Magazine

10 IFRS-lessen

De eerste jaargang jaarrekeningen onder IFRS is verschenen. Een eerste indruk van de ervaringen en gevolgen, aan de hand van tien observaties.

Dit artikel is verschenen in de Accountant nr. 10, 2006

Bekijk alle artikelen uit dit nummer

» Download dit artikel in pdf

Met ingang van boekjaar 2005 moeten de geconsolideerde jaarrekeningen van Europese beursgenoteerde ondernemingen in Europa zijn opgemaakt op basis van de International Financial Reporting Standards (IFRS). Dat is een revolutionaire bijdrage aan de vergelijkbaarheid van financiële verslaggeving in Europa: 25 verschillende verslaggevingssystemen zijn nu geharmoniseerd. Voor beleggers is de onderlinge vergelijkbaarheid enorm toegenomen en er is een belangrijke stap gezet op weg naar een geïntegreerde Europese kapitaalmarkt.

Tegelijkertijd is er getuige de perspublicaties, bij ondernemingen ook veel kritiek. Ze vinden IFRS te kostbaar (concern De Telegraaf), het leidt soms tot uitkomsten die ‘mallotig’ zijn (Rabobank), ondernemingen veranderen hun gedrag als gevolg van IFRS (Océ), en sommige overwegen zelfs vanwege IFRS hun beursnotering te beëindigen (Reesink).

Voor een definitieve analyse van de kosten en baten van IFRS, is het nog veel te vroeg, maar een eerste analyse kan al wel worden gemaakt. Op grond van eigen betrokkenheid bij de controle van IFRS-jaarrekeningen en overleg met collega’s in binnen- en buitenland kom ik tot de volgende tien observaties.

1

Ondernemingen hebben de complexiteit, effecten en kosten van IFRS onderschat.

Veel ondernemingen zijn al een tijd geleden met het IFRS-conversieproces gestart, maar het opmaken van een jaarrekening die volledig met die regels in overeenstemming is, blijkt toch niet mee te vallen. Als controlerend accountant heb ik ontwerpjaarrekeningen beoordeeld die geacht werden in overeenstemming te zijn met IFRS, maar waarbij meer dan driehonderd opmerkingen werden geplaatst. Voorts rapporteren ondernemingen hoge kosten om aan IFRS te kunnen voldoen.

2

Controlerende accountants zijn nauw betrokken bij het realiseren van volledige overeenstemming met IFRS.

Het is in dat verband van belang dat de controlerend accountant voldoende afstand houdt van het opmaken van de jaarrekening. Vooral bij kleinere ondernemingen is soms te weinig specifieke IFRS-deskundigheid aanwezig.

3

Accountants voelen de druk van de toezichthouders en elke big four-organisatie heeft zijn eigen wereldwijde coördinatiemechanisme opgezet om verschillen in interpretatie en toepassing van IFRS te minimaliseren.

Toezichthouders schijnen te verwachten dat het opereren onder één merknaam betekent dat een accountantskantoor wereldwijd dezelfde interpretatie van IFRS volgt. Vooral in reactie daarop zijn centrale IFRS-desks opgezet en zijn vele ‘vragen en antwoorden’ ontwikkeld op gebieden waar de toepassing van IFRS niet duidelijk is.

4

Er is een spanningsveld tussen een op principes gebaseerde interpretatie van IFRS en een op regels gebaseerde interpretatie. Als men diversiteit in de praktijk wil vermijden, dan vereist dit een op regelsgebaseerde benadering.

Indien IFRS ruimte laat voor oordeelsvorming en interpretatie, zoals bij een meer opprincipes gebaseerde benadering, dan is enige diversiteit in de praktijk onvermijdelijk. Als de IASB of de toezichthouders diversiteit willen vermijden, dan vraagt dit om een op regels gebaseerde benadering. Dat leidt in de omstandigheden van een specifieke onderneming echter niet altijd tot de beste verslaggeving.

5

Toepassing van IFRS resulteert in een veel grotere vergelijkbaarheid van Europese ondernemingen, maar grote verschillen tussen de geconsolideerde 2005 cijfers zullen niettemin blijven bestaan.

Omdat de Vierde en Zevende EU-richtlijnen (over financiële verslaggeving) een zeer algemeen karakter hadden, hebben zich in de nu 25 lidstaten van de Europese Unie zeer verschillende verslaggevingspraktijken ontwikkeld. IFRS heeft veel van deze verschillen geëlimineerd en dat is een enorme bijdrage aan de vergelijkbaarheid. Maar met de verschil lende interpretatiemogelijkheden, en de verschillen in de eerste toepassing, is het een illusie om te denken dat de verschillen in Europa nu verdwenen zijn, ondanks de onder punt 3 genoemde coördinatie door accountants. Het zijn immers de ondernemers zelf die de jaarrekening opstellen en daarbij hun keuzes maken in de toepassing van IFRS. De rol van de accountant is beperkt tot het beoordelen of de gemaakte keuzes passen binnen IFRS.

Belangrijke verschillen tussen Europese landen zullen blijven bestaan omdat de landen uit verschillende verslaggevingsculturen komen en de lokale interpretaties deels worden beïnvloed door eerdere ervaringen en praktijken.

