Tuchtrecht

Verklaring over 'leningen' blind ondertekend

Een accountant-administratieconsulent ondertekent een – enigszins frauduleuze - verklaring van twee cliënten en hun dochter zonder te verifiëren of het juist is wat erin staat. Hij schendt daarmee vier van de vijf fundamentele beginselen.

Accountantskamer

Zaaknummers:
19/3 Wtra AK
Datum uitspraak:
29 mei 2019
Oordeel:
gegrond
Maatregel:
berisping
Status:
nog niet definitief
Vindplaats:
ECLI:NL:TACAKN:2019:40

Lex van Almelo

Belangrijkste feiten

Een accountant-administratieconsulent werkt sinds 2010 voor een echtpaar. Het paar heeft een dochter, wier man in de loop van 2014 laat weten dat hij wil gaan scheiden. Eind 2014 stellen de ouders en de dochter een verklaring op over leningen aan hun kinderen, die de dochter ondertekent. Uit de verklaring blijkt onder meer dat het echtpaar:

  • een winkel had, zonder rechtspersoonlijkheid;
  • het privévermogen daarom niet kon scheiden van de zakelijke risico’s;
  • daarom afspraken heeft gemaakt met de kinderen;
  • bedragen heeft veiliggesteld door deze als leningen onder te brengen bij de kinderen, op zo’n manier dat de ouders er in geval van nood over zouden kunnen beschikken;
  • in het (langstlevende-)testament heeft geregeld dat de nalatenschap naar de kinderen zal gaan en niet zal vallen in enige gemeenschap van goederen waarin het kind is gehuwd of mocht huwen;
  • de leningen beschouwt als voorschotleningen op de nalatenschap;
  • meent dat deze daarom ook buiten een eventuele huwelijkse gemeenschap moeten blijven;
  • er bij de dochter op heeft aangedrongen te trouwen op huwelijkse voorwaarden, hetgeen zij ook heeft gedaan, waarbij de dochter 38.302,42 euro aan privévermogen buiten de gemeenschap heeft gehouden;
  • verschillende malen geld als lening heeft overgemaakt naar de privérekening van de dochter;
  • voor de leningen diverse voorwaarden heeft bedongen;
  • bij notariële akten tweemaal een schenking heeft gedaan aan de dochter (ook als voorschot op de erfenis dat niet in een gemeenschap van goederen mochten vallen);
  • deze bedragen wegens behoefte aan liquide middelen onder zich heeft gehouden;
  • hierover rente betaalde, die de dochter kon gebruiken voor de aankoop van gemeenschappelijke huwelijkse goederen en onroerend goed;
  • van de schoonzoon te horen kreeg dat deze de voorwaarde kende, erkende en aanvaardde;
  • ervan is geschrokken en ten diepste door gekrenkt is dat de schoonzoon zich de gemaakte afspraken “niet meer kan herinneren” nu hij wil scheiden;
  • zich bedrogen voelt door zijn houding;
  • daarom een beroep doet op de bepaling dat het bij wijziging van de omstandigheden de geleende bedragen kan veiligstellen;
  • in februari 2014 aan de dochter vraagt de leningen terug te betalen, inclusief de overeengekomen 5 procent rente;
  • dit geld zo spoedig mogelijk heeft ontvangen.

De dochter en haar echtgenoot hebben afgesproken de kinderbijslag te sparen voor hun kinderen. De dochter heeft de gespaarde bedragen tijdelijk op een separate bankrekening bij de ouders ondergebracht om nadelige gevolgen voor haar kinderen te vermijden. De leningen en de rente zijn sinds het huwelijk in 1988 tot begin februari 2014 opgelopen tot 197.056 euro. Tijdens het huwelijk is er door latere leningen plus rente 69.302,70 euro bijgekomen, waardoor het totaal komt op 266.359 euro. Eind 2014 heeft de dochter daarop contant 11.336,79 euro afgelost en voor twintig mille met edelmetaal.

De resterende schuld van 235.022 euro heeft de vorm van een vordering van de ouders op de gemeenschappelijke boedel en overige bezittingen van de dochter en haar echtgenoot. De dochter erkent deze schuld, de schoonzoon niet. Het echtpaar geeft de schoonzoon een week om zijn aandeel in de restschuld te erkennen; als hij dat niet doet dan zullen de schoonouders alle mogelijk (juridische) middelen inzetten. De accountant ondertekent deze verklaring.

