Tuchtrecht

Klacht over Baker Tilly niet onderbouwd

Leon van de Kar heeft zijn klacht tegen zesentwintig registeraccountants van Baker Tilly Netherlands onvoldoende gefundeerd. Verwijzen naar het AFM-rapport is onvoldoende.

Accountantskamer

Zaaknummers:
19/528 t/m 19/551 Wtra AK
Datum uitspraak:
06 september 2019
Oordeel:
ongegrond
Maatregel:
geen
Status:
nog niet definitief
Vindplaats:
ECLI:NL:TACAKN:2019:58

Lex van Almelo

Belangrijkste feiten

Medio 2017 concludeert de Autoriteit Financiële Markten (AFM) dat Baker Tilly Netherlands (BTN) de integriteitsrisico’s niet onder controle heeft. De AFM legt BTN een boete op van negen ton. De boete is nog niet definitief.

BTN heeft een oob-vergunning. Van de Kar vindt dat toezichthouders en de tuchtrechter strenger zijn voor de accountants van kleinere mkb-kantoren dan voor accountants van grote oob-kantoren. Om dit vermeende onrecht aan de kaak te stellen dient Van de Kar een klacht in tegen vijfentwintig registeraccountants, die werkzaam zijn of waren bij BTN en tegen de voormalige bestuursvoorzitter van BTN, die momenteel werkt bij Baker Tilly International in Londen.

Klacht

De accountants hebben:

a. in strijd gehandeld met de artikelen 4 en 5 van de VGBA door werkzaam te zijn bij een accountantskantoor, waarvan de kwaliteit onvoldoende is;

b. onvoldoende gedaan om zich te houden aan de regels dan wel onvoldoende gedaan om ervoor te zorgen dat het kantoor de Wta naleeft, waarbij hun het negatieve oordeel van de AFM valt te verwijten.

Oordeel

De klacht is ongegrond.

Ontvankelijkheid

Volgens het nieuwe artikel 22 lid 1 van de Wtra neemt de Accountantskamer een klacht niet in behandeling als er meer dan tien jaar is verstreken tussen het moment van het handelen of nalaten en het moment van indiening van de klacht. Volgens de overgangsbepaling geldt het nieuwe wetsartikel niet als:

  • de beklaagde gedragingen dateren van vóór 1 januari 2019;
  • op grond van de oude drie- en zesjaarstermijn geen klacht meer kan worden ingediend.

De termijn van drie jaren gaat lopen wanneer de klager op grond van de feiten die hij/zij heeft geconstateerd, vermoedde of redelijkerwijs kon vermoeden dat het de accountant tuchtrechtelijk kan worden verweten wat deze heeft gedaan of nagelaten. Daarbij hoeft de klager niet volledig op de hoogte te zijn van de exacte beroepsregels die de accountant (mogelijk) heeft geschonden.

Wegens het verloop van de (oude) zesjaarstermijn is klachtonderdeel a niet-ontvankelijk voor zover het gaat over de periode vóór 21 maart 2013. Klachtonderdeel b is geheel ontvankelijk. Ook al omdat op grond van de Wtra iedereen een klacht kan indienen, zelfs als die geen belanghebbende is. De klager maakt geen misbruik van het tuchtrecht.

Ad a Onvoldoende kwaliteit

De klager baseert zich op het rapport van de AFM, dat geen integraal beeld geeft van het onderzoek dat de AFM heeft uitgevoerd bij BTN, maar zich voornamelijk beperkt tot de conclusies. De AFM heeft geen integraal onderzoek uitgevoerd naar alle aspecten van de bedrijfsvoering, het gedrag en de cultuur en het intern toezicht van de oob-kantoren. Er is dus niet afdoende onderzocht of BTN de wettelijke vereisten voor het stelsel van kwaliteitsbeheersing heeft overtreden. Het rapport bevat dus onvoldoende feiten om te beoordelen of BTN de wet- en regelgeving heeft overtreden en of de accountants daarvoor persoonlijk tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn. De klager zelf heeft daarvoor ook geen feiten aangedragen.

Ad b Schending Wta

De klager heeft helemaal geen feiten aangedragen om te onderbouwen dat de accountants onvoldoende hebben gedaan om te zorgen dat BTN de Wta naleefde en het negatieve oordeel van de AFM aan hen te verwijten valt. Uit het AFM-rapport blijkt dit niet.

Maatregel

Geen.

Annotatie Lex van Almelo

Omdat iedereen mag klagen, ook zonder belanghebbende te zijn, gunt de Accountantskamer Van de Kar zijn ‘day in court’. Van de Kar wil met de klacht aandacht vragen voor de ongelijke behandeling van oob- respectievelijk mkb-kantoren door de toezichthouders. De manier waarop hij dit aanpakt, genereert alleen aandacht voor hemzelf. De aanleiding voor de klacht lijkt niet erg logisch: een boete van negen ton voor een oob-kantoor. De onderbouwing – simpelweg zwaaien met het AFM-rapport – schiet tekort.

Opmerkelijk is dat de Accountantskamer onder de vaststaande feiten meldt dat de AFM in het rapport concludeert dat het stelsel van kwaliteitsbeheersing van de onderzochte kantoren niet op orde was, terwijl de kamer in zijn oordeel zegt dat de AFM niet afdoende heeft onderzocht of BTN de wettelijke vereisten voor het stelsel van kwaliteitsbeheersing heeft overtreden. Dit oordeel van de tuchtrechter kan niet worden los gezien van de streep die het College van Beroep voor het bedrijfsleven zette door de boetes aan EY en PwC, omdat de AFM onvoldoende heeft aangetoond dat de kwaliteitsstelsels en het kwaliteitsbeleid van deze kantoren niet deugden. Baker Tilly Netherlands heeft beroep aangetekend tegen de boete van negen ton; de rechtbank heeft hierover nog geen uitspraak gedaan.

Verder past de Accountantskamer in deze uitspraak voor het eerst de overgangsbepalingen toe van de nieuwe klachttermijnen uit de Wtra. Volgens die bepalingen verandert er weinig als de beklaagde gedragingen dateren van vóór 1 januari 2019.

reacties

Reageer op dit artikel

Spelregels debat

    Aanmelden nieuwsbrief

    Ontvang elke werkdag (maandag t/m vrijdag) de laatste nieuwsberichten, opinies en artikelen in uw mailbox.

    Bent u NBA-lid? Dan kunt u zich ook aanmelden via uw ledenprofiel op MijnNBA.nl.