Tuchtrecht

Goedkeuring goodwill ongefundeerd, afkeuring negeerde continuïteit

Twee registeraccountants hadden te weinig controle-informatie om de jaarrekening 2011 van BoerCroon goed te keuren. Eén van hen vloog een jaar later opnieuw uit de bocht met een afkeurend oordeel, omdat hij daarbij te weinig oog had voor de continuïteit van de onderneming.

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Zaaknummers:
19/382 en 19/407
Datum uitspraak:
20 oktober 2020
Oordeel:
hoger beroep controleleider deels gegrond/klacht gegrond
Maatregel:
tijdelijke doorhaling voor één maand respectievelijk berisping in plaats van tijdelijke doorhaling voor één maand
Status:
definitief
Vindplaats:
ECLI:NL:CBB:2020:729

Lex van Almelo

Belangrijkste feiten

In oktober 2014 gaan management-consultingbureau BoerCroon Business Creators (BC) en enkele gelieerde vennootschappen failliet. In 2011 en 2012 heeft een registeraccountant (hierna: de controlepartner) een goedkeurende controleverklaring afgegeven bij de geconsolideerde jaarrekening van de holding over 2010 respectievelijk 2011.

Een tweede registeraccountant (hierna: de controleleider) had de dagelijkse leiding over het team dat de boeken van 2011 controleerde. Bij de geconsolideerde jaarrekening 2012 gaf de toenmalige controleleider een afkeurende controleverklaring af. Volgens hem stelde BoerCroon het vermogen te hoog voor, omdat het om ‘interne goodwill’ ging.

BoerCroon had een probleem met de goodwill die partners moesten betalen en aflossen. In de goede tijd liepen de winsten op en moesten toetreders dus steeds meer betalen. Toen de winst van het bureau door de crisis kelderde en BoerCroon onvoldoende dividend kon uitkeren, konden partners hun lening bij de bank niet aflossen en hun aandelen niet verkopen. Daardoor konden ook geen nieuwe aandeelhouders toetreden. Het business model stond onder druk.

BoerCroon activeerde de goodwill en andere immateriële activa na drie herstructureringen volgens de purchase accounting-methode voor een krappe 14 miljoen euro op de balans van 2010. In 2011 en 2012 zakte dat bedrag door afschrijvingen tot 12,6 respectievelijk 11 miljoen euro. In 2011 werd er 3,4 miljoen euro dividend uitgekeerd en in 2012 (volgens het kasstroomoverzicht) 5,4 miljoen euro. BoerCroon en haar partners hadden volgens het faillissementsverslag vermoedelijk 10 miljoen euro schuld bij de huisbank.

De curator dient een klacht tegen de accountants, omdat die volgens hem:

a. de (geconsolideerde) jaarrekening 2011 van de holding ten onrechte hebben goedgekeurd;

b. de posten goodwill, dividenduitkeringen en afschrijvingen in de jaarrekening 2011 onvoldoende hebben onderzocht en dat onderzoek en zijn afwegingen onvoldoende hebben gedocumenteerd in het controledossier;

c. ten onrechte de herstructureringen mogelijk hebben gemaakt, althans onvoldoende hebben gewaarschuwd voor de risico’s hiervan en de toelaatbaarheid hiervan in de toekomst;

d. het onderzoek van de curator hebben belemmerd door geen inzage te verlenen in het controledossier.

Verder heeft de (voormalige) controleleider volgens de curator:

e. ten onrechte de (geconsolideerde) jaarrekening 2012 van de holding afgekeurd en daarmee artikel 2:365 lid 1 BWen RJ 115.107 en RJ 210.216 miskend;

f. onvoldoende kritisch en zorgvuldig gehandeld bij de goedkeuring van de jaarrekeningen 2011;

g. de posten goodwill, dividenduitkeringen en afschrijvingen in de jaarrekeningen 2011 en 2012 onvoldoende onderzocht en dat onderzoek en zijn afwegingen onvoldoende gedocumenteerd in het controledossier;

h. ten onrechte de herstructureringen mogelijk gemaakt, althans onvoldoende gewaarschuwd voor de risico’s hiervan en de toelaatbaarheid hiervan in de toekomst;

i. het onderzoek van de curator belemmerd door geen inzage te verlenen in het controledossier.

De Accountantskamer verklaart de klachtonderdelen a, b, f en g gegrond en legt beide accountants een tijdelijke doorhaling van een maand op. De controlepartner had bij de jaarrekening 2011 onvoldoende controle-informatie voor de goedkeuring. De curator heeft zijn klacht over de afkeurende verklaring bij de jaarrekening 2012 (klachtonderdeel e) niet onderbouwd, terwijl het verwijt over onvoldoende onderzoek naar de goodwill ongegrond is.

De voormalig controleleider heeft volgens de Accountantskamer inderdaad onvoldoende onderzoek gedaan naar de dividenduitkeringen en de continuïteitsveronderstelling. Daarvoor heeft de accountant de afspraken met de bank beoordeeld, met name de verklaring waarin de bank zegt dat de persoonlijke leningen vervroegd kunnen worden opgeëist als partners hun financieringsverplichtingen niet nakomen. De accountant schreef in een memo dat “deze opeisingsgrond niet sensitief is voor de going concern veronderstelling”, maar maakte volgens de Accountantskamer niet duidelijk waarom niet. Hij mocht zich ook niet louter baseren op informatie die afkomstig was van “het management” en had moeten onderzoeken of er begin 2014 redenen waren om de financiële prognoses te herzien.

De accountant oordeelde zelf dat het niet meer was toegestaan om de goodwill nog langer in de jaarrekening te verwerken zoals tot dan toe gebeurde. Volgens de Accountantskamer konden nieuwe aandeelhouders dus feitelijk niet meer op dezelfde wijze toetreden als vroeger. En dit kon uiteraard gevolgen hebben voor het voortbestaan van de onderneming. De accountant had daarom moeten onderkennen dat de dividenduitkeringen in 2012 gerede twijfel konden oproepen over de juistheid van de gehanteerde continuïteitsveronderstelling.

Zowel de accountants als de curator gaan in hoger beroep tegen deze uitspraak.

Beroepsgronden

Beroepsgronden accountants

De Accountantskamer heeft ten onrechte:

I. de klachtonderdelen a en b gegrond verklaard en gezegd dat de controlepartner bij de controle van de post goodwill in de (geconsolideerde) jaarrekeningen 2011 meer controle-informatie over de goodwill had moeten vergaren en vastleggen;

II. in klachtonderdeel f gezegd dat de controleleider tuchtrechtelijk evenveel verantwoordelijkheid draagt als de controlepartner die wél (eind)verantwoordelijk was voor de controle; bovendien hebben andere medewerkers de controlewerkzaamheden inzake de goodwill uitgevoerd en heeft de controleleider deze werkzaamheden niet gereviewd;

III. over klachtonderdeel g gezegd dat de voormalige controleleider ten aanzien van de dividenduitkeringen in 2012 in strijd heeft gehandeld met Standaard 570, omdat hij had moeten onderkennen dat door deze dividenduitkeringen gerede twijfel kon ontstaan over de juistheid van de gehanteerde continuïteitsveronderstelling; dit verwijt maakte geen onderdeel uit van de klacht van de curator en de Accountantskamer heeft haar oordeel op gebaseerd een onjuiste voorstelling van zaken.

Beroepsgrond curator

De Accountantskamer heeft:

IV. de klachtonderdelen b, c, g en h