Tuchtrecht

Vennoot verantwoordelijk voor slecht advies relatiebeheerder

Hoewel de accountant niet betrokken was bij het advies dat de relatiebeheerder van zijn kantoor gaf aan een klant, is hij daarvoor als enige kantoorvennoot die ook accountant is vaktechnisch wel verantwoordelijk.

Accountantskamer

Zaaknummers:
19/213 Wtra AK
Datum uitspraak:
29 mei 2019
Oordeel:
deels gegrond
Maatregel:
waarschuwing
Status:
nog niet definitief
Vindplaats:
ECLI:NL:TACAKN:2019:39

Lex van Almelo

Belangrijkste feiten

In 2014 bevestigt een vennoot van een accountantskantoor de opdracht van een vennootschap onder firma van twee horeca-ondernemers. De opdracht betreft het samenstellen van de jaarrekening, verzorging van de belastingaangiften en “de gebruikelijke advisering inzake fiscale en bedrijfseconomische aspecten”, maar geen “speciale opdrachten”. Deze vennoot vertrekt in 2016 bij het accountantskantoor en staat sindsdien niet meer ingeschreven in het NBA-register.

De firma exploiteert een restaurant in een gehuurd pand. De huurovereenkomst loopt tot september 2018 en zal automatisch worden verlengd als die niet tijdig wordt opgezegd. De ondernemers overwegen de huur op te zeggen en elders verder te gaan. Begin 2017 vragen zij aan de relatiebeheerder van het kantoor advies over de opzegtermijn van de huurovereenkomst. Zij willen niet vastzitten aan de huur zonder het pand te gebruiken.

De relatiebeheerder legt de vraag voor aan een jurist van het kantoor, die antwoordt dat:

  • er geen opzegtermijn in de overeenkomst staat;
  • daarom de wettelijke opzegtermijn van één jaar geldt;
  • de firmanten de huurovereenkomst dus uiterlijk per 20 september 2017 moeten opzeggen.

Eind mei sturen de firmanten een concept van de opzeggingsbrief naar de relatiebeheerder, die het concept doorstuurt naar een andere jurist van het kantoor. Deze jurist laat weten dat:

  • de huurovereenkomst volgens het huurcontract eindigt op 30 september 2018;
  • beide partijen een opzegtermijn hebben van één jaar;
  • het wettelijk huurregime voor middenstandsbedrijfsruimte uitgaat uit van een opzegging tegen het einde van een huurperiode;
  • de huurovereenkomst dan ook pas op zijn vroegst kan eindigen op 30 september 2018;
  • de huurovereenkomst alleen tussentijds kan eindigen met toestemming van de verhuurder of bij ontbinding;
  • de verhuurder bij verkoop van de onderneming vóór de einddatum van de huurovereenkomst toestemming moet verlenen voor een ‘indeplaatsstelling’.

De firmanten zeggen op 31 mei 2017 de huur op tegen het einde van september 2018 en proberen de onderneming ‘going concern’ te verkopen. Dat blijkt lastig nu de huurovereenkomst voor het pand is opgezegd. De firmanten zien zich daarom genoodzaakt de onderneming en de aanwezige voorraden te verkopen aan de verhuurder van het pand. De huurovereenkomst wordt met wederzijds goedvinden beëindigd per 7 september 2017. De firmanten moeten de misgelopen huurpenningen over veertien maanden betalen. Dit bedrag wordt afgetrokken van de verkoopprijs van 75 duizend euro.

De firmanten, die in juli 2017 een nieuw restaurant zijn begonnen in een ander pand, stellen het accountantskantoor aansprakelijk voor de schade. Het kantoor had hen moeten attenderen op het financiële risico van de opzegging nu zij de onderneming wilden verkopen. Het kantoor wijst alle aansprakelijkheid af en dringt aan op betaling van de 2.034,07 euro voor de verrichte accountantswerkzaamheden, waaronder advisering over de verkoop en de opzegging van de huur.

Als de firmanten en het accountantskantoor er niet uitkomen, dienen de firmanten een klacht bij de Accountantskamer in tegen de accountant-administratieconsulent die als enige vennoot staat ingeschreven in het accountantsregister.

Klacht

a. Het accountantskantoor heeft onjuist geadviseerd over de beëindiging van de huur van het pand en de accountant kan hiervoor als vennoot verantwoordelijk worden gehouden;

b. De accountant heeft niet tijdig gereageerd op een brief van 9 oktober 2018 die hem op 11 oktober 2018 is toegestuurd.

Oordeel

Klachtonderdeel a is gegrond en klachtonderdeel b ongegrond.

