Magazine

Deloitte wil zich vakinhoudelijk niet laten horen

Ik constateer nog steeds, ook na lezing van het artikel van Dassen, een discrepantie tussen woorden en daden. Vandaar de titel van dit naschrift. Ik vind de argumenten van Dassen namelijk niet overtuigend. Gelukkig acht hij de door mij aangereikte issues wel relevant en reageert hij. Maar niet op datgeen waar het mijns inziens om draait.

Dit artikel is verschenen in de Accountant nr. 10, 2006

Bekijk alle artikelen uit dit nummer

» Download dit artikel in pdf

Mijn artikel gaat in de kern namelijk niet om de geheimhoudingsplicht, het punt waarop Dassen in hoofdzaak reageert (net als Hans Blokdijk). Kernvraag is wel hoe een accountant dient te handelen indien er aan de kant van zijn cliënt ernstige integriteitsinbreuken hebben plaatsgevonden. Wellicht heb ik dat in mijn artikel onvoldoende duidelijk kunnen maken, ik hoop dat bij deze alsnog te hebben gedaan. En laat ik mijn artikel direct maar op nog een punt aanscherpen en stelling nemen.

Indien een cfo van een beursgenoteerde onderneming mij als accountant ‘duizendmaal excuses’ zou aanbieden omdat hij mij heeft misleid door het achterhouden van essentiële informatie die van belang is voor mijn oordeelsvorming, kan ik slechts tot de conclusie komen dat de cfo een ‘doodzonde’ jegens mij heeft begaan. Ik zou als accountant met zo’n cfo niet verder kunnen werken en heb voor deze conclusie geen nader onderzoek nodig. Per direct zou hij voor mij persona non grata zijn en zou ik in hart, geest én daad afscheid van hem nemen. Slechts de ceo – althans zolang deze van onbesproken gedrag is (!) – en de raad van commissarissen zijn dan nog in beeld als gesprekspartner.

Geheimhouding is dus niet het kernpunt, omdat er al zoveel informatie over de Aholdcasus openbaar is dat discussie en oordeelsvorming best mogelijk is. Niet over alle ins & outs, maar wel over datgene wat in het maatschappelijk verkeer bekend is. En dat is tamelijk veel. Het argument van Dassen ‘dat het voor een accountant onmogelijk is om bij te houden wat er allemaal in het publieke domein is’, is weerlegbaar. De websites van kranten als het NRC, het Financieele Dagblad en De Telegraaf geven een goed overzicht van het requisitoir en de repliek van het Openbaar Ministerie, de pleitnota’s en het dupliek van de verdediging, de (tranentrekkende) slotwoorden van de verdachten en het rapport van de Ondernemingskamer. Ik heb deze stukken integraal gelezen, het is voor een accountant dus wél mogelijk. Sterker nog: deze casus en voornoemde stof zou verplicht gesteld kunnen worden in de accountantsopleiding. Maar ook afgestudeerde accountants kunnen er van leren.

Dassens argument is evenmin sterk vanwege het feit dat ik mij niet kan voorstellen dat men de rechtszaak tegen de Aholdverdachten bij Deloitte niet volgt; zie in dit verband ook hun persberichten. Sterker, vanuit de rechtszaal begreep ik dat er regelmatig een ‘toeschouwer’ namens Deloitte aanwezig was.

Helaas gaat Dassen in zijn reactie wel uitvoerig in op de handelwijze van het Openbaar Ministerie in de richting van Deloitte; dit betreft echter geen vraagpunt in mijn artikel. Daarentegen wordt niet ingegaan op door mij aangereikte aspecten inzake het verschoningsrecht en een intern rapport dat Deloitte volgens een advocaat niet af zou willen geven. Dat aspect betreft geen informatie over een cliënt, maar gaat over het handelen van Deloitte. De waarheidsvinding is gediend bij dergelijke rapporten. Voorts laat Dassen door mij aangereikte thema’s zoals het omgaan met integriteitsschendingen, kwalitatieve materialiteit en het openbaar maken van een onware jaarrekening onbesproken. Hierop kan mijns inziens, net als op het thema ‘geheimhoudingsplicht’, best - desnoods in abstracto - worden gereageerd.

Ik hecht eraan op te merken dat het mij in het geheel niet gaat om de rol die Deloitte, Dassen of andere accountants in de Ahold-casus hebben gespeeld. Het had net zo goed een ander kantoor en andere accountants kunnen betreffen. Het gaat mij om de leereffecten van deze casus, daar ben ik tenslotte hoogleraar voor. Bovendien ben ik namens het Koninklijk NIVRA afgevaardigd als lid van de International Auditing and Assurance Standards Board. Daarom verdiep ik mij in de toepassing van regels in de praktijk en verneem ik graag de opvattingen van beroepsgenoten.

Deloitte c.q. Dassen willen zich kennelijk niet verder over de Ahold-kwestie en de door mij aangereikte onderwerpen uiten. Dat respecteer ik. Maar zijn er collega’s van wie ik de ‘bal’ wel terug mag verwachten? Het kan toch niet zo zijn dat in een zaak waarin verdachten onder meer (1) misleiding van de accountant; (2) het openbaar maken van een onware jaarrekening; en (3) valsheid in geschrifte ten aanzien van de Letter of Representation, ten laste wordt gelegd, vele geledingen van het maatschappelijk verkeer zich over accountantsthematiek laten horen, maar uitgerekend accountants zwijgen? Kortom: accountants, laat je horen!

Marcel Pheijffer (1967) is hoogleraar Forensische Accountancy aan de universiteiten Nyenrode en Leiden.

Gerelateerd

reacties

Reageren op een artikel kan tot drie maanden na plaatsing. Reageren op dit artikel is daarom niet meer mogelijk.

    Aanmelden nieuwsbrief

    Ontvang elke werkdag (maandag t/m vrijdag) de laatste nieuwsberichten, opinies en artikelen in uw mailbox.

    Bent u NBA-lid? Dan kunt u zich ook aanmelden via uw ledenprofiel op MijnNBA.nl.