Tuchtrecht

Prognose ten behoeve van alimentatie deugt

Een accountant-administratieconsulent stelt in het kader van een strijd over kinderalimentatie een prognose op van de inkomsten en kosten uit de huisartsenpraktijk van één van de exen. Dat doet hij zoals het hoort.

Accountantskamer

Zaaknummers:
25/3205 Wtra AK
Datum uitspraak:
07 augustus 2026
Oordeel:
ongegrond
Maatregel:
geen
Status:
nog niet definitief
Vindplaats:
ECLI:NL:TACAKN:2026:69

» Direct naar annotatie

Lex van Almelo

Belangrijkste feiten

Een accountant-administratieconsulent werkt op een accountantskantoor, dat ondernemers in de zorg bedient, onder wie huisartsen. Eén van de twee maten in een huisartsenmaatschap is een vrouw, die in augustus 2023 scheidt van haar man. Het gescheiden echtpaar heeft twee minderjarige kinderen. Medio 2026 wil de andere maat van de huisartsenmaatschap uittreden. De gescheiden vrouw wil de praktijk voortzetten.

De accountant heeft voorheen de ib-aangiften van de huisarts en de man verzorgd. De vrouw is klant bij het kantoor gebleven, de man niet. De man en de vrouw krijgen ruzie over hun bijdragen aan de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen. De man vraagt de Rechtbank Gelderland in maart 2025 te beslissen dat de vrouw aan hem kinderalimentatie moet betalen.

In mei 2025 bevestigt de accountant de opdracht van de vrouw, die onder meer inhoudt dat:

  • de accountant een prognose verstrekt voor haar winst en netto kasstroom voor de jaren 2025 tot en met 2027;
  • de prognose nodig is om te bepalen hoeveel kinderalimentatie de vrouw zou kunnen betalen aan haar ex-partner;
  • de prognose ook aan de rechtbank verstrekt zal worden in het kader van de procedure over de kinderalimentatie die de ex-partner en zijn advocaat hebben aangespannen;
  • de opdrachtbevestiging is bedoeld om de voorwaarden van de opdracht vast te leggen;
  • daaronder de aard en beperkingen van de werkzaamheden van de accountant vallen, alsmede de beperkingen voor het gebruik van de prognose.

In mei beantwoordt de vrouw per e-mail de vragen van de accountant over de verwachte ontwikkelingen van de huisartspraktijk, zoals de gevolgen van het uittreden van de maat en de voorgenomen verhuizing naar een ander huurpand. Een paar dagen later brengt de accountant rapport uit aan de vrouw, die het gebruikt bij haar verweer in de procedure die haar man tegen haar heeft aangespannen. De Rechtbank Gelderland gebruikt de cijfers uit het rapport van de accountant.

In zijn rapport heeft de accountant de winst en de kasstroom over de jaren 2022 tot en met 2027 opgenomen, waarbij de cijfers over 2025 tot en met 2027 een prognose zijn. In de prognose gaat de accountant er onder meer van uit dat de maat per 30 juni 2026 zal uittreden en dat de huisartsenpraktijk op dezelfde dag zal verhuizen naar een ander huurpand.

De man dient een tuchtklacht tegen de accountant in bij de Accountantskamer.

Klacht

  1. De uitgangspunten voor de berekening ontbreken;
  2. het was relevant ook 2028 te prognosticeren;
  3. het rapport vermeldt niet dat het gebruikelijk is een lening af te sluiten;
  4. het winstaandeel van de vrouw zal toenemen na het uittreden van de maat;
  5. de inkomsten uit de huisartsenpostdienst na het uittreden zullen verdubbelen;
  6. de kosten voor waarneming na het uittreden zijn te hoog;
  7. de berekening is niet gebaseerd op offertes;
  8. de bruto kasstroom 2024 is lager dan de winst 2024;
  9. de winstprognose 2027 is ondanks het uittreden aanzienlijk lager dan in 2024;
  10. het aantal waarnemingsuren is onjuist berekend;
  11. het bedrag van de investeringen in het nieuwe bedrijfspand is niet onderbouwd;
  12. er is geen rekening gehouden met verwachte opbrengsten uit onderverhuur;
  13. in 2024 had meer aan de vrouw uitgekeerd kunnen worden gezien de liquiditeit;
  14. in 2024 had om dezelfde reden meer uitgekeerd kunnen worden aan de beide maten.