Vaktechnische verantwoordelijkheid

Eén van de vennoten, een accountant-administratieconsulent, heeft in 2014 de opdracht van de firma aanvaard. Tot eind 2015 was hij verantwoordelijk voor de werkzaamheden die het kantoor uitvoerde voor de firma. Na het vertrek van deze vennoot is het kantoor werkzaamheden blijven uitvoeren op basis van de opdrachtbevestiging uit 2014. Verschillende medewerkers van het kantoor, onder wie twee juristen, hebben werk gedaan. Daarbij was de relatiebeheerder, die geen accountant is, steeds het vaste aanspreekpunt.

Na het vertrek van de vennoot heeft een andere accountant-administratieconsulent de jaarrekening van de firma samengesteld. Deze accountant was geen vennoot, maar werkzaam in loondienst, en droeg geen vaktechnische verantwoordelijkheid voor de overige werkzaamheden die kantoorgenoten uitvoerden voor de firma.

De aangeklaagde accountant is de enige accountant die vennoot is van het kantoor. Hij is vaktechnisch verantwoordelijk voor de relatiebeheerder die onder zijn verantwoordelijkheid werkt. Dat de vennoot feitelijk niet betrokken is geweest bij de advisering aan de firmanten doet er niet toe. Als dat een eis zou zijn, zou niemand meer tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn op een accountantskantoor met “een ver doorgevoerd delegatiepatroon”. Dat is volgens de Accountantskamer “niet de bedoeling van de wetgever geweest”.

In artikel 14 van de VGBA staat dat de accountant ervoor zorgt dat:

  • degene, die onder zijn verantwoordelijkheid werkzaamheden uitvoert ten behoeve van een professionele dienst, hiervoor adequaat is toegerust;
  • er voor deze werkzaamheden voldoende begeleiding is;
  • voldoende toezicht op deze werkzaamheden wordt gehouden;
  • deze werkzaamheden worden beoordeeld.

De aangeklaagde vennoot vindt dat hij niet tuchtrechtelijk verantwoordelijk is voor een advies waaraan hij part noch deel had. Hij beroept zich op deze uitspraak uit 2014. In dat geval ging het om een voormalig accountant die in opdracht van zijn oude kantoor een bindend advies uitbracht over een waardering op het briefpapier van dat kantoor. Er kon niemand worden aangewezen die vaktechnisch verantwoordelijk was voor het werk van deze ‘derde’, die incidenteel zelfstandig klusjes deed voor het kantoor. De vestigingsleider was niet betrokken bij dat advies en kon daarom niet worden aangewezen als vaktechnisch verantwoordelijke. De Accountantskamer vindt de situaties verschillend en verwerpt dit verweer van de vennoot.

Ad a Onjuist advies

De advisering en begeleiding rond de bedrijfsverplaatsing zijn een professionele dienst die onder de VGBA valt. Het kantoor c.q. de relatiebeheerder is hierbij tekortgeschoten. In verband met de voorgenomen verkoop van het restaurant had het kantoor de firmanten er nadrukkelijk op moeten wijzen dat de opzegging van de huurovereenkomst het voor kopers moeilijker zou maken om de bedrijfsactiviteiten voort te zetten in het pand. De voortzetting van de huurovereenkomst was dus van invloed op de waarde van de onderneming. Het kantoor had de mogelijkheid van indeplaatsstelling van een nieuwe huurder en de risico’s van een huuropzegging voor de waarde van de onderneming dus moeten bespreken.

De relatiebeheerder heeft de kantoorjuristen alleen een vraag voorgelegd over de beëindiging van de huurovereenkomst door opzegging. Die vraag was veel te beperkt nu de opzegging een belemmering was voor de verkoop van de bedrijfsactiviteiten. Door de firmanten hierover niet deugdelijk te informeren heeft het kantoor hen onzorgvuldig en onvoldoende geadviseerd. De vennoot moet daarvoor verantwoordelijk worden gehouden. Als hij al niet verantwoordelijk moet worden gehouden voor de diensten van de juridisch adviseurs die lid zijn van de NEVOA, dat een eigen tuchtrecht heeft, is hij in ieder geval verantwoordelijk voor de gebrekkige advisering door de relatiebeheerder.

De accountant heeft als vennoot de deugdelijke advisering onvoldoende gewaarborgd, terwijl hij dat gezien artikel 14 van de VGBA wel had moeten doen. Ook heeft hij onvoldoende toezicht gehouden op de medewerkers die werken onder zijn verantwoordelijkheid en met name het toezicht op de relatiebeheerder. Daardoor heeft hij in strijd gehandeld met het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid.

Ad b Tijdig gereageerd

In zijn algemeenheid mag je van een accountant verwachten dat deze tijdig reageert op brieven of mails die je hem of haar stuurt. Afhankelijk van de omstandigheden van het geval kan het in strijd zijn met het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid als je daarop niet tijdig antwoordt. Het is echter niet de schrijver van brief of e-mail die bepaalt wat (tuchtrechtelijk gezien) tijdig is. Als de schrijver van de accountant eist dat die binnen twee weken reageert en de accountant dat pas doet na twintig dagen betekent dit niet dat de accountant in strijd heeft gehandeld met het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid of een ander fundamenteel beginsel. De omstandigheden zijn niet van dien aard dat de vennoot in dit geval binnen veertien dagen moest reageren. Zo wisten de firmanten bijvoorbeeld al dat het kantoor de aansprakelijkheid afwees.

