Tuchtrecht

Leugens en verzinsels niet aangetoond

De voorzitter van een stichting, die eerder met succes een accountant tuchtrechtelijk aanklaagde, heeft niet kunnen aantonen dat die accountant in een civiele procedure heeft gejokt tegen de rechter.

Accountantskamer

Zaaknummers:
17/1314 Wtra AK
Datum uitspraak:
16 juli 2018
Oordeel:
deels gegrond
Maatregel:
geen
Status:
nog niet definitief
Vindplaats:
ECLI:NL:TACAKN:2018:53

Lex van Almelo

Belangrijkste feiten

De voorzitter van woningstichting Boerhaave ligt in de clinch met de directeur van een projectbureau over de financiële afronding van een renovatie van een appartementencomplex. Een bv van de voorzitter heeft een lening verstrekt aan de directeur van het projectbureau dat de renovatie heeft uitgevoerd. De bv van de voorzitter heeft 30 procent van de aandelen in het projectbureau.

Het projectbureau laat een registeraccountant controleren of de geldstromen en resterende posities, die in de financiële overzichten staan, juist zijn. In zijn mededeling schrijft de accountant onder meer: “De formele afwikkeling middels een slotfactuur bij definitieve oplevering vindt plaats begin 2012. Dit betreft met name de facturering van de btw over de reeds vooruitontvangen btw (19% of 6% over € 505.999,20). Hierdoor ontstaat een aanvullende vordering op de ontwikkelaar.”

De voorzitter vraagt bij de rechtbank het faillissement aan van de directeur in privé. Op de zitting stelt de advocaat van de directeur op basis van de accountantsmededeling dat het projectbureau een vordering heeft op de voorzitter en de woningstichting. De rechtbank wijst het faillissementsverzoek af. De voorzitter dient een klacht tegen de accountant in bij de Accountantskamer. Die legt een waarschuwing op, onder meer omdat de accountant niet objectief genoeg was.

De voorzitter heeft vervolgens een civiele procedure aangespannen tegen de accountant en de rechtbank onder meer gevraagd om voor recht te verklaren dat de accountant dan wel zijn kantoor aansprakelijk is voor de schade die de stichting heeft geleden. De rechter belegt in september 2015 een comparitie van partijen. Tijdens die bijeenkomst zegt de accountant:

“Tegen de beslissing van de Accountantskamer heb ik geen hoger beroep ingesteld. Het klopt dat de Accountantskamer mij heeft verweten dat ik geen hoor en wederhoor heb toegepast. Na de beslissing van de Accountantskamer heb ik [de voorzitter van de stichting] wel de gelegenheid gegeven om zijn standpunt naar voren te brengen. De stukken die hij mij heeft verstrekt vormen voor mij juist een bevestiging dat mijn conclusies zoals gedaan in de mededeling juist waren.”

De aan BDO verbonden juridisch adviseur van de accountant bevestigt dit en voegt eraan toe dat uit de aannemingsovereenkomst, facturen en andere stukken die de voorzitter heeft verstrekt blijkt dat:

  • het standpunt van het kantoor juist was;
  • er daarom geen reden is om de verklaring in te trekken.

Op 25 januari 2017 wijst de rechtbank de vordering van de stichting af. In het vonnis van de rechtbank staat onder meer dat de accountant tijdens de comparitie heeft gezegd dat:

  • hij geen beroep heeft ingesteld tegen de beslissing van de Accountantskamer;
  • de Accountantskamer hem inderdaad heeft verweten dat hij geen hoor en wederhoor heeft toegepast;
  • hij de voorzitter na de beslissing van de Accountantskamer wel de gelegenheid heeft gegeven om zijn standpunt naar voren te brengen;
  • de stukken die hij vervolgens van de voorzitter kreeg, bevestigden dat zijn conclusies in de mededeling juist waren.

Volgens de rechtbank heeft de voorzitter de juistheid van deze verklaringen te laat en onvoldoende aangevochten. Dat de accountant schade heeft veroorzaakt door onrechtmatig te handelen, heeft de voorzitter niet aangetoond.

Naar aanleiding van het vonnis schrijft de voorzitter aan de juriste dat hij hoger beroep zal aantekenen en een nieuwe tuchtklacht zal indienen tegen de accountant, omdat die zich niet integer heeft gedragen. Op de zitting bij de rechtbank heeft die zich namelijk verlaagd tot “leugens en verzinsels”.

Volgens de juriste wilde de accountant niet zeggen dat hij na de uitspraak van de Accountantskamer nog contact met de voorzitter heeft opgenomen en (expliciet) nadere stukken heeft gevraagd. Hij bedoelde dat hij er tijdens de procedures bij de NBA Klachtencommissie en bij de Accountantskamer steeds voor openstond om zich met stukken te laten overtuigen van het standpunt van de voorzitter.

De voorzitter dient een nieuwe klacht in tegen de accountant.

Klacht

De accountant heeft gelogen en opzettelijk een onjuiste verklaring afgelegd.

Oordeel

De klacht is ongegrond.

Volgens vaste jurisprudentie van de Accountantskamer kan het niet tot een gegrond tuchtrechtelijk verwijt leiden als een accountant een civielrechtelijk standpunt inneemt, tenzij zich bijzondere omstandigheden voordoen. Bijvoorbeeld als een accountant bewust en dus te kwader trouw een onjuist of misleidend standpunt inneemt, dat in de ogen van een goed geïnformeerde derde schadelijk is voor de goede naam van het accountantsberoep.

Volgens de accountant is zijn verklaring ongelukkig terecht gekomen in het proces-verbaal van de zitting en heeft hij dit pas later gemerkt. Volgens de Accountantskamer heeft ook de voorzitter pas veel later gesteld dat de accountant tijdens de comparitie heeft gelogen, terwijl hij dat veel eerder had kunnen aankaarten. Nu de accountant en zijn raadsvrouw de leugens betwisten, heeft de voorzitter onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de accountant een valse en opzettelijk onjuiste verklaring heeft afgelegd.

Maatregel

Geen.

reacties

Reageer op dit artikel

Spelregels debat

    Aanmelden nieuwsbrief

    Ontvang elke werkdag (maandag t/m vrijdag) de laatste nieuwsberichten, opinies en artikelen in uw mailbox.

    Bent u NBA-lid? Dan kunt u zich ook aanmelden via uw ledenprofiel op MijnNBA.nl.