Halve waarheid leidt tot nieuwe berisping
Een accountant van de FIOD c.q. voormalige tuchtrechtcoördinator van het OM loopt na een eerdere berisping en tijdelijke doorhaling een nieuwe berisping op. Hij heeft de tuchtrechter de halve waarheid verteld.
Accountantskamer
- Zaaknummers:
- 24/3896 Wtra AK en 25/1199 Wtra AK
- Datum uitspraak:
- 10 augustus 2026
- Oordeel:
- deels gegrond
- Maatregel:
- berisping
- Status:
- nog niet definitief
- Vindplaats:
- ECLI:NL:TACAKN:2026:70
Lex van Almelo
Belangrijkste feiten
De FIOD heeft de Brabantse vermogensbeheerder Box Consultants tien jaar geleden onder vuur genomen, alsmede drie BDO-accountants en de Stibbe-advocaat waarmee Box zaken deed. De strafzaak tegen Box werd stopgezet nadat het verschoningsrecht van de advocaat werd geschonden en het Openbaar Ministerie trof een schikking met de advocaat raadsman.
Het gevecht met de FIOD volgt ook een tuchtrechtelijk spoor. Twee controlerend accountants van BDO krijgen in hoger beroep een waarschuwing en de advocaat van Stibbe dient tuchtklachten in tegen de registeraccountant/jurist die in zijn dubbelrol als rechercheur en tuchtrechtcoördinator het verschoningsrecht schond en de advocaat vals beschuldigde.
De eerste tuchtklacht tegen de FIOD-accountant leidt tot een berisping wegens schending van het verschoningsrecht van de advocaat. De tweede tuchtklacht mondt uit in een tijdelijke doorhaling voor zes maanden. De FIOD-accountant heeft in strijd met de vakbekwaamheid en zorgvuldigheid gebruik gemaakt van e-mails waarvan hij wist, althans had moeten begrijpen, dat die (mogelijk) geheimhouderinformatie waren, waarvan hij geen kennis mocht nemen.
De tuchtrechtelijke aanklager van het OM heeft hoger beroep aangetekend tegen beide uitspraken en dient even geen klachten meer in tegen accountants. In hoger beroep zal het College van Beroep waarschijnlijk meteen een oordeel vellen over de derde en vierde klacht van de Stibbe-advocaat, waarvan hierna de samenvatting volgt. Die klachten gaan over vermeende onwaarheden die de FIOD-accountant zou hebben gedebiteerd tijdens de behandeling van de tweede tuchtklacht.
Klacht
- In de derde tuchtklacht (24/3896 Wtra AK) verwijt de advocaat de FIOD-accountant dat deze in de tweede klachtprocedure een onjuiste en onvolledige verklaring heeft afgelegd, die afwijkt van wat de accountant in de eerder gevoerde tuchtprocedures heeft gezegd en heeft vastgelegd in het FIOD-journaal;
- In de vierde tuchtklacht (25/1199 Wtra AK) leest de Stibbe-advocaat in een proces- verbaal dat de FIOD-accountant over veel meer geprivilegieerde stukken beschikte dan hij eerder zei tegen de Accountantskamer en in november/december 2024 nog beschikte over verschoningsgerechtigd materiaal dat vernietigd had moeten worden.
Oordeel
De klachten zijn deels gegrond.
Eén ronde
De advocaat heeft op de zitting gevraagd of hij nog schriftelijk mag reageren op delen van het verweerschrift, omdat een mondelinge reactie te veel tijd zal kosten. De Accountantskamer wijst dit verzoek af. De procedure bij de Accountantskamer is in beginsel beperkt tot één schriftelijke ronde (artikel 15 van het procesreglement 2026). Alleen als dat nuttig of noodzakelijk is, kan de voorzitter besluiten dat een tweede schriftelijke ronde wordt gehouden. Tijdens de mondelinge behandeling hebben de partijen ieder een uur spreektijd gehad en dus voldoende gelegenheid om in reactie op het klaag- en verweerschrift hun nadere stellingen en weren naar voren te brengen.