Maatregel

De accountant heeft de begeleiding van en het toezicht op de medewerkers die werken onder zijn verantwoordelijkheid onvoldoende gewaarborgd en daardoor in strijd gehandeld met het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid. De Accountantskamer weegt mee dat hij niet zelf tekort is geschoten bij het adviseren van de firmanten.

Annotatie Lex van Almelo

De inzet van deze zaak is een advies over de opzegging van het huurcontract voor een bedrijfsruimte. De klant vroeg naar de opzegtermijn voor het contract, maar vroeg niet welke gevolgen opzegging zou hebben voor de verkoop van de bedrijfsactiviteiten. De relatiebeheerder van het accountantskantoor legde de vraag over de opzegtermijn voor aan twee juristen van het kantoor. Niemand waarschuwde de klant dat een bedrijf zonder bedrijfsruimte moeilijk te verkopen is. Volgens de Accountantskamer had het kantoor hier gezien zijn opdracht wel op moeten wijzen.

Het kantoor wees de aansprakelijkheid voor de schade af. De klant stuurde een brief naar de enige vennoot van het kantoor die accountant is met de aanzegging binnen twee weken te reageren. Dat de vennoot pas na twintig dagen reageerde, is niet tuchtrechtelijke verwijtbaar. Het is niet aan briefschrijvers om te bepalen wat tijdig is en gezien de omstandigheden hoefde de vennoot niet meer haast te maken.

Het belang van de uitspraak zit hem vooral in de verantwoordelijkheid van de vennoot voor het advies, waar hij noch een andere accountant bij betrokken was. Tot 2014 zei de tuchtrechter dat de directie tuchtrechtelijk verantwoordelijk is als anders een tuchtrechtelijk lacune dreigt te ontstaan, omdat niemand tuchtrechtelijk aanspreekbaar is. In 2014 sloeg het College van Beroep voor het bedrijfsleven een nieuwe weg in door te zeggen dat een directielid van een kantoor niet tuchtrechtelijk verantwoordelijk is voor het handelen of nalaten van een derde als:

  • die derde zelfstandig werkzaamheden verricht onder de naam van dat kantoor;
  • en er geen vaktechnisch verantwoordelijke accountant valt aan te wijzen.

Moet de vennoot in de huidige huurzaak dus ook tuchtrechtelijk vrijuit gaan? De Accountantskamer vindt van niet, omdat dit een andere situatie is. Maar waarom? Is het essentiële verschil dat het nu gaat om een werknemer van het kantoor die geen accountant is in plaats van een zelfstandige onderaannemer die ook geen accountant is? En waarom is wel of geen dienstverband dan een essentieel verschil?

De Accountantskamer suggereert in zekere zin dat dit verschil niet uitmaakt. In artikel 14 van de VGBA staat dat de accountant ervoor zorgt dat “degene die onder zijn verantwoordelijkheid werkzaamheden uitvoert ten behoeve van een professionele dienst, hiervoor adequaat is toegerust en dat er toereikende begeleiding van, toezicht op en beoordeling van deze werkzaamheden plaatsvindt”. Mij dunkt dat het hierbij niet uitmaakt of de uitvoerder van de professionele dienst in dienst is van het kantoor dan wel zelfstandig is. Onder zijn verantwoordelijkheid is onder zijn verantwoordelijkheid.

Je hebt twee soorten verantwoordelijkheid: vaktechnische en organisatorische. Vaktechnisch is een directeur/accountant alleen aan te spreken op werkzaamheden waarbij hij betrokken was. Organisatorisch is hij op grond van artikel 14 van de VGBA ook aan te spreken op werkzaamheden waarbij hij niet betrokken was, maar waarop hij wel toezicht had moeten houden en waarvan hij de kwaliteit moet waarborgen. Dat is in deze zaak in ieder geval de relatiebeheerder. Maar de Accountantskamer suggereert dat de leiding ook organisatorisch verantwoordelijk kan zijn voor het werk van de kantoorjuristen, ook al vallen die onder hun eigen tuchtrecht.

De uitspraak roept dus nogal wat vragen op. Het is te hopen dat het College van Beroep voor het bedrijfsleven meer klaarheid schept.

reacties

Reageren op een artikel kan tot drie maanden na plaatsing. Reageren op dit artikel is daarom niet meer mogelijk.

    Aanmelden nieuwsbrief

    Ontvang elke werkdag (maandag t/m vrijdag) de laatste nieuwsberichten, opinies en artikelen in uw mailbox.

    Bent u NBA-lid? Dan kunt u zich ook aanmelden via uw ledenprofiel op MijnNBA.nl.