedanigheid:

  • woonde hij een bijeenkomst bij waarin de achtergrond van de opdracht en de risico’s zijn besproken;
  • bekeek hij het controleplan en de dossiers;
  • besprak hij na afronding van de opdracht met zijn collega waarom deze zich onthield van een conclusie;
  • vond hij dat de collega de juiste afweging had gemaakt.

De klagers dienen ook een klacht in tegen de kwaliteitsbeoordelaar.

Klacht

De accountant heeft:

  1. de opdrachtgerichte kwaliteitsbeoordeling niet juist uitgevoerd;
  2. als klachtfunctionaris niet naar behoren gehandeld.

Oordeel

Klachtonderdeel 1 is gegrond en klachtonderdeel 2 ongegrond.

Ad 1

Bij de klacht tegen de collega ging het er volgens de Accountantskamer in essentie om dat hij:

  • wist dat de cijfers en zijn beoordelingsverklaringen nodig waren voor het financieringsarrangement;
  • het onderhanden werk en mogelijk te hoge resultaten vooraf zelf als aandachtspunten had aangemerkt voor de beoordelingsopdracht;
  • bij het uitvoeren van de beoordelingsopdracht op signalen stuitte voor te hoge resultaten en onderhanden werk.

In de toen geldende NV COS 2400 staat onder punt 8 van randnummer 22 dat de accountant bij vermoedens van materiële onjuistheden zoveel extra werkzaamheden moet verrichten dat hij een uitspraak kan doen met een negatief geformuleerde beperkte mate van zekerheid òf constateert dat een aangepaste formulering van het oordeel noodzakelijk is. In ieder geval moet hij dan altijd aanvullende werkzaamheden verrichten.

Bij de uitvoering van zijn opdracht had de collega reden om aan te nemen dat er onjuistheden van materieel belang zouden kunnen zijn, maar heeft hij nader onderzoek achterwege gelaten. Zijn redenering daarbij was dat hij met een verklaring van oordeelonthouding toch geen enkele zekerheid verstrekte. De collega heeft daardoor niet alleen in strijd gehandeld met randnummer 22 van NV COS 2400, maar ook met 22A. Nadat hij constateerde dat de posten onderhanden werk en omzet kunstmatig waren opgehoogd – wat een mogelijk signaal was voor fraude - heeft hij geen nadere werkzaamheden uitgevoerd, zoals NVCOS 240 en 250 voorschrijven bij signalen van mogelijke fraude. De beoordelingsverklaringen van de collega hadden dus onvoldoende basis en hadden niet mogen worden afgegeven.

De kwaliteitsbeoordelaar heeft gezegd dat hij de afwegingen heeft besproken die zijn collega maakte bij de afgifte van de beoordelingsverklaringen. Hij wist dat er wellicht een materiële beperking zat in de manier waarop de posten onderhanden werk en te factureren omzet waren geregistreerd, namelijk door posten tweemaal handmatig te boeken. De kwaliteitsbeoordelaar erkent dat dit aanvankelijk ook was onderkend als risico.

De collega had volgens hem zonder succes geprobeerd onderlinge aansluitingen te maken; er bleven aansluitverschillen bestaan. Het ging om zoveel facturen dat het praktisch onmogelijk was die terug te rekenen. De vennootschappen hielden de voortgang van de projecten bij in een spreadsheet, waaraan veel mensen werkten en die geen zuivere administratie opleverde. Het was onbegonnen werk voor de collega om aan de hand van de inkoop- en verkoopfacturen na te gaan in welke periode een project was uitgevoerd, omdat de primaire vastleggingen ontbraken. Volgens de kwaliteitsbeoordelaar moet je een verklaring met onthouding van conclusie afgeven als je geen aanvullende werkzaamheden kunt doen.

Omdat volgens de Accountantskamer duidelijk is dat de collega de beoordelingsverklaringen niet zonder nader onderzoek had mogen afgeven en de kwaliteitsbeoordelaar dit met hem heeft besproken, treft hem ook een tuchtrechtelijk verwijt. De opdrachtgerichte kwaliteitsbeoordeling is namelijk onjuist uitgevoerd, terwijl de kwaliteitsbeoordelaar op de hoogte was van de relevante feiten en omstandigheden. De kwaliteitsbeoordelaar had nooit mogen toestaan dat de collega de beoordelingsverklaringen zou afgeven. Of hij had erop moeten aandringen dat de collega aanvullende werkzaamheden zou verrichten.

Dat nader onderzoek naar hun inschatting “nagenoeg niet mogelijk zou zijn”, doet niets af aan de onderzoeksverplichting uit de paragrafen 22 en 22A van de NV COS 2400. De accountants hadden niet te lichtvaardig mogen afzien van nader onderzoek. Overigens is niet aannemelijk geworden dat nader onderzoek onmogelijk was. Alleen al de contra-expertise van een ander accountantskantoor wijst op het tegendeel.

Ad 2

De klachtfunctionaris zegt dat:

  • de brief die één van de klagers naar het kantoor had gestuurd aanleiding was om bij zijn collega te vragen wat er aan de hand was;
  • hij een telefoongesprek met de klager niet ontweek, maar niet op kantoor was toen hij belde;
  • hij hem diezelfde middag een e-mail heeft gestuurd met het verzoek schriftelijk te reageren (wat niet gebeurde);
  • hij de brief niet opvatte als een gewone klacht maar als opmaat naar een claim;
  • hij het daarom beter vond de brief niet telefonisch af te doen;
  • de collega de afhandeling van de brief overnam, omdat het zijn dossier was;
  • de collega de klager een e-mail heeft gestuurd met de reactie van het kantoor.

De klagers hebben dit niet tegengesproken. De Accountantskamer vindt het gezien de inhoud van de brief inderdaad onduidelijk of het om een klacht ging. De zinsnede “Tevens overweeg ik een klacht in te dienen.” suggereert eerder dat de briefschrijver een klacht bij de Accountantskamer wilde indienen. De klagers hebben dit klachtonderdeel onvoldoende onderbouwd.

Maatregel

Berisping.

reacties

Reageren op een artikel kan tot drie maanden na plaatsing. Reageren op dit artikel is daarom niet meer mogelijk.

    Aanmelden nieuwsbrief

    Ontvang elke werkdag (maandag t/m vrijdag) de laatste nieuwsberichten, opinies en artikelen in uw mailbox.

    Bent u NBA-lid? Dan kunt u zich ook aanmelden via uw ledenprofiel op MijnNBA.nl.