Tuchtrecht

Ongefundeerde klacht tegen partij-accountant

Het is niet aangetoond dat een registeraccountant, die in opdracht van een aansprakelijk gestelde bank een opinie gaf over een schaderapport, daarbij niet objectief of niet integer was.

Accountantskamer

Zaaknummers:
16/2715 Wtra AK
Datum uitspraak:
26 januari 2018
Oordeel:
ongegrond
Maatregel:
geen
Status:
nog niet definitief
Vindplaats:
ECLI:NL:TACAKN:2018:3

Lex van Almelo

Belangrijkste feiten

Een assurantiebedrijf verkeert in 2002 in zware financiële problemen. Het bedrijf sluit in april 2002 een convenant met zeven verzekeringsmaatschappijen en de huisbankier. De bedoeling van het convenant is de kapitaalsvernietiging van een faillissement te voorkomen door het bedrijf eerst financieel te stabiliseren en op langere termijn te saneren. Op 31 december 2002 perkt de bank het krediet van 654.438 euro echter in. Kort daarna doet het assurantiebedrijf bij de Belastingdienst een melding van betalingsonmacht. Enkele maanden later worden de vennootschappen van de assurantiegroep failliet verklaard.

In een civielrechtelijke procedure stelt de eigenaar van het bedrijf de bank aansprakelijk voor de schade. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeelt de bank wegens een toerekenbare tekortkoming tot het betalen van een schadevergoeding, waarvan de hoogte nader zal worden vastgesteld in een schadestaatprocedure.

De eigenaar van het failliete assurantiebedrijf geeft het Instituut voor Financieel Onderzoek (IFO) de opdracht om te berekenen welke schade het bedrijf heeft geleden door het tekortschieten van de bank. Ook moet het IFO een oordeel geven over de continuïteit van het bedrijf. Het IFO concludeert dat de groep tot in ieder geval 31 december 2003 niet zou zijn gefailleerd als de bank de financiering had gecontinueerd.

In de schadestaatprocedure benoemt de Rechtbank Overijssel een onpartijdig registeraccountant tot deskundige. Deze concludeert onder meer over het bedrijf dat:

  • de vermogenspositie zwak was;
  • de financieringsstructuur onevenwichtig was;
  • de liquiditeitspositie onvoldoende was;
  • de rentabiliteit onvoldoende was;
  • er ultimo 2002 onvoldoende reëel perspectief was om de opeisbare verplichtingen te kunnen nakomen en de bedrijfsuitoefeningen duurzaam te kunnen voortzetten.

Na een klacht van de oud-eigenaar van de groep zegt de Accountantskamer dat de gerechtelijk deskundige ten onrechte geen liquiditeitsprognose heeft opgesteld en het commentaar van de oud-eigenaar onvoldoende duidelijk heeft verwerkt. Diens klankbord bij het IFO had de deskundige voor deze fouten moeten behoeden.

Voordat de Accountantskamer dit oordeel velde, had de huisbankier een inmiddels uitgeschreven registeraccountant (maar nog altijd ingeschreven register valuator) gevraagd een opinie te geven over het IFO-rapport. De accountant/valuator concludeerde onder meer dat:

  • er voor een ondubbelzinnig beeld van de financiële positie van de groep een geconsolideerde vermogenspositie per eind 2002 nodig was;
  • een geconsolideerde winst- en verliesrekening nodig was om de omzet- en resultaatontwikkeling te beoordelen;
  • na sluiting van het convenant geen gestructureerde periodieke verslaglegging is opgemaakt die een goed totaalbeeld gaf;
  • de bank niet alle noodzakelijke gegevens had.

De accountant/valuator heeft:

  • de ontwikkeling van de financiële positie in kaart gebracht op basis van de informatie die wel beschikbaar was;
  • een redelijk inzichtelijke reconstructie kunnen maken op basis van de rapportage van de huisaccountant;
  • op basis van de (extra) cash flow-behoefte en de beschikbare financiering geconcludeerd dat het bedrijf ‘technisch’ failliet was.