Spreekverbod
De accountant voert in zijn verweer aan dat hij tijdens de tweede klachtprocedure niets mocht zeggen over de gang van zaken in het strafrechtelijk onderzoek. Zo heeft zijn advocaat destijds geadviseerd niets te verklaren over het advies van de Landsadvocaat. De accountant gaat ook uitgebreid in op de tweede klachtprocedure en op de beslissing van de Accountantskamer daarin. Aan dit deel van het 129 pagina’s tellende verweerschrift gaat de Accountantskamer daarom voorbij, omdat de derde tuchtprocedure niet is bedoeld om de eerste en tweede over te doen. De uitspraken over de eerste en tweede klacht zijn in behandeling bij het CBb. De Accountantskamer wuift ook de verwijten weg, waarmee de advocaat kwam in de tweede klachtprocedure.
Onvolledige verklaring
De advocaat heeft niet aannemelijk gemaakt dat de accountant toegang had tot de digitale stukken van het hostingbedrijf en heeft kunnen zoeken in de circa 2 miljoen e-mailberichten die onder het beslag vallen. Hij heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat de FIOD-accountant over meer stukken beschikte dan de fysieke stukken die hem zijn aangereikt door medewerkers van het opsporingsteam en die hij bewaarde in een zichtmapje.
Wel vindt de Accountantskamer dat de accountant niet volledig is geweest in zijn eerdere verklaringen. In het verweerschrift maakt de accountant duidelijk dat hij in het systeem Summ-IT bevoegd was stukken te lezen op niveau 4. Zo volgde hij de bewerkingen in het proces-verbaal van zijn kamergenote die het controledossier van het accountantskantoor beoordeelde. Aan dat proces-verbaal kunnen bijlagen uit het computersysteem Forensisch Domein worden gehecht, waaronder stukken van het hostingbedrijf. In de tweede klachtprocedure had de accountant zo zorgvuldig moeten zijn om de Accountantskamer hierover meer openheid te verschaffen. In dat opzicht zijn de verklaringen van betrokkene niet volledig geweest.
De FIOD-accountant heeft een toelichting gegeven op de verschillende computersystemen die de FIOD gebruikt(e), ondersteund door een proces-verbaal van 18 december 2024, waarin de verschillende systemen worden uitgelegd:
- in Summ-IT worden per onderzoek de processen-verbaal vastgelegd en per onderzoek een journaal bijgehouden, dat is onderverdeeld in een onderzoekjournaal en een afsprakenjournaal; de journaalmutaties die de advocaat in het klaagschrift heeft staan, komen uit Summ-IT; bij een proces-verbaal kunnen bijlagen worden gevoegd, zoals in beslag genomen stukken;
- in IDR (tot 1 januari 2016 in gebruik) werden alle data opgeslagen en verwerkt die in het kader van de opsporingsonderzoeken waren verzameld, zoals uit vorderingen of doorzoekingen; ook de digitale data van het hostingbedrijf zijn daarin opgeslagen; sinds 1 januari wordt hiervoor Forensisch Domein gebruikt;
- NUIX is een softwareapplicatie, waarmee IDR en Forensisch Domein bevraagd kunnen worden; de gegevens in IDR waren via NUIX enkel raadpleegbaar via een stand alone computer. Sinds de invoering van Forensisch Domein is NUIX toegankelijk via het netwerk.
Volgens de advocaat was de FIOD-accountant bevoegd gebruik te maken van NUIX en had hij dus toegang tot de bestanden van het hostingbedrijf, die waren opgeslagen in IDR en later in het Forensisch Domein. De FIOD-accountant betwist gemotiveerd dat hij toegang tot deze bestanden had via NUIX. De Accountantskamer vindt dat de advocaat onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de FIOD-accountant wel toegang had.
Tijdens de mondelinge behandeling van de derde en vierde klacht is duidelijk geworden dat de FIOD-accountant na de toezegging dat hij voor de tuchtzaak tegen de BDO-accountants mocht putten uit het strafrechtelijk onderzoek op zichzelf niets kon, omdat daarmee de autorisatie in NUIX (IDR/FD) nog niet was geactiveerd. De FIOD-accountant is niet zelf op zoek gegaan naar belastende informatie.
