Tuchtrecht

Belastingplicht stichting toch voldoende onderzocht

In tegenstelling tot de Accountantskamer vindt het College van Beroep voor het bedrijfsleven dat de klager niet heeft aangetoond dat de accountant onvoldoende heeft onderzocht of een gesubsidieerde stichting belastingplichtig was.

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Zaaknummers:
AWB 16/718
Datum uitspraak:
23 augustus 2017
Oordeel:
beroep gegrond / klacht ongegrond
Maatregel:
geen
Status:
definitief
Vindplaats:
ECLI:NL:CBB:2017:318

Lex van Almelo

Belangrijkste feiten

In opdracht van een gemeente verhuurt een stichting (sociaal-)culturele accommodaties aan maatschappelijke organisaties, particulieren en bedrijven. Voor het beheer ontvangt de stichting een jaarlijkse subsidie van de gemeente. Het nettoresultaat over 2013 bedraagt 111.040 euro en over 2014 81.540 euro. Een registeraccountant geeft in april 2015 een goedkeurende beoordelingsverklaring af bij de jaarrekening 2014.

In december 2015 hekelt een voormalig registeraccountant in een e-mail aan de beoordelend accountant:

  • de goedkeurende verklaring;
  • de valse concurrentie met overheidssubsidie;
  • de valse concurrentie zonder vennootschapsbelasting af te dragen.

Op basis van informatie uit onder meer de jaarrekening constateert de oud-accountant dat de stichting over 2009 tot en met 2014 ten onrechte geen vennootschapsbelasting heeft afgedragen. Hij wil er op korte termijn met de beoordelend accountant over praten. Een manager van het accountantskantoor zegt dat hij eerst contact moet opnemen met de stichting, maar daar voelt de oud-accountant weinig voor. Om die reden weigert de manager het gesprek.

De oud-accountant dient een klacht in tegen de manager en tegen de beoordelend accountant.

De Accountantskamer verklaart de klacht tegen de beoordelend accountant deels gegrond en legt hem een waarschuwing op. De accountant gaat hiertegen in beroep.

Beroepsgronden

De belastingplicht is wel degelijk bezien. De Belastingdienst heeft gezegd dat de stichting niet belastingplichtig is. De AFM en de NBA hebben niets op dit dossier aangemerkt bij de toetsing.

Oordeel

Het beroep is gegrond.

Belastingplicht

Op grond van artikel 2 lid 1 onder e van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 heeft een stichting als deze een vennootschapsbelastingplicht voor zover zij een onderneming drijft. Uit punt 2 van het Besluit Vennootschapsbelasting, belastingplicht van verenigingen en stichtingen volgt dat de stichting (of vereniging) naar winst moet streven, wil je kunnen spreken van het drijven van een onderneming. Daarnaast is sprake van het drijven van een onderneming wanneer de stichting in concurrentie treedt met ondernemingen.

Volgens punt 3.2.1 is bij een gesubsidieerde instelling geen sprake van winststreven voor zover de instelling de behaalde overschotten volgens statuten of subsidieregels moet aanwenden overeenkomstig de subsidiedoeleinden of terug moet betalen aan de subsidieverstrekker.

De vraag of de stichting in kwestie al dan niet vennootschapsbelastingplichtig is, hoort thuis bij de belastingrechter en daar gaat dit tuchtrechtelijke geschil niet direct over. Het college moet beoordelen of:

  • de accountant tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld;
  • de Accountantskamer terecht heeft geconcludeerd dat de accountant het vakbekwaamheids- en zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden omdat zijn professioneel-kritische instelling onvoldoende was.

Onderzoek

Het college ziet te weinig aanwijzingen om aan te nemen dat de accountant onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de vennootschapsbelastingplicht. Uit de stukken die de accountant heeft overgelegd – de Checklist opdrachtaanvaarding, het controleplan 2013 en de verklaring van een fiscalist van zijn kantoor – blijkt dat de accountant de vennootschapsbelastingplicht heeft onderzocht bij aanvang van de cliëntrelatie en daarna. Dat de accountant over het hoofd zou hebben gezien dat de stichting vennootschapsbelastingplichtig is, blijkt nergens uit.