Het gerechtshof zegt later echter dat:

  • schriftelijke opzeggingen gebruikelijk zijn in de verzekeringswereld en daarom niet per se betekenen dat de opzeggende verzekeraars niet verder wilden samenwerken met het assurantiebedrijf;
  • het verder van essentieel belang is dat het assurantiebedrijf al medio december 2002 een bedrijf bereid had gevonden om de plaats van de vertrekkende verzekeraars in te nemen;
  • de bank “de betekenis van deze beide uiterst belangrijke omstandigheden echter heeft miskend toen zij het krediet inperkte en betalingsopdrachten niet meer uitvoerde en in feite de geldkraan dichtdraaide”.

De oud-eigenaar van de groep dient een klacht in tegen de accountant/valuator die de bank heeft ingeschakeld.

Klacht

De accountant/valuator heeft:

a. de context van het geschil – die onder meer wordt gevormd door de arresten van de Hoge Raad en het gerechtshof– niet dan wel onvoldoende betrokken bij zijn werkzaamheden en beoordelingen;

b. een hoofdconclusie van twee registeraccountants afgedaan als een ‘holle frase’ terwijl hij daar geen deugdelijke grondslag voor heeft;

c. heeft een hoofdconclusie van twee registeraccountants in het IFO-rapport afgedaan als ‘volslagen onlogisch’ zonder daarvoor een deugdelijke grondslag te hebben;

d. in vijf situaties in strijd gehandeld met het beginsel van deskundigheid en zorgvuldigheid;

e. onwaarheden als waarheden verkondigd en vaststaande feiten verworpen;

f. een ernstige beschuldiging geuit zonder daarvoor een grondslag te hebben en daarbij voorbij gegaan aan de door het gerechtshof en de Hoge Raad vastgestelde feiten;

g. een ondeugdelijke methodiek gehanteerd om zijn ‘hoofdconclusie’ (verwachte discontinuïteit) te kunnen trekken;

h. tegen de instructie in gehandeld van zowel de rechtbank als de gerechtelijk deskundige en daardoor het beginsel van objectiviteit gebruskeerd;

i. geen wederhoor gepleegd;

j. zozeer in strijd gehandeld met het objectiviteitsbeginsel dat hij ook in strijd heeft gehandeld met het beginsel van integriteit;

k. een rapportage uitgebracht die niet voldoet aan de vereiste vormvoorschriften.

Oordeel

De klacht is ongegrond.

Objectiviteit

Op grond van het fundamentele beginsel van objectiviteit mag een accountant zijn professioneel of zakelijk oordeel niet laten aantasten door een vooroordeel of belangentegenstelling en zich niet ongepast laten beïnvloeden door een ander dan de opdrachtgever. Het objectiviteitsbeginsel wordt niet alleen geschonden als er daadwerkelijk sprake is van een niet-objectieve oordeelsvorming, maar ook als de accountant zich heeft begeven in een situatie waarin zijn objectiviteit te zeer in het gedrang komt.

Dit geldt ook voor een accountant die:

  • een (bijzonder) belang vertegenwoordigt bij het verrichten van zijn werkzaamheden;
  • weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat het resultaat van zijn werkzaamheden in een gerechtelijke procedure zal worden gebruikt om een standpunt van (één van de) partijen te onderbouwen.

De accountant moet hier niet alleen het belang van zijn opdrachtgever/cliënt dienen, maar ook het algemeen belang.

Het merendeel van de klachtonderdelen komt erop neer dat de klager vindt dat de accountant het objectiviteitsbeginsel niet heeft nageleefd in zijn memo en rapport, die onderdeel waren van het procesdossier van de rechtbank en het gerechtshof. Volgens de Accountantskamer houden het memo en het rapport een “opinie” in over het IFO-rapport met (nadere) suggesties over het begrip ‘levensvatbare onderneming’. Het memo kan niet los worden gezien van het rapport, van een eerder memo en van het IFO-rapport. De klager heeft dat eerdere memo en het IFO-rapport echter niet aan de Accountantskamer gegeven.

Ad a

De klager maakt niet duidelijk om welke passages in het memo het gaat en wat er schort aan de beschouwingen, analyses en informatie. Het is niet voldoende om alleen maar te verwijzen naar het arrest van het gerechtshof en naar “de opdracht van de rechtbank Almelo”.

