Tuchtrecht

Belastingaangifte zonder toestemming gescheiden vrouw

Een accountant-administratieconsulent dient de ib-aangifte in van twee fiscale partners die kort daarvoor gescheiden zijn, maar informeert de vrouw daarover niet. Hij dient in tweede instantie een gecorrigeerde aangifte in, die hij later moet herzien.

Accountantskamer

Zaaknummers:
25/3427 Wtra AK
Datum uitspraak:
20 juli 2026
Oordeel:
deels gegrond
Maatregel:
berisping
Status:
nog niet definitief
Vindplaats:
ECLI:NL:TACAKN:2026:67

» Direct naar annotatie

Lex van Almelo

Belangrijkste feiten

Een vrouw en een man zijn verwikkeld in een echtscheiding. De man vraagt een accountant-administratieconsulent begin 2025 om de aangiften inkomstenbelasting 2024 van hemzelf en zijn ex-vrouw op te stellen, met inachtneming van het echtscheidingsconvenant. Over heel 2024 waren de twee nog gehuwd. De vrouw stuurt haar jaaropgave desgevraagd aan de accountant en zet daarbij de afspraken uit het echtscheidingsconvenant uiteen die zij relevant vindt voor de ib-aangifte. De afspraken houden in dat partijen voor het jaar 2024:

  • hun aangifte ieder voor zich en voor zover nodig in onderling overleg, zullen (laten) verzorgen;
  • gezamenlijk opteren voor (fiscaal) 'voljaarspartnerschap';
  • zich verplichten om hun aangiften op relevante onderdelen met elkaar af te stemmen (bijvoorbeeld een onverdeelde woning);
  • het belastbaar inkomen (rentedeel) voor de echtelijke woning aan beiden zullen toerekenen conform wat ieder heeft betaald;
  • buiten de eigen woning geen andere gezamenlijke heffingen en grondslagen hebben in 2024.

De accountant stuurt de concept-aangifte inkomstenbelasting 2024 in april 2025 aan de vrouw, die hem laat weten dat zij hier niet mee akkoord is. Wijzend op de afspraken uit het convenant vraagt zij de accountant:

  • enkele wijzigingen door te voeren;
  • inzage in de gehele aangifte, dus ook het deel van haar ex-echtgenoot.

De accountant heeft begin juni contact met de adviseur die de vrouw heeft ingeschakeld en dient op 11 juni 2025 de ib-aangifte van de vrouw en haar ex in bij de Belastingdienst. Medio juli bespreekt de vrouw de gang van zaken rond de aangifte met de accountant. Tijdens dat gesprek dient de accountant een gecorrigeerde ib-aangifte in voor de vrouw en overhandigt haar daarvan een afschrift.

De volgende dag kondigt zij (schriftelijk) aan een klacht te zullen indienen bij de klachtencommissie van de NBA omdat de accountant:

  • zonder haar toestemming of die van haar adviseur een onjuiste ib-aangifte heeft ingediend en daarbij opzettelijk informatie heeft achtergehouden;
  • gemaakte afspraken uit het echtscheidingsconvenant heeft genegeerd;
  • haar vertrouwen heeft geschaad door zijn werkwijze en door zich tijdens het gesprek niet open en verantwoordelijk op te stellen en de indruk te wekken haar zorgen bewust te negeren en af te doen als onbelangrijk.

De vrouw schrijft verder dat:

  • er nog steeds een oplossing moet komen omdat de accountant op dit moment drie onjuiste aangiftes bij de Belastingdienst heeft ingediend;
  • de accountant zonder de juiste afspraken uit het echtscheidingsconvenant te volgen een ib-aangifte 2024 heeft ingediend;
  • de accountant een dag eerder een herziene aangifte namens haar heeft ingediend die wederom onvolledig en onjuist is en dit opnieuw zonder haar akkoord;
  • de aangifte die de accountant heeft ingediend namens haar ex – waarin ook haar gegevens onterecht ten gunste van de ex zijn opgenomen – eveneens onjuist is en de accountant die tot op heden niet heeft gecorrigeerd;
  • de vrouw daarvan melding heeft gemaakt bij de Belastingdienst, die de accountant hierover telefonisch heeft benaderd met de mededeling dat beide aangiftes zowel voor de vrouw als de man opnieuw ingediend moeten worden;
  • zij de accountant nogmaals dringend verzoekt de herziene aangifte eerst met haar te delen, vóórdat hij die opnieuw verstuurt;
  • de accountant de aangifte pas mag indienen bij de Belastingdienst nadat zij daar schriftelijk akkoord op heeft gegeven;
  • zij de accountant bovendien verzoekt haar binnen drie werkdagen, uiterlijk op 23 juli 2025, per e-mail een herziene versie van de aangifte toe te sturen, zodat dit zo snel mogelijk gecorrigeerd kan worden bij de Belastingdienst.