In januari 2016 heeft de FIOD-accountant gevraagd om toegang tot Summ-IT, omdat hij de voortgang van de handelingen in het proces-verbaal wilde kunnen zien. Met Summ-IT is het niet mogelijk de data van het hostingbedrijf te raadplegen, want die zijn alleen benaderbaar via NUIX. In een e-mail aan de FIOD-accountant verklaart een collega dat:
- de collega van januari 2016 tot en met 2017 geen autorisatieaanvragen van de accountant is tegengekomen om toegang te krijgen tot het onderzoek in het Forensisch Domein;
- zonder aanvraag geen autorisatie bestaat;
- de FIOD-accountant daarom van januari 2016 tot en met mei 2017 geen toegang heeft gehad tot het strafrechtelijk onderzoek.
De advocaat doet deze verklaring af als onwaar, maar verwijst daarbij alleen naar bepaalde journaalmutaties. De Accountantskamer ziet geen reden om aan de juistheid van de verklaring te twijfelen. Ook uit de andere journaalmutaties blijkt niet dat aan de FIOD-accountant toegang is verleend tot NUIX (IDR/FD).
De e-mailberichten van de FIOD-accountant aan een jurist van het OM, waarnaar de advocaat heeft verwezen, tonen evenmin aan dat de FIOD-accountant:
- meer stukken had dan de fysieke stukken in het zichtmapje; of
- zelf zou hebben gezocht naar belastende informatie in de digitale stukken.
Dit mailverkeer bewijst niet dat de FIOD-accountant stukken heeft gedeeld die hij zelf uit de data van het hostingbedrijf heeft opgediept. Zo heeft de FIOD-accountant in januari 2016 stukken gedeeld met een OM-jurist die hij eerst had gescand, want hij schrijft: "…bijgevoegd een scan met…". Dat wijst erop dat de FIOD-accountant met de jurist stukken heeft gedeeld uit het zichtmapje en geen digitale stukken waar hij direct bij kon, anders had hij die stukken immers niet eerst hoeven scannen. De FIOD-accountant heeft ook verklaard dat hij alleen een paar geprinte e-mailberichten had.
Volgens de FIOD-accountant heeft een collega een selectie van stukken gemaakt en deze afgedrukt, in een map gedaan inclusief een overzicht. De collega heeft deze map eerst fysiek en later nog eens digitaal aan de parketsecretaris gegeven/verstuurd. Die heeft de stukken die hij van een ander had ontvangen vergeleken met andere stukken. Omdat hij een paar stukken miste heeft de parketsecretaris die opgevraagd bij de FIOD-accountant, die vervolgens zijn zichtmapje heeft gescand en aan de parketsecretaris heeft gestuurd. Uit deze gang van zaken blijkt niet dat de FIOD-accountant meer stukken had dan die in zijn zichtmapje zaten, maar wel dat hij geen digitale stukken had.
De FIOD-accountant had een onbekend aantal fysieke stukken in het zichtmapje, die hij ontving van één van de officieren van het OM. Daaruit volgt niet zonder meer dat hij:
- nog over stukken beschikte met een andere inhoud dan die in het zichtmapje; en
- die stukken heeft gebruikt in de tuchtprocedure tegen de BDO-accountants.
De FIOD-accountant heeft uitgelegd dat de fysieke stukken na het scannen een eigen digitaal leven zijn gaan leiden. De tuchtklacht tegen de BDO-accountants is digitaal opgesteld en voorzien van digitale bijlagen. De stukken die vielen onder het verschoningsrecht van de klagende advocaat maakten onderdeel uit van de eerste en tweede tuchtklacht tegen de FIOD-accountant en waren ook digitaal opgeslagen.
In zo'n situatie kun je volgens de Accountantskamer verwachten dat dezelfde digitale stukken op diverse plekken worden opgeslagen. Dat maakt de verklaringen van de FIOD-accountant in de tweede klachtprocedure echter niet onwaar. Hij heeft (desgevraagd) een verklaring afgelegd over de herkomst van de verschoningsgerechtigde stukken. Hem is niet gevraagd toe te lichten hoe hij deze stukken heeft opgeslagen, dan wel of ze een eigen digitaal leven zijn gaan leiden.
Het antwoord dat hij niet beschikte over digitale stukken heeft de Accountantskamer in de tweede en onderhavige klachtprocedure zo opgevat dat de FIOD-accountant geen toegang had tot de digitale stukken van het hostingbedrijf en hij bij het indienen van de BDO-klacht alleen kon beschikken over de informatie uit de fysieke stukken die hem zijn aangereikt door één van de OM-juristen. Dat de FIOD-accountant die stukken heeft gedigitaliseerd doet aan de waarachtigheid van zijn verklaringen niet af. Daarom is het verwijt dat hij een onjuiste verklaring heeft afgelegd ongegrond.