6

De onderlinge vergelijkbaarheid wordt in belangrijke mate beperkt doordat er geen vaste modellen zijn voor de balans en de winst- en verliesrekening. Dit is zelfs een achteruitgang ten opzichte van de bestaande praktijk in Europa.

Dit is echt een gebied waar de analisten grote moeite zullen hebben om jaarrekeningen met elkaar te vergelijken. Vooral de variatie in winst- en verliesrekeningen zal opvallend zijn.

7

Onzichtbare maar significante verschillen tussen ondernemingen ontstaan als gevolg van de grotere toepassing van reële waarden en impairments in de verslaggeving.

Eén van de meest dramatische veranderingen als gevolg van IFRS is de beweging naar meer fair value accounting - waardering en resultaatbepaling op basis van reële waarden - en daarmee samenhangende impairmentmethoden inzake goodwill en immateriële activa. Dit leidt tot subjectieve schattingen van toekomstige kasstromen. Veel schattingen zijn ondernemingsspecifiek en soms zijn er grote intervallen van aanvaardbare bedragen. Hierdoor ontstaat een onvermijdbaar gebrek aan vergelijkbaarheid.

8

IFRS is te complex, zelfs voor accountants en andere specialisten.

De jaarrekeningen zullen voor de meeste gebruikers moeilijk te lezen en te begrijpen zijn. Ik verwacht dat jaarrekeningen gemiddeld twintig tot dertig pagina’s dikker zijn geworden.

9

IFRS is op diverse punten onduidelijk en niet stabiel, hetgeen het vertrouwen in de kapitaalmarkt ondermijnt.

  • De beste illustratie daarvan is de toepassing van IAS 27 op het gebied van consolidatie, en wel het vraagstuk van ‘de facto control’. Daarvan is sprake indien feitelijk beslissende zeggenschap wordt uitgeoefend, zonder dat daartoe contractuele rechten bestaan. Een voorbeeld is een veertig-procentaandeelhouder, waarbij de zestig procent aandelen in verspreid bezit zijn en waarbij deze aandeelhouders gewoonlijk niet in grote meerderheid komen opdagen op vergaderingen. Alle Big Four accountantskantoren hadden IAS 27 zo gelezen dat in een dergelijk geval de veertig-procentaandeelhouder niet mag consolideren, omdat de control niet berust op afdwingbare rechten en weer kan verdwijnen als de zestig-procent aandeelhouders wel opdagen. In oktober 2005 heeft de IASB de mededeling uitgevaardigd dat een dergelijke lezing van IAS 27 onjuist is. Niet alleen laat dit zien hoe onduidelijk IFRS kan zijn, ook draagt een dergelijke mededeling in een zo laat stadium, zonder enig due process en buiten IFRIC om, niet bij aan de stabiliteit van IFRS.

10

De vijf moeilijkste onderwerpen in de praktijk zijn:

  • financiële instrumenten (IAS 32/29), waaronder embedded derivaten en hedge accounting;
  • pensioenen (IAS 19), waaronder de classificatie als defined benefit of defined contribution regelingen en de mogelijkheid om een pensioenactief op te nemen;
  • verwerking van overnames (IFRS 3, IAS 38), waaronder de identificatie en waardering van afzonderlijke immateriële activa;
  • de impairment-toets (IAS 36), waaronder de identificatie van kasstroomgenererende eenheden en de subjectiviteit in het berekenen van de realiseerbare waarde;
  • de volledigheid van de toelichting: wanneer is een toelichtingselement niet van materieel belang en kan dit achterwege blijven zonder dat de overeenstemming met IFRS in gevaar komt?

Doorgeschoten

Per saldo hebben de gebruikers in Europa voordeel van de introductie van IFRS. Maar het is een illusie om te denken dat de nieuwe regels leiden tot volledige vergelijkbaarheid. Belangrijke, waarneembare en onwaarneembare, verschillen blijven in de praktijk bestaan. Ik vind dat we ook niet moeten streven naar volledige vergelijkbaarheid, want dat zal altijd een illusie blijven. Bovendien zou het leiden tot nog meer regels en interpretaties en de ervaring in de Verenigde Staten leert dat daarvan niet het heil moet worden verwacht. Naar mijn mening is IFRS al te ver doorgeschoten, zijn er al te veel regels, en is het tijd voor een stap terug, terug naar een op principes gebaseerde benadering. We moeten in alle gevallen vermijden dat cfo’s hun eigen jaarrekening niet begrijpen en dat beleggers het nut van de jaarrekening voor hun economische beslissingen in twijfel trekken.

Noot
Martin Hoogendoorn is partner bij Ernst & Young, voorzitter van de Raad voor de Jaarverslaggeving, en hoogleraar externe verslaggeving aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.

Martin Hoogendoorn is partner bij Ernst & Young, hoogleraar externe verslaggeving aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, Raad-plaatsvervanger bij de Ondernemingskamer en voorzitter van de redactie van het MAB.

Gerelateerd

reacties

Reageren op een artikel kan tot drie maanden na plaatsing. Reageren op dit artikel is daarom niet meer mogelijk.

    Aanmelden nieuwsbrief

    Ontvang elke werkdag (maandag t/m vrijdag) de laatste nieuwsberichten, opinies en artikelen in uw mailbox.

    Bent u NBA-lid? Dan kunt u zich ook aanmelden via uw ledenprofiel op MijnNBA.nl.