Het echtpaar voert diverse juridische procedures tegen de schoonzoon, die uiteindelijk een schikking treft met zijn schoonmoeder. In februari 2016 stuurt de accountant een verklaring naar de schoonzoon, waarin de schoonmoeder onder meer schrijft dat:

  • zij een en ander op papier wil zetten omdat zij de hele situatie niet meer aan kan;
  • zij haar dochter bij de scheiding wilde helpen;
  • haar dochter daarom het geld heeft laten overmaken naar de ouders;
  • de ouders het later konden terugstorten;
  • er een hele constructie op papier kwam waarin iets stond over een lening;
  • de (schoon)moeder daar steeds een slecht gevoel over had;
  • de dochter haar ouders echter verzekerde dat dit voor haar het beste was;
  • de ouders dat uiteraard voor haar wilden doen;
  • de (schoon)moeder de zorg had voor haar almaar zieker wordende man en zij niet nog meer gedoe wilde;
  • de dochter haar ouders verzekerde dat zij daarmee geen problemen zouden krijgen en dat alles snel opgelost zou zijn;
  • de (schoon)moeder iets heeft moeten ondertekenen over zilver en goud, waarvan zij het fijne niet wist;
  • zij die spullen nooit heeft gezien, laat staan verkocht;
  • de feitelijke situatie heel anders bleek dan de moeder destijds voor ogen had;
  • de (schoon)vader een half jaar geleden was overleden met alle financiële gevolgen van dien;
  • de (schoon)moeder voor de overzichtelijkheid zo snel mogelijk het geld aan haar dochter wilde terugstorten;
  • de dochter haar echter keer op keer verzekerde dat zij dat niet mocht doen;
  • de (schoon)moeder in januari 2016 een brief van de (ex-)schoonzoon ontving;
  • zij zich daarna pas een beetje besefte waarvoor zij allemaal heeft moeten tekenen;
  • de (ex-)schoonzoon haar nu beticht van valsheid in geschrift en verduistering, terwijl zij alleen iets heeft getekend dat haar dochter en haar adviseur op papier hebben gezet;
  • de (schoon)moeder zich er enorm voelt ingeluisd;
  • haar dochter naar haar huidige mening valsheid in geschrift pleegde door allerlei dingen op papier te zetten die helemaal niet kloppen;
  • de ouders in het verleden inderdaad diverse schenkingen hebben gedaan aan de kinderen;
  • deze schenkingen ook na een scheiding vallen onder het bezit van de dochter, zoals in haar huwelijkse voorwaarden staat;
  • de moeder het geld, dat haar dochter bij haar ouders had gestald, in januari 2016 heeft teruggestort naar de privérekening van de dochter;
  • er nooit leningen zijn verstrekt;
  • de rechter maar moet bepalen wat toekomt aan wie;
  • er dan een einde komt aan een strijd waarvan steeds meer mensen met de dag ongelukkiger worden.

In september 2018 vraagt de (ex-)schoonzoon de accountant naar de aanleiding en totstandkoming van de verklaring uit 2014 en de reden om die mede te ondertekenen. De accountant antwoordt niet op de (herhaalde) vragen. De (ex-)schoonzoon dient een klacht tegen de accountant in bij de Accountantskamer.

Klacht

De accountant heeft:

a. zich schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift door het medeondertekenen van de verklaring van eind 2014;

b. meegewerkt aan een poging tot oplichting door de verklaring van eind 2014 mede te ondertekenen.

Oordeel

De klacht is gegrond.

Of er inderdaad sprake is van “valsheid in geschrift” en “poging tot oplichting” kan de Accountantskamer als tuchtrechter niet beoordelen. Die beoordeelt alleen of een accountant in strijd heeft gehandeld met de regels die in de Wet op het accountantsberoep (Wab) staan of daaruit voortvloeien dan wel of sprake is van enig ander handelen of nalaten dat indruist tegen het belang van een goede uitoefening van het accountantsberoep. De Accountantskamer gaat ervan uit dat de klager – bij gebrek aan juridische kennis en bijstand – erover wil klagen dat de accountant de verklaring heeft medeondertekend zonder te onderzoeken of de inhoud daarvan juist was.