Wel stelt de Accountantskamer vast dat hij niet volledig is geweest toen hij verklaarde dat hij geen toegang zou hebben gehad tot digitale beslagstukken. De FIOD-accountant heeft tijdens de tweede klachtprocedure namelijk geen openheid van zaken gegeven over zijn inzagemogelijkheid in Summ-IT vanaf januari 2016. Dat had hij wel moeten doen, omdat in dat systeem stukken van het hostingbedrijf kunnen zijn gevoegd bij een proces-verbaal van bijvoorbeeld een verhoor. In zijn verweerschrift stelt de FIOD-accountant zelf dat:
- een proces-verbaal van een opsporingsambtenaar aangeeft dat in Summit ook processen-verbaal worden opgeslagen;
- in de bijlagen bij deze processen-verbaal vanzelfsprekend inbeslaggenomen stukken kunnen zitten;
- inbeslaggenomen stukken die bij een verhoor zijn getoond aan een persoon in de regel als bijlage bij het proces-verbaal van verhoor zitten;
- hetzelfde geldt voor een proces-verbaal waarin onderzoeksbevindingen zijn vastgelegd.
Dat er daadwerkelijk verschoningsrechtelijk materiaal te vinden was in Summ-IT blijkt uit het proces-verbaal van deze opsporingsambtenaar uit december 2024. Daarin staat dat een verbalisant in januari 2019 geheimhouderstukken heeft verwijderd uit het digitale bijlagendossier van Summ-IT.
Dit betekent dat de FIOD-accountant via Summ-IT wel toegang had tot bestanden van het hostingbedrijf wanneer die als bijlage aan een proces-verbaal waren toegevoegd. De FIOD-accountant wist vanwege de inhoud van de klacht tegen hem en de behandeling op de zitting dat het er bij de tweede klachtprocedure ook om ging in hoeverre hij kennis had genomen van, beschikte over of had kunnen beschikken over een of meer in beslag genomen digitale bestanden. Tegen deze achtergrond had hij kunnen en behoren te verklaren dat hij (in ieder geval) vanaf januari 2016 wel toegang had tot Summ-IT waarin processen-verbaal werden opgeslagen waarvan stukken van het hostingbedrijf deel konden uitmaken.
Tijdens de zitting in oktober 2023 heeft hij naar aanleiding van een vraag over "kijken in het beslagdossier" van het strafrechtelijk onderzoek wel verklaard dat hij toegang had tot een kast met ordners en dat hij een keer in de kamer van collega's een aantal ordners heeft ingekeken. Hij heeft niet verklaard dat hij ook toegang had tot Summ-IT. Zijn gemachtigde heeft destijds onder meer gezegd dat de FIOD-accountant niet bij de digitale bestanden kan en kon. De FIOD-accountant heeft hem niet gecorrigeerd. In zoverre is de klacht gegrond.
Kennisgenomen van e-mail?
Op 2 april 2015 stuurt de hoofdverdachte in de strafzaak aan één van de BDO-accountants een e-mail over de "concept onderzoeksopdracht", dat blijkens de aanhef is "opgesteld ten behoeve van de advocaat". Hierin geeft de verdachte naar aanleiding van het telefoongesprek met de accountant een nadere omschrijving van de werkzaamheden. Hij schrijft dat de vermoedelijke strafbare feiten bestaan uit:
- het plegen van valsheid in geschrift door nota's op te maken voor prestaties die niet zijn geleverd;
- witwassen door te verhullen wat de werkelijke aard en/of herkomst van deze gelden is dan wel wie de rechthebbende op deze gelden was en door deze gelden over te dragen of te gebruiken.
De FIOD-accountant heeft in de tweede klachtprocedure verklaard dat hij deze e-mail niet had tijdens het verhoor van één van de BDO-accountants in oktober 2015, maar alleen het e-mailbericht van 30 maart 2015 van de hoofdverdachte aan de BDO-accountant, waarin staat dat:
- de hoofdverdachte zojuist een conference call heeft gehad met de Stibbe-advocaat;
- de advocaat de goede suggestie deed dat het advocatenkantoor de onderzoeksopdracht geeft;
- de BDO-accountants dan werken onder de bescherming van het verschoningsrecht;
- de FIOD de onderzoeksstukken niet mee mag meenemen als de dienst bij BDO "langs zou komen";
- dit voor BDO ook beter lijkt.