Op 24 juli 2025 schrijft de accountant in een e-mail aan de vrouw dat:

  • hij hierbij de aangifte inkomstenbelasting 2024 ter beoordeling doet toekomen;
  • in de aangifte sprake is van fiscaal partnerschap in heel 2024;
  • beide exen afzonderlijk aangifte doen;
  • hij haar vraagt deze aangifte te beoordelen en hem hierover te berichten.

De accountant:

  • biedt de vrouw zijn excuses aan voor zijn gedrag en houding tijdens het gesprek;
  • vindt dit geen excuus, maar: hij had om 9.00 een aansluitende bespreking die heel belangrijk was;
  • vindt dat hij desondanks meer verantwoordelijkheid had moeten tonen;
  • was zich er helaas ook niet van bewust hoe essentieel de uitwerking van de ib-aangifte met de ex-partner voor de vrouw was;
  • had de vermogensbestanddelen verdeeld tussen beiden, zodat de eigen woning gezamenlijk onderdeel was van de aangifte;
  • had het heffingsvrij vermogen van de vrouw niet overgeheveld naar de ex-partner;
  • verkeerde in de veronderstelling dat de adviseur van de vrouw min of meer akkoord was met de aangifte, maar dat bleek dus niet waar te zijn!
  • heeft op basis van deze veronderstelling de aangifte ingediend bij de Belastingdienst, die hem verzocht alsnog een gecorrigeerde ib-aangifte 2024 in te dienen (waarbij de verwachte teruggaaf onveranderd 89 euro blijft);
  • zal de gecorrigeerde aangifte pas indienen na haar akkoord;
  • betreurt de gang van zaken en de rol die hij hierin heeft gespeeld.

Op 24 juli 2025 dient de vrouw haar (gewijzigde) ib-aangifte inkomstenbelasting 2024 in op het kantoor van de Belastingdienst in Groningen, met hulp van een medewerker van de Belastingdienst. Zij dient een klacht tegen de accountant in bij de Accountantskamer.

Klacht

De accountant heeft:

  1. zonder toestemming van de vrouw haar ib-aangifte 2024 bij de Belastingdienst ingediend en haar daarvan niet op de hoogte gesteld;
  2. een ib-aangifte ingediend die onvolledig is en bovendien onjuist, omdat daarin de afspraken uit het echtscheidingsconvenant zijn genegeerd, hoewel de vrouw de accountant daarop meerdere malen heeft gewezen; de accountant heeft daarbij opzettelijk informatie voor haar achtergehouden;
  3. tijdens een gesprek met de vrouw haar zorgen over de gang van zaken genegeerd en daarbij aangegeven dat hij heeft gehandeld op verzoek van haar ex-echtgenoot.

Oordeel

De klachtonderdelen 1 en 3 zijn gegrond en klachtonderdeel 2 ongegrond.

Klachtonderdeel 1 Aangifte indienen zonder toestemming

De Accountantskamer stelt vast dat de accountant de ib-aangifte van de vrouw zonder haar toestemming heeft ingediend bij de Belastingdienst. Hij heeft de vrouw noch haar adviseur daarvan op de hoogte gesteld en heeft de ingediende aangifte ook niet aan hen toegestuurd. Daarmee heeft hij onzorgvuldig gehandeld. Van de accountant mag worden verwacht dat hij zich er vóór het indienen van een aangifte van vergewist dat een belastingplichtige, voor wie hij de aangifte indient, met deze aangifte instemt. In de onderhavige situatie was extra zorgvuldigheid geboden, omdat de vrouw en haar ex-echtgenoot inmiddels waren gescheiden en de vrouw eerder had aangegeven niet akkoord te zijn met de concept-aangifte die de accountant had opgesteld.

Klachtonderdeel 2 Onvolledige en onjuiste aangifte; informatie achterhouden

Volgens de vrouw is in het echtscheidingsconvenant afgesproken dat zij en haar ex-echtgenoot voor het jaar 2024 fiscale partners zijn en dat zij buiten de eigen woning geen andere gemeenschappelijke grondslagen en heffingen hebben. Dat impliceert volgens haar dat haar ex geen gebruik mag maken van het heffingsvrije vermogen van de vrouw, hoewel alle bezittingen in box 3 aan hem zijn toegerekend. Dit is volgens haar niet als zodanig verwerkt in de aangifte. Daarbij heeft zij erop gewezen dat zij niet beschikt over de aangifte van haar ex-echtgenoot, omdat de accountant die niet aan haar heeft verstrekt en die ook niet heeft overgelegd vóór de zitting bij de Accountantskamer.