Op de zitting heeft de accountant gezegd dat hij niet uit eigen wetenschap op de hoogte was van de transacties waarover de verklaring ging. Hij had hierover slechts telefonisch contact gehad met de (schoon)moeder. Omdat hij haar kende als een integer mens heeft hij niet bij de (ex-)schoonzoon geïnformeerd of het wel klopte wat over hem in deze verklaring stond. Ook heeft hij de verklaring niet nauwgezet doorgenomen, voordat hij zijn handtekening zette, aldus de accountant op de zitting.

Op de zitting is ook gebleken dat de accountant niet het verschil heeft opgemerkt dat bestond tussen de fiscale aangifte (waarin de overgemaakte geldbedragen niet waren aangemerkt als vermogen) en de verklaring van december 2014 (waarin stond dat de overgemaakte geldbedragen leningen waren). Het was voor hem daarom geen aanleiding om (nader) onderzoek te verrichten naar de juistheid van de verklaring, voordat hij die ondertekende. Verder heeft de accountant op de zitting gezegd dat hij nooit de hoeveelheid edelmetaal ter waarde van twintig mille heeft gezien die volgens de verklaring onder beheer van de ouders zou zijn gekomen.

Eén telefoongesprek met zijn cliënte is volgens de Accountantskamer niet voldoende om een verklaring te verifiëren. Door die toch te ondertekenen heeft hij in strijd gehandeld met het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid. De accountant heeft ook het fundamentele beginsel van professionaliteit geschonden door het accountantsberoep in diskrediet te brengen. Verder druist de kritiekloze ondertekening in tegen het objectiviteitsbeginsel. Bovendien is de accountant niet eerlijk en oprecht geweest. Naar eigen zeggen wilde hij de verklaring met zijn handtekening belangrijker laten lijken.

Hij heeft ook in strijd gehandeld met het fundamentele beginsel van integriteit. Hij wist namelijk van het geschil tussen de schoonzoon en diens ex. Gezien de inhoud van de verklaring en de conflictueuze omstandigheden van het geval had hij moeten begrijpen dat er een reële kans was dat:

  • de verklaring (gedeeltelijk) onjuist zou kunnen zijn;
  • de verklaring gebruikt zou worden in een juridisch geschil;
  • de klager, die bij naam wordt genoemd in de verklaring, hierdoor kon worden benadeeld.

Maatregel

De accountant heeft een verklaring ondertekend zonder dat hij de inhoud daarvan had geverifieerd. Hierdoor zou een derde kunnen worden benadeeld. De accountant heeft in strijd gehandeld met de fundamentele beginselen van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid, professionaliteit, objectiviteit en integriteit. Hoewel de accountant niet eerder tuchtrechtelijk is veroordeeld, zou een (tijdelijke) doorhaling onder deze omstandigheden passend zijn. De accountant-administratieconsulent heeft zich echter laten uitschrijven uit het register en gezegd dat hij niet meer beroepsmatig werkzaam is. Daarom volstaat een berisping.

Annotatie Lex van Almelo

Deze uitspraak is geen raketwetenschap: als je blind een handtekening zet om een verklaring van een ruziënde klant meer gewicht te geven, breng je het accountantsberoep in diskrediet en schend je zo’n beetje alle fundamentele beginselen uit de VGBA. De verklaring was bedoeld om een schoonzoon het nakijken te geven bij de echtscheiding van de dochter van de klant. Die klant snapte aanvankelijk niet wat zij tekende en kreeg wroeging toen zij het wel begreep. De accountant in zekere zin ook. Hij heeft het beroep verlaten en wond tijdens de zitting bij de tuchtrechter geen doekjes om zijn handelwijze. Omdat de rotte appel zichzelf al uit de mand heeft gehaald, doet de tuchtrechter dat niet.

reacties

Reageer op dit artikel

Spelregels debat

    Aanmelden nieuwsbrief

    Ontvang elke werkdag (maandag t/m vrijdag) de laatste nieuwsberichten, opinies en artikelen in uw mailbox.

    Bent u NBA-lid? Dan kunt u zich ook aanmelden via uw ledenprofiel op MijnNBA.nl.