Volgens de advocaat heeft de FIOD-accountant tijdens de mondelinge behandeling van de tuchtklacht in strijd met de waarheid verklaard dat hij geen beschikking had over de mail van 2 april 2015. De Accountantskamer vindt dat de advocaat dit om twee redenen niet aannemelijk maakt:
- Ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst de advocaat naar het klaagschrift dat de FIOD-accountant heeft ingediend tegen BDO, waaruit zou blijken dat de FIOD-accountant wel degelijk al bekend was met het e-mailbericht van 2 april 2015. In de ogen van de Accountantskamer komt de advocaat met een interpretatie achteraf. Er blijkt niet uit dat de FIOD-accountant tijdens het verhoor van de BDO-accountant beschikte over het genoemde e-mailbericht.
- Uit een ander e-mailbericht blijkt volgens de Accountantskamer afdoende dat de BDO-accountant en de hoofdverdachte hebben gecommuniceerd over de onderzoeksopdracht en het verschoningsrecht van de advocaat. De FIOD-accountant hoefde niet per se het e-mailbericht van 2 april 2015 te kennen om te beseffen dat de onderzoeksopdracht door Stibbe zou worden gegeven om het onderzoek onder het verschoningsrecht van klager te brengen.
Verder is nog van belang dat bij de e-mail van de FIOD-accountant aan één van de zaaksofficieren hij "het bedoelde mailverkeer in de zaak" toestuurde, waarbij wel de e-mailwisseling van 30 maart 2015 was gevoegd, maar niet de e-mail van 2 april 2015. Dat laatste had wel voor de hand had gelegen als de FIOD-accountant die e-mail toen al had. Dat de FIOD-accountant heeft voorgesteld om de BDO-accountant tuchtrechtelijk aan te pakken bewijst niet dat hij op 2 oktober 2015 al wist van het e-mailbericht van 2 april 2015.
Hertoetsing geheimhouderinformatie
Uit een notitie van een rechercheur die belast is met geheimhouderinformatie kan worden opgemaakt dat:
- twee andere opsporingsmedewerkers in het kader van het onderzoek het vermoeden kregen dat het verschoningsrecht werd misbruikt;
- hun uit de beschikbare informatie duidelijk was geworden dat Stibbe had overlegd met Box over het verstrekken van een opdracht aan BDO;
- de twee rechercheurs met de zoekterm Stibbe 3.000 bestanden hebben voorzien van het label "geheimhouders", zonder kennis te nemen van de inhoud daarvan;
- aan de medewerker geheimhouderinformatie de opdracht is gegeven om de gelabelde digitale bestanden te beoordelen op eventuele geheimhouderinformatie;
- deze medewerker een selectie heeft gemaakt;
- in overleg met één van de zaaksofficieren is besloten de stukken die volgens de medewerker in verband konden worden gebracht met misbruik van verschoningsrecht voor te leggen aan een andere officier van justitie;
- de medewerker op 10 maart 2016 alle eventuele geheimhouderstukken heeft besproken met deze officier;
- deze officier daarbij heeft bepaald dat alle digitale bestanden als vermoedelijke geheimhouderinformatie moesten worden aangemerkt aangezien deze betrekking hebben op de juridische dienstverlening.
De Accountantskamer citeert een notitie van de medewerker geheimhouderinformatie, die 514 woorden telt en erop neerkomt dat het onderzoeksteam het niet eens is met de beslissing om alle digitale bestanden te ontzien. Uit jurisprudentie zou namelijk blijken dat informatie die in cc is gestuurd aan een advocaat niet onder het verschoningsrecht valt. De zaaksofficier zou daarom opnieuw moeten toetsen welke bestanden onder geheimhouderinformatie vallen. Dat gebeurt in mei 2016.
In de tweede klachtprocedure schrijft de FIOD-accountant over zijn betrokkenheid bij de herbeoordeling dat hij:
- simpelweg de uitkomst van de beoordeling heeft afgewacht;
- niet betrokken was bij het verzoek van het onderzoeksteam om stukken opnieuw voor te leggen aan de officier voor een nadere inhoudelijke beoordeling.