Ad h

De rechtbank heeft:

  • uitdrukkelijk overwogen dat het de gerechtelijk deskundige ook vrijstond om acht te slaan op suggesties omtrent het begrip ‘levensvatbare onderneming’;
  • niet gezegd dat de deskundige slechts oog mocht hebben voor de levensvatbaarheid van de groep op een termijn van enkele maanden.

Ook het verzoek van de deskundige is zo ruim geformuleerd, dat je niet kunt zeggen dat de accountant/valuator met zijn informatie aan de deskundige in strijd heeft gehandeld met het fundamentele beginsel van objectiviteit of een andere gedrags- en/of beroepsregel.

Ad b, c, e, f, g en i

De klachtonderdelen b, c, e, f en g zijn vooral zijn onderbouwd met verwijzingen naar het IFO-rapport en komen er in de kern op neer dat de accountant er over een aantal aspecten andere opvattingen op nahoudt dan de auteurs van het IFO-rapport. In klachtonderdeel i is het verwijt dat zijn memo “in een groot aantal gevallen” geen deugdelijke grondslag heeft en dat hij “een ondeugdelijke grondslag heeft gehanteerd”. Daarom vindt de klager dat de accountant/valuator IFO had moeten horen en zich in het memo had moeten onthouden van diskwalificerende opmerkingen over hem en IFO.

Omdat de klager het IFO-rapport niet heeft overgelegd, kan de Accountantskamer niet vaststellen of de (bestreden) verwijten terecht zijn. Alleen al daarom zijn deze klachtonderdelen ongegrond. Wat betreft klachtonderdeel i komt daar nog bij dat de klager niet duidelijk maakt welke opmerkingen en welke ‘gevallen’ hij nu precies bedoelt.

Bij klachtonderdeel g baseert de klager het verwijt deels op verwijzingen naar het IFO-rapport dat de Accountantskamer niet heeft kunnen lezen.

Ad d

Ook dit verwijt is gebaseerd op documenten die de Accountantskamer niet te zien heeft gekregen, terwijl het verwijt ook niet nader is gemotiveerd.

Ad j

De klager heeft dit verwijt onderbouwd met verwijzingen naar alle voorafgaande klachtonderdelen, die ongegrond zijn. Ook het verwijt dat de accountant in strijd heeft gehandeld met het fundamentele beginsel van integriteit is volstrekt niet onderbouwd.

Ad k

Volgens de klager had in het memo moeten staan wat de opdracht van de accountant inhield, wat het doel van de opdracht was, aan wie het memo verstrekt mocht worden en of met het memo wel of geen assurance werd beoogd. Volgens de Accountantskamer bestaat er geen gedragsregel die voorschrijft dat dit in zo’n memo moet staan. Daarbij komt dat iedereen die het memo heeft gelezen al volledig op de hoogte was van de context waarbinnen en met welk doel het memo is opgesteld. Verder wordt in de aanhef van het memo kort aangegeven wat het inhoudt, terwijl er ook nog enige informatie over de inhoud en de strekking van het memo staat in een begeleidend e-mailbericht. De accountant had bovendien geen enkele aanleiding om aan te nemen dat het memo breder verspreid zou worden.

Maatregel

Geen.

Annotatie Lex van Almelo

Ook een partij-accountant moet objectief zijn en al helemaal als zijn stukken worden gebruikt in de gerechtelijke procedure. De tuchtrechter heeft dit al herhaaldelijk gezegd. Een partij-accountant hoeft in een memo dat hij opstelt in opdracht van één van de procespartijen echter niet te vermelden wat de opdracht inhoudt, wat het doel is, aan wie het memo verstrekt mag worden en of hij met het memo wel of geen assurance beoogt.

reacties

Reageer op dit artikel

Spelregels debat

    Aanmelden nieuwsbrief

    Ontvang elke werkdag (maandag t/m vrijdag) de laatste nieuwsberichten, opinies en artikelen in uw mailbox.

    Bent u NBA-lid? Dan kunt u zich ook aanmelden via uw ledenprofiel op MijnNBA.nl.