De klager heeft niet onderbouwd dat de stichting geen gesubsidieerde instelling in de zin van het genoemde besluit zou zijn. Het besluit verstaat onder subsidie: de aanspraak op financiële middelen, die een bestuursorgaan verstrekt met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager en die geen betaling zijn voor goederen of diensten die worden geleverd aan het subsidiërende bestuursorgaan.

De stichting ontvangt financiële middelen van de gemeente om daar (sociaal-)culturele accommodaties te beheren. Dit beheer kan niet worden aangemerkt als het leveren van goederen of diensten aan de gemeente. Daardoor is de uitzonderingssituatie van artikel 4:21 lid 1 van de Awb niet van toepassing en kun je ervan uitgaan dat de stichting een gesubsidieerde instelling is in de zin van bovengenoemd besluit.

Het college neemt aan dat de stichting een behaald exploitatieoverschot inderdaad moet aanwenden overeenkomstig de subsidiedoeleinden of moet terugbetalen aan de gemeente. In de beheers- en exploitatieovereenkomst staat dat de ontvangen baten uit verhuur en verkochte consumpties ten goede komen aan de accommodaties van de gemeente.

Over 2014 is het positieve exploitatieresultaat in overeenstemming met de beheers- en exploitatieovereenkomst toegevoegd aan het eigen vermogen. Daarmee is echter nog geen sprake van een winststreven. Volgens het contract mag het eigen vermogen niet hoger zijn dan 25 procent van de jaarlijkse exploitatiebijdrage, zodat het eigen vermogen van de stichting niet onbeperkt kan stijgen. Uit de statuten blijkt dat:

  • een eventueel batig saldo bij ontbinding van de stichting zoveel mogelijk wordt bestemd in overeenstemming met het doel van de stichting;
  • de gemeente de bestemming van dit batig saldo vooraf moet goedkeuren.

De klager heeft dan ook niet aangetoond dat de accountant op grond van deze stukken had moeten onderkennen dat sprake is van winststreven.

Valse concurrentie

De klager heeft evenmin onderbouwd dat:

  • de stichting in boekjaar 2014 langlopende overeenkomsten had met commerciële partijen;
  • de horeca-activiteiten concurrerend van aard waren;
  • de accountant op dit punt onvoldoende onderzoek heeft gedaan.

Conclusie

De klager heeft niet aangetoond dat de accountant voor de beoordelingsverklaring onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de vennootschapsbelastingplicht. Uit diens onderzoek is niet gebleken dat de stichting winst nastreefde of commerciële partijen beconcurreerde.

De accountant hoefde daarom niet aan te dringen op een passage over de vennootschapsbelastingplicht in de toelichting bij de jaarrekening 2014. De accountant zegt terecht dat er geen juridische basis is voor de stelling dat een gesubsidieerde instelling als deze hoe dan ook verplicht is om een opmerking te maken over het al dan niet bestaan van de vennootschapsbelastingplicht.

De Accountantskamer heeft dus ten onrechte geconcludeerd dat de professioneel-kritische houding van de accountant onvoldoende was en dat hij in strijd heeft gehandeld met het vakbekwaamheids- en zorgvuldigheidsbeginsel.

Maatregel

Geen. De waarschuwing is onterecht.

reacties

Reageer op dit artikel

Spelregels debat

    Aanmelden nieuwsbrief

    Ontvang elke werkdag (maandag t/m vrijdag) de laatste nieuwsberichten, opinies en artikelen in uw mailbox.

    Bent u NBA-lid? Dan kunt u zich ook aanmelden via uw ledenprofiel op MijnNBA.nl.