Oordeel

De klacht is ongegrond.

Toetsingskader

Een prognose is altijd onzeker omdat die een verwachting uitdrukt over een per definitie onzekere toekomst. Een door een accountant afgegeven prognose moet desondanks wel een toereikende grondslag hebben, de gehanteerde aannames en uitgangspunten bevatten en mag niet misleidend zijn. De Accountantskamer beoordeelt niet de juistheid van de prognose. (Vergelijk deze uitspraak, waarin het College van Beroep voor het bedrijfsleven vaststelt "dat de prognoses geen enkel inzicht bieden in de daarbij gehanteerde uitgangspunten en aannames en dat aan het [...] opgestelde businessplan geen marktonderzoek ten grondslag ligt. De omzetprognoses berusten naar het oordeel van het College dan ook op een ontoereikende grondslag".)

De accountant heeft in zijn rapport vermeld dat de werkelijke cijfers over de jaren 2025 tot en met 2027 kunnen afwijken van die in de prognose en dat geen accountantscontrole is toegepast op de cijfers en er dus geen assurance is gegeven. Omdat de accountant ook niet een beperkte mate van zekerheid heeft gegeven is Standaard 3400 (Onderzoek van toekomstgerichte financiële informatie) niet van toepassing. Ook de bewoordingen van zijn rapport suggereren geen assurance.

Ook Standaard 5500N (Transactiegerelateerde adviesdiensten) is niet van toepassing, omdat de opdracht geen verband houdt met een voorgenomen transactie. Vanwege het geschil tussen de man en de vrouw en de aanhangige gerechtelijke procedure ligt het voor de hand aansluiting te zoeken bij Handreiking 1111 (Overige opdrachten) en Handreiking 1127 (Ondersteuning bij (potentiële) geschillen).

Klachtonderdeel 1 Uitgangspunten berekening ontbreken

Volgens de klagende man ontbreken de uitgangspunten voor de berekening en is niet vermeld op grond van welke vraagstelling de berekening precies is gemaakt. Maar dit verwijt mist feitelijke grondslag.

De accountant heeft in zijn rapport aannames en uitgangspunten vermeld, zoals het uittreden van de maat en de verhuizing naar een ander huurpand, de voortzetting van de praktijk door (alleen) de vrouw, de inschakeling van waarnemers en het voornemen van de vrouw niet meer werkzaamheden voor de huisartsenpost te gaan doen dan zij voor het uittreden van de maat deed. Ook heeft de accountant vermeld dat hij er in de prognose van uit is gegaan dat de situatie per 30 juni 2026 doorloopt zoals daarvoor, maar dan met één maat. De accountant heeft verder de financiële uitgangspunten vermeld, zoals een gemiddelde tariefstijging van 2%, een kostenindexatie van 4% en een verhoging van de loonkosten voor heel 2025 van 4,5%.

De vraagstelling staat niet als zodanig in het rapport, maar bij de gebruiker kan er gezien de inhoud en de bewoordingen van het rapport redelijkerwijs geen misverstand over bestaan dat de accountant de winsten en kasstromen over de jaren 2022 tot en met 2027 in kaart heeft gebracht, waarbij de jaren 2025 tot en met 2027 zijn geprognosticeerd. Dit staat met zoveel woorden in het rapport.

Klachtonderdeel 2 Prognose 2028

Volgens de klagende man had de accountant de prognose moeten doortrekken tot en met 2028, omdat 2027 een overgangsjaar is en 2028 een beeld geeft van de nieuwe situatie. Dat is niet juist. In 2025 was het voornemen dat de maat per 30 juni 2026 zou uittreden en dat de praktijk dan zou verhuizen naar een nieuw huurpand. Het jaar 2026 is dus een overgangsjaar en 2027 het eerste 'gewone' jaar. Het doortrekken van de prognose tot en met 2028 dient dus geen redelijk doel.