Volgens de accountant is de grondslag sparen en beleggen opgenomen bij de ex-echtgenoot conform het echtscheidingsconvenant, waarbij alleen het individuele heffingsvrije vermogen van de ex-echtgenoot van 57.000 euro is toegepast. De ex-echtgenoot heeft dus geen gebruik gemaakt van het heffingsvrije vermogen van de vrouw. Op verzoek van de Accountantskamer heeft de accountant deze aangifte alsnog overgelegd op de zitting.

Anders dan de accountant stelt is daarin rekening gehouden met een heffingsvrij vermogen van 114.000 euro. De accountant heeft desgevraagd erkend dat zijn eerdere bewering niet juist is en dat de ex-echtgenoot wel degelijk gebruik heeft gemaakt van het heffingsvrije vermogen van de vrouw, dat wil zeggen het aandeel van de rouw in het gezamenlijke heffingsvrije vermogen.

Voor de beoordeling van de vraag of de aangifte onjuist is, is niet alleen het echtscheidingsconvenant van belang maar ook hoe die zich verhoudt tot de relevante fiscale wetgeving. De Accountantskamer heeft de vrouw voorgehouden dat de inhoud van het echtscheidingsconvenant en de uitleg die de vrouw daaraan geeft geen steun vinden in de fiscale regelgeving.

In artikel 5.2 Wet IB staat dat bij fiscaal partnerschap aangifte wordt gedaan van de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen, die gelijk is aan de gezamenlijke rendementsgrondslag verminderd met het gezamenlijke heffingsvrije vermogen van de belastingplichtige en zijn partner. De uitwerking die de vrouw verlangt in de aangifte is eenvoudigweg niet mogelijk, te weten dat het door haar niet benutte deel van het totale heffingsvrije vermogen niet door haar ex-echtgenoot mag worden benut. De vrouw heeft op de zitting erkend dat deze constatering juist is en dat de Belastingdienst haar daar ook op heeft gewezen.

Uit de concept-aangifte die de accountant heeft overgelegd, blijkt dat de vrouw en haar ex-echtgenoot als fiscale partners zijn aangemerkt, in overeenstemming met het echtscheidingsconvenant en passend binnen de mogelijkheden van de Wet IB. Ook blijkt dat het gezamenlijke heffingsvrije vermogen van de vrouw en haar ex-echtgenoot in overeenstemming met de geldende fiscale wetgeving in mindering is gebracht op de gezamenlijke rendementsgrondslag.

De daaruit resulterende grondslag sparen en beleggen is geheel toegerekend aan de ex-echtgenoot van de vrouw. Op dit punt verschilt deze aangifte niet van de aangifte, die de vrouw met hulp van de Belastingdienst zelf heeft ingediend en die volgens haar juist is. De klacht dat de accountant de afspraken uit het echtscheidingsconvenant ten onrechte heeft genegeerd is dan ook ongegrond; alleen al omdat die afspraken fiscaal onuitvoerbaar waren. De vrouw heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat de accountant opzettelijk informatie voor haar heeft achtergehouden.

Klachtonderdeel 3 Gesprek met de vrouw

Het transcript van de geluidsopname, die de vrouw heeft gemaakt van haar gesprek met de accountant, geeft dat gesprek correct weer. Uit het transcript blijkt dat de vrouw de accountant heeft gevraagd om tekst en uitleg over het indienen van de aangifte zonder de goedkeuring van haarzelf of haar adviseur. De accountant heeft haar daarover geen opheldering gegeven in het gesprek. De accountant heeft de vrouw verteld dat hij de aangifte heeft ingediend na goedkeuring door haar ex-echtgenoot en – naar hij zei te hebben begrepen – goedkeuring door haar adviseur. Hij heeft volgens de Accountantskamer geen begrip getoond voor de zorgen van de vrouw daarover.

De vrouw heeft de accountant verzocht uit te leggen of het heffingsvrij vermogen in overeenstemming met het echtscheidingsconvenant is verwerkt. Ook daarover is de accountant niet duidelijk geweest. Hij had haar ten minste moeten uitleggen dat wat zij verlangde niet mogelijk was op grond van de fiscale wetgeving. In plaats daarvan heeft hij tijdens het gesprek een gecorrigeerde aangifte opgesteld waarin – in afwijking van het echtscheidingsconvenant en in strijd met artikel 5a AWR – geen sprake is van fiscaal partnerschap. De accountant heeft deze aangifte direct ingediend bij de Belastingdienst.

Dat de accountant de volgende dag zijn excuses heeft aangeboden voor de abrupte beëindiging van het gesprek strookt niet met de feiten. Het is de vrouw geweest die zich de dag na het gesprek per e-mail en per aangetekende brief bij betrokkene heeft beklaagd over zijn houding en werkwijze tijdens het gesprek en aan betrokkene heeft laten weten een klacht te zullen indienen bij de klachtencommissie van de NBA. De accountant heeft pas later per e-mail zijn excuses aangeboden.