Volgens de advocaat hebben de spreekaantekeningen en mondelinge verklaringen van de FIOD-accountant dezelfde strekking, te weten dat hij wel wist dat er een herbeoordeling kwam, maar dat hij daarbij niet betrokken is geweest.
De advocaat vindt dat de FIOD-accountant de Accountantskamer met deze verklaringen onjuist heeft geïnformeerd. Uit een journaalmutatie blijkt dat de parketsecretaris een gesprek heeft gevoerd met een officier van justitie over stukken die nodig zijn voor de tuchtklacht, die de FIOD-accountant zou voorbereiden en indienen. Of e-mails nodig zijn voor een tuchtzaak kan alleen worden beoordeeld door iemand die al bekend is met de inhoud daarvan. Dat moet dus de FIOD-accountant zijn geweest, zegt de advocaat. Uit een andere journaalmutatie blijkt dat de parketsecretaris een lijst heeft samengesteld van e-mails met mogelijke geheimhouderstukken. Volgens de advocaat zijn dat stukken waarover de FIOD-accountant zei dat hij die nodig had voor de tuchtzaak.
De FIOD-accountant bestrijdt dat hij de Accountantskamer onjuist heeft voorgelicht en verwijst daarvoor naar de notitie van de medewerker geheimhouders. Aan de hand van een e-mailwisseling met de parketsecretaris licht hij toe dat hij er hooguit voor heeft gezorgd dat de parketsecretaris de juiste stukken aan één van de officieren van justitie heeft kunnen sturen.
Voor de Accountantskamer is niet aannemelijk geworden dat de FIOD-accountant betrokken was bij het verzoek tot herbeoordeling van de geheimhouderstukken. De geheimhoudermedewerker heeft beschreven dat hij zijn taken heeft uitgevoerd op bevel van zijn leidinggevende. Na de aanvankelijke beoordeling van de officier van justitie die alle stukken als geheimhouderstukken had aangemerkt, verzocht het "onderzoeksteam" om herbeoordeling. Het is onbekend wie de medewerker met dat team bedoelt en hij noemt de FIOD-accountant niet als initiator van het verzoek. Uit het verweer van de FIOD-accountant blijkt dat hij wel betrokken was bij het verzoek om herbeoordeling, maar die betrokkenheid zich beperkte tot het doorsturen van de juiste selectie van stukken. De Accountantskamer vindt dit een vrij onbetekenende ondersteuning bij het aanleveren van de juiste stukken, die geen afbreuk doet aan de waarachtigheid van de verklaring van de FIOD-accountant dat hij (inhoudelijk) niet betrokken was bij het verzoek om herbeoordeling vanuit het onderzoeksteam.
Conclusie derde en deel vierde tuchtklacht
De klachten zijn gegrond wat betreft de onvolledigheid van de verklaring dat hij geen toegang had tot Summ-IT en de mogelijk daarin ook opgeslagen stukken van het hostingbedrijf. Naar het oordeel van de Accountantskamer ging het bij het voeren van verweer tegen de tweede klacht niet om beroepsuitoefening (volgens artikel 3 VGBA), omdat de aangeklaagde daarbij niet zijn vakbekwaamheid als accountant heeft aangewend of kunnen aanwenden. Op het nalaten van de accountant is daarom alleen het fundamentele beginsel professionaliteit van toepassing. Hij heeft in strijd gehandeld met dat beginsel en het accountantsberoep in diskrediet gebracht.
Restant vierde tuchtklacht Bezit en vernietiging verschoningsgerechtigd materiaal
Volgens de advocaat moet de FIOD-accountant vanwege zeven rechterlijke beslissingen (waaronder de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad) hebben geweten dat hij niet mocht (blijven) beschikken over verschoningsgerechtigd materiaal. Uit een proces-verbaal blijkt dat de accountant in december 2024 desondanks nog altijd verschoningsgerechtigd materiaal had van het hostingbedrijf. Hij heeft een collega meegedeeld dat hij het verschoningsgerechtigd materiaal heeft vernietigd, maar heeft blijkbaar zelf beoordeeld welke e-mails wel of niet verschoningsgerechtigd materiaal bevatten. Daarmee voldoet hij niet aan de wet, aldus de advocaat. Opsporingsambtenaren moeten op grond van het Wetboek van Strafvordering en het Besluit bewaren en vernietigen niet-gevoegde stukken een proces-verbaal van vernietiging opmaken, waarin staat hoe de gegevens zijn vernietigd. Zo'n proces-verbaal heeft de FIOD-accountant niet opgemaakt. Bovendien is het verwijderen van bestanden niet hetzelfde als vernietigen.