Klachtonderdeel 3 Afsluiten lening niet vermeld

De accountant laat zich in het rapport niet expliciet uit over de financiering van het uittreden van de maat en de verhuizing naar een ander huurpand. Wel wordt vermeld dat het beleid van de maatschap is om jaarlijks minder aan de maten uit te keren dan de winst tot het moment van uittreden en de verhuizing. Voor de uittreding en de verhuizing willen de maten namelijk geen vreemd vermogen aantrekken. Los hiervan is niet duidelijk waarom de accountant had moeten vermelden dat het gebruikelijk is hiervoor een lening af te sluiten – als dit al gebruikelijk is.

Klachtonderdeel 4 Winstaandeel vrouw na uittreden te laag
Klachtonderdeel 9 Winstprognose 2027 te laag

De klager stelt dat de winst van de vrouw zal toenemen nadat de maat is uitgetreden, ook als een waarnemer wordt ingezet om het uittreden van deze maat op te vangen. De Accountantskamer begrijpt dat de man het onverklaarbaar vindt dat de winst in 2027 is begroot op € 106.131 hoewel de winst in 2024, dus vóór het uittreden van de maat, € 343.715 bedroeg. Hetzelfde geldt voor het winstaandeel van de vrouw voor belastingen en premie arbeidsongeschiktheidsverzekering dat in 2024 € 159.355 bedroeg en volgens de prognose in 2027 daalt naar € 78.193.

De accountant heeft aangevoerd dat de winst in 2027 geheel aan de vrouw toekomt omdat de praktijk dan een eenmanszaak is, maar dat de winst lager uitvalt dan die van de maatschap vanwege de toegenomen kosten. In het rapport is dit transparant toegelicht, vindt de accountant.

Volgens de Accountantskamer gaat de klager ervan uit dat het winstaandeel van de vrouw in 2027 zal toenemen omdat de winst niet meer met de maat gedeeld hoeft te worden. Deze gedachte is begrijpelijk maar daarmee nog niet juist, want:

  • door het uittreden van de maat nemen volgens het rapport onder meer de kosten van waarneming toe (van € 56.160 in 2026 naar € 129.978 in 2027);
  • na de verhuizing gaan ook de kosten van huisvesting omhoog (van € 41.816 in 2024 naar € 88.464 in 2027);
  • in 2027 moet de vrouw de uren die de maat besteedde aan zorgverlening opvangen met waarnemers;
  • in 2027 moet de vrouw overige (indirecte) taken erbij doen;
  • in 2026 verhuist de praktijk naar een duurder huurpand.

In het rapport is een en ander uitgelegd en met cijfers onderbouwd.

Klachtonderdeel 5 Inkomsten huisartsenpostdiensten

Volgens de klager zal de vrouw na het uittreden van de maat een dubbele omzet maken, omdat zij de diensten die de maat verrichtte erbij zal nemen. In 2024 ging het om een omzet van € 17.224 en volgens het rapport is deze omzet in 2027 slechts € 18.278. De accountant stelt dat de vrouw na het uittreden van de maat niet van plan is meer huisartsenpostdiensten te gaan verrichten, zodat deze omzet niet zal verdubbelen of toenemen.

Omdat de vrouw na het uittreden van de maat niet meer huisartsenpostdiensten wilde gaan doen dan zij deed kon de accountant deze omzet volgens de Accountantskamer over eerdere jaren tot uitgangspunt nemen in 2027, waarbij de accountant ten opzichte van 2026 een tariefstijging van 2% heeft toegepast. De accountant had een toereikende grondslag voor deze geprognosticeerde omzet 2027.

Klachtonderdeel 6 Te hoge uittredings- en waarnemingskosten 
Klachtonderdeel 10 Waarnemingsuren onjuist berekend

Volgens de klager bedragen de waarnemingskosten in 2027 in het rapport € 161.595, maar volgens de Accountantskamer zitten in dat bedrag ook de kosten van uitbesteed werk en andere externe kosten. De accountant heeft de stijging van de waarnemingskosten toegelicht in zijn rapport. Na het uittreden van de maat zal de vrouw gedurende 58 weken per jaar voor drie dagen per week à negen uur per dag een waarnemer moeten inschakelen tegen een tarief van gemiddeld € 83 per uur (in 2027). De klager vindt drie dagen per week te veel en twee à tweeënhalve dag per week logisch, omdat de vrouw drie dagen per week werkt. Ook begrijpt de klagende ex niet dat de accountant met 58 weken waarneming per jaar rekent.

De accountant voert aan dat de maat ook drie dagen per week werkt, maar allerlei andere (indirecte) taken erbij doet die de vrouw na zijn uittreden zal verrichten. Om die reden is bij een gelijkblijvende omzet meer waarneming noodzakelijk. Voor de vervanging van de maat is met 52 weken waarneming gerekend, maar in verband met de vakantie van de vrouw zal voor haar ook waarneming geregeld moeten worden en die vakantie is gesteld op zes weken. In totaal dus 58 weken waarneming.

De Accountantskamer vindt dat de accountant in zijn rapport afdoende heeft toegelicht op grond van welke aannames hij de kosten van waarneming heeft berekend. Hij baseert zich op het gemotiveerde antwoord van de vrouw op zijn vraag hoe zij denkt het vertrek van de maat op te vangen. De accountant heeft daarmee een toereikende grondslag verkregen voor de berekening van de kosten van waarneming in 2027.

Klachtonderdeel 7 Berekening zonder offertes
Klachtonderdeel 11 Investeringsbedrag bedrijfspand niet onderbouwd

De klager vindt dat de verwerkte kosten fors en de indexcijfers hoog zijn. Hij vraagt zich af of dit gestaafd kan worden met offertes. De kosten van de investeringen in het nieuwe huurpand, die zijn begroot op € 70.000, vindt hij een ruwe schatting.

Volgens de Accountantskamer is een grondslag voor een prognose niet alleen maar toereikend als de kosten en indexcijfers steeds zijn gebaseerd op offertes, daargelaten of dat wel telkens mogelijk is. Een toereikende grondslag kan ook op een andere manier worden verkregen. Van belang is verder dat de accountant in het rapport waar nodig duidelijk heeft gemaakt dat het bij de kosten en indexcijfers gaat om verwachtingen, zodat de gebruiker ervan niet op het verkeerde been wordt gezet. De klager heeft zijn stelling – dat de gehanteerde kosten en indexcijfers fors/hoog zijn – niet onderbouwd en de accountant heeft deze stelling bestreden. De stelling is dan ook niet aannemelijk gemaakt.

De investeringen zijn mede begroot aan de hand van een opgave van de vrouw die de kosten stelde op € 50.000 à € 80.000, omdat in het nieuwe huurpand acht kamers moeten worden ingericht. Eerder had een financieel adviseur deze kosten voorzichtig begroot op € 50.000, schreef de vrouw in haar e-mail aan de accountant. De accountant heeft het bedrag begroot op € 70.000 en in zijn rapport vermeld: "In de eerste helft van 2026 wordt naar verwachting € 70.000 geïnvesteerd in het nieuwe bedrijfspand (acht kamers inrichten en voorzien van apparatuur)". De klager heeft niet aannemelijk gemaakt dat het bedrag van de investeringen geen toereikende grondslag heeft.

Klachtonderdeel 8 Bruto kasstroom lager dan winst
Klachtonderdeel 13 Te weinig uitgekeerd
Klachtonderdeel 14 Meer winstuitkering mogelijk

In 2024 heeft de vrouw € 128.000 opgenomen als voorschot op haar winstaandeel, hoewel het bedrag aan liquide middelen volgens de balans per 31 december 2024 € 229.862 was. Het winstaandeel van de vrouw voor belastingen en premie arbeidsongeschiktheidsverzekering bedroeg over 2024 € 159.355. Haar kasstroom 2024 voor belastingen en premie arbeidsongeschiktheidsverzekering bedroeg € 115.057. Volgens de klager had de vrouw in 2024 dus meer als voorschot kunnen opnemen dan zij heeft gedaan.

In het rapport staat dat het noodzakelijk is om jaarlijks minder aan de maten uit te keren dan de jaarwinst, zodat na het betrekken van de nieuwe praktijkruimte (€ 70.000 en eenmalig € 15.000) en uitbetaling van het kapitaal van de uittredende maat (geprognotiseerd op € 229.133) voldoende liquiditeit in de praktijk overblijft om aan de lopende betalingsverplichtingen te kunnen blijven voldoen. Volgens de Accountantskamer maakt de accountant hiermee voldoende duidelijk dat en om welke redenen in de voorbije jaren minder aan de maten is uitgekeerd dan op grond van de winst en de liquide middelen had gekund. Verder heeft de accountant in het rapport het verschil tussen de bruto kasstroom en de winst zowel in woorden als in cijfers voldoende onderbouwd en toegelicht.

Klachtonderdeel 12 Verwachte opbrengsten onderverhuur

De accountant heeft de opbrengsten uit onderverhuur bij de berekening van de huisvestingskosten 2024 en 2025 begroot op € 2.600 respectievelijk € 2.704 en met ingang van 2026 op nihil. Volgens de klager is ten onrechte geen rekening gehouden met de verwachte inkomsten uit onderverhuur (na de verhuizing).

De accountant heeft als verweer aangevoerd dat de onderverhuur in het verleden marginaal was en dat de vrouw niet van plan is een of meer ruimten in het nieuwe huurpand te verhuren. Daardoor zijn de inkomsten uit onderverhuur in de prognose op nihil gesteld. Volgens de Accountantskamer hoefde de accountant geen huurinkomsten te prognosticeren, omdat de vrouw niet langer wil verhuren.

Annotatie Lex van Almelo

Een huisarts moet een dubbele aderlating ondergaan: zij verliest haar echtgenoot bij een echtscheiding en een maat uit de huisartsenmaatschap door uittreding. De huisarts wil na de uittreding in haar eentje verder in de praktijk. Ondertussen is zij met haar ex in gevecht over de hoogte van de kinderalimentatie. In dat kader geeft de huisarts de AA, die voorheen de ib-aangiften van zowel de huisarts als haar man verzorgde, opdracht de winstuitkeringen van 2022 tot en met 2024 in kaart te brengen en een prognose op te stellen voor haar winst en netto kasstroom voor 2025 tot en met 2027. De uittreding van de andere huisarts en de verhuizing naar een ander huurpand compliceren de voorspellingen. De ex-man vecht de prognose aan, omdat hij belang heeft bij een zo hoog mogelijke winstuitkering aan zijn ex-vrouw. Hij vindt de uitkeringen - in zowel verleden als toekomst - te laag en de geprognosticeerde kosten te hoog. Hij vervat zijn verwijten in veertien klachtonderdelen.

De accountant verschaft geen assurance en kan ook niet met zekerheid uitspraken doen over de toekomst. Niettemin moet de accountant die een prognose afgeeft ervoor zorgen dat die een toereikende grondslag heeft, dat de gehanteerde aannames en uitgangspunten erin staan en de prognose niet misleidend is. De prognose van de kosten en indexcijfers hoeft niet steeds te zijn gebaseerd op offertes – de accountant kan de prognose ook op een andere manier funderen. In dit geval voldoet de prognose aan alle voorwaarden: de feitelijke basis deugt en is onderbouwd met cijfers; de vraag, de uitgangspunten en de toelichtingen zijn helder. Kortom, klager: zeg eens AA.

reacties

Reageer op dit artikel

Spelregels debat

    Aanmelden nieuwsbrief

    Ontvang elke werkdag (maandag t/m vrijdag) de laatste nieuwsberichten, opinies en artikelen in uw mailbox.

    Bent u NBA-lid? Dan kunt u zich ook aanmelden via uw ledenprofiel op MijnNBA.nl.