De Accountantskamer concludeert dat de accountant in strijd heeft gehandeld met het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid. Dat hij onder tijdsdruk stond en zich overvallen voelde door de indringende vragen van de vrouw maakt dat niet anders. Ook in die situatie wordt van een accountant verwacht dat deze de werkzaamheden nauwgezet en grondig uitvoert en de relevante wet- en regelgeving toepast. Als dit niet mogelijk is moet de accountant er op een andere wijze voor zorgen dat deze de fundamentele beginselen naleeft, bijvoorbeeld door een nieuw overleg te plannen.

Maatregel

Berisping.

De accountant heeft op meerdere momenten het fundamentele beginsel vakbekwaamheid en zorgvuldigheid geschonden. In zijn nadeel wordt meegewogen dat hij op de zitting aanvankelijk heeft volgehouden dat in de aangifte van de ex-echtgenoot geen gebruik is gemaakt van het heffingsvrije vermogen van de vrouw en hij pas heeft erkend dat de ex-echtgenoot wél gebruik heeft gemaakt van (het aandeel van klaagster in het gezamenlijke) heffingsvrije vermogen, nadat hij op verzoek van de Accountantskamer de aangifte heeft overgelegd.

Annotatie Lex van Almelo

De zaak is een nieuwe aflevering in de serie: accountant luistert bij de afwikkeling van een echtscheiding vooral naar de man die zijn factuur betaalt. De echtscheiding in deze zaak wordt begin 2025 voltrokken en de echtelieden leggen hun afspraken vast in een echtscheidingsconvenant. In maart 2025 vraagt de man aan een accountant-administratieconsulent de ib-aangifte 2024 voor de twee te verzorgen met inachtneming van de afspraken uit het convenant. De accountant stuurt een concept-aangifte naar de vrouw, die er bezwaar tegen maakt. De accountant dient de aangifte begin juni niettemin in, zonder de vrouw (of haar adviseur) in te lichten of haar om toestemming te vragen. De vrouw bespreekt haar onvrede over de gang van zaken met de accountant, die staande het gesprek een gecorrigeerde aangifte indient, waarin de man en de vrouw niet langer fiscale partners zijn – het is inmiddels medio juli. De vrouw is niettemin ontevreden. Ondanks de correctie voelt zij zich nauwelijks serieus genomen, voldoet de aangifte volgens haar nog steeds niet aan de afspraken uit het convenant, terwijl de accountant informatie achterhoudt over de aangifte van de man. Samen met de aangifte voor de man heeft de accountant volgens de vrouw drie onjuiste/onvolledige aangiften ingediend. Zij informeert de Belastingdienst, die de accountant belt en zegt dat hij de aangifte moet herzien. Eind juli stuurt de accountant het concept van de herziene aangifte naar de vrouw. Daarin heeft hij, zo licht hij toe, het heffingsvrije vermogen van de vrouw niet overgeheveld naar de man. De accountant maakt per e-mail zijn excuses voor zijn houding tijdens het gesprek met de vrouw en betreurt de rol die hij heeft gespeeld. De vrouw dient een tuchtklacht tegen de accountant in. Het verwijt dat hij zonder haar toestemming een ib-aangifte heeft ingediend is gegrond, net als het verwijt dat hij de zorgen van de vrouw heeft genegeerd tijdens het gesprek met de vrouw. Hij had haar duidelijk moeten uitleggen dat wat zij wilde onmogelijk was. Volgens de belastingwetgeving waren de twee fiscale partners. Daardoor kon de vrouw niet voorkomen dat haar deel van het heffingsvrije vermogen bij de man terecht zou komen. De accountant beweert echter dat hij het deel van de vrouw niet heeft overgeheveld naar de man. Dat zegt hij ook op de zitting bij de Accountantskamer, die vervolgens vraagt om de aangifte. Daaruit blijkt dat de accountant het deel van de vrouw wel degelijk heeft overgeheveld. Daardoor is de aangifte niet onjuist of onvolledig. Maar bij het opleggen van de berisping houdt de Accountantskamer er wel rekening mee dat de accountant het gebruik van het vrouwendeel door zijn klant pas erkende toen de tuchtrechter het zwart op wit in de aangifte zag staan.

reacties

Reageer op dit artikel

Spelregels debat

    Aanmelden nieuwsbrief

    Ontvang elke werkdag (maandag t/m vrijdag) de laatste nieuwsberichten, opinies en artikelen in uw mailbox.

    Bent u NBA-lid? Dan kunt u zich ook aanmelden via uw ledenprofiel op MijnNBA.nl.