De Accountantskamer leest in een bericht van het Functioneel Parket dat wordt gevraagd de vaststellingsovereenkomst tussen het OM en Stibbe uit te voeren. Die overeenkomst komt erop neer dat zoveel mogelijk wordt gestreefd naar een situatie alsof het verschoningsgerechtigd materiaal nooit in de betreffende systemen terecht was gekomen. Het Functioneel Parket geeft de opdracht tot vernietiging en draagt de FIOD op om daarvan proces-verbaal te maken. Het bericht sluit af met een uitzonderingsbepaling, waarin staat dat de vernietigingsplicht niet geldt voor de FIOD-accountant waar het gaat om verschoningsgerechtigd materiaal dat is verwerkt in de fysieke processtukken die zijn ingediend in de lopende en nieuwe tuchtprocedures tegen hem.
De FIOD-accountant mocht dus over verschoningsgerechtigd materiaal blijven beschikken, voor zover dat materiaal onderdeel uitmaakt van een tuchtprocedure of een nieuwe tuchtklacht. Ook uit de tussenuitspraken van het College van Beroep voor het bedrijfsleven en de Accountantskamer volgt dat de accountant voor zijn verweer mag blijven beschikken over verschoningsgerechtigd materiaal.
In het Besluit bewaren en vernietigen niet-gevoegde stukken (artikel 4 lid 2) staat dat:
- het bevel tot vernietiging van verschoningsgerechtigd materiaal schriftelijk moet worden gegeven;
- van de vernietiging proces-verbaal wordt opgemaakt;
- dit proces-verbaal wordt gestuurd aan de officier van justitie.
De Accountantskamer laat in het midden of de vernietigingsopdracht van het OM moet worden gezien als een bevel in de zin van bovengenoemd besluit of als het uitvoeren van de vaststellingsovereenkomst. In elk geval hoefde de FIOD-accountant geen proces-verbaal van vernietiging op te stellen. De opdracht of het bevel is immers niet aan hem gegeven, maar aan de opsporingsambtenaar, die de accountant liet weten dat hij de fysieke stukken van het verschoningsgerechtigd materiaal heeft vernietigd en de digitale stukken die onder het verschoningsrecht vallen heeft verwijderd uit de systemen. De gekozen bewoordingen zijn niet onjuist, want in beide gevallen was het resultaat dat de accountant er niet langer de beschikking over had.
Maatregel
Berisping.
De accountant is tijdens de tweede klachtprocedure niet volledig geweest in zijn verklaringen, hoewel het hem duidelijk moet zijn geweest dat hij in de gegeven omstandigheden niet alleen juist maar ook volledig moest verklaren over de (digitale) stukken waarover hij destijds kon beschikken. Daarover ging de procedure immers juist. De FIOD-accountant had een mogelijk misverstand daarover moeten voorkomen door hierover een volledige verklaring af te leggen. Door dat niet te doen heeft hij het accountantsberoep in diskrediet gebracht.
De Accountantskamer weegt in het voordeel van de accountant mee dat hij in relatie tot het feitencomplex vanaf juni 2019 (de eerste klacht) herhaaldelijk heeft moeten verantwoorden. Op de zitting over de derde en vierde klacht is gebleken dat dit, mede door het lange tijdsverloop, grote invloed op hem heeft.
Annotatie Lex van Almelo
Box Consultants wordt verdacht van fraude met facturen en witwassen. Huisaccountant BDO wordt gevraagd intern feitenonderzoek te doen naar de verdenkingen. De advocaat van Box stelt voor dat zijn kantoor de onderzoeksopdracht verstrekt, zodat het rapport en de onderliggende informatie onder het verschoningsrecht van de advocaat vallen. Als de FIOD dit voorstel ontdekt, verhardt de strijd tegen Box, BDO en de advocaat zich. In de loop van het strafrechtelijk onderzoek wordt duidelijk dat de FIOD informatie heeft en gebruikt die onder het verschoningsrecht van de advocaat vallen. De Stibbe-advocaat vecht hard terug. Het OM moet het strafrechtelijk onderzoek uiteindelijk staken en treft een schikking met de advocaat. De tuchtrechtcoördinator van het OM trad in het strafrechtelijk onderzoek ook op als FIOD-rechercheur.
Terwijl het strafrechtelijk spoor doodloopt, wordt er op het tuchtrechtelijke spoor lustig op los geklaagd. Twee controlerend accountants van BDO worden gewaarschuwd na een klacht van de tuchtrechtcoördinator van het OM, die als accountant van de FIOD meerdere klachten aan zijn broek krijgt, die worden ingediend door de advocaat wiens verschoningsrecht is geschonden. In de eerste wordt de FIOD-accountant berispt vanwege de schending van het verschoningsrecht van de advocaat. In de tweede wordt zijn inschrijving voor zes maanden doorgehaald, omdat hij gebruik heeft gemaakt van e-mails die vallen onder het verschoningsrecht van de advocaat.
Tijdens de procedure over de tweede klacht jokt de accountant volgens de advocaat dat hij geen toegang had tot en geen beschikking had over materiaal dat viel onder het verschoningsrecht van de advocaat. De advocaat dient daarom een derde en vierde klacht tegen de FIOD-accountant in. Die klachten zijn in zoverre gegrond dat de accountant de halve waarheid heeft gesproken. Hij zei dat hij alleen toegang had tot een kast met ordners van een collega en daarin heeft gekeken. Hij verzweeg dat hij via softwareprogramma Summ-IT wel toegang had tot digitale geheimhouderstukken wanneer die als bijlage waren gevoegd bij een proces-verbaal. Toen zijn raadsman kortweg tegen de Accountantskamer zei dat hij geen toegang had, heeft de FIOD-accountant die uitspraak niet gecorrigeerd. De accountant had een misverstand over de kern van de zaak moeten voorkomen door een volledige verklaring af te leggen in plaats van de halve waarheid te spreken. Door dit na te laten heeft hij het beroep in diskrediet gebracht en het professionaliteitsbeginsel geschonden. Dat is het enige toepasselijke beginsel in deze zaak, omdat de accountant in zijn verweer niet zijn kennis als accountant heeft gebruikt of kon gebruiken en dus geen professionele dienst heeft uitgevoerd.
De accountant heeft in de tweede klachtprocedure ook niet verteld dat hij een selectie van verschoningsgerechtigd materiaal heeft doorgestuurd naar de parketsecretaris van het OM, om opnieuw te bekijken of al die mails nu wel echt vielen onder het verschoningsrecht. Het onderzoeksteam van de FIOD had aangedrongen op deze hertoetsing, nadat de Hoge Raad had gezegd dat bestanden niet onder het verschoningsrecht vallen als de advocaat bij e-mailberichten slechts in de cc staat. De Accountantskamer tilt niet zwaar aan deze halve waarheid, omdat het gaat om een "vrij onbetekenende ondersteuning" en de betrokkenheid van de accountant niet inhoudelijk was. Dat lijkt inderdaad het geval. Waarom heeft de accountant dit dan niet gewoon verteld? Gezien de context en de kern van de zaak komt dit verzwijgen ook niet professioneel over.
De Accountantskamer was op dit punt wellicht iets minder scherp door de omvang van alle stukken. Alleen het verweerschrift van de accountant beslaat al 129 pagina's. De advocaat vindt dit zo lang dat hij de tuchtrechter verzoekt of hij schriftelijk mag reageren op het verweerschrift, voor zover hij daar mondeling niet aan toekomt op de zitting. De Accountantskamer zegt nee, omdat de procedure zich in beginsel beperkt tot één schriftelijke ronde. Alleen als dat nuttig of noodzakelijk is, kan de voorzitter besluiten over te gaan tot een tweede schriftelijke ronde. In deze zaak hebben de partijen ieder een uur spreektijd gehad. Dat moet volgens de tuchtrechter voldoende zijn om op elkaar te reageren.
De behandeling van het hoger beroep over vier klachten belooft een monsterproces met een ellenlange uitspraak te worden, dat deels wordt gevoerd op kosten van de belastingbetaler. Ik vraag me af of de kwaliteit van de beroepsuitoefening ermee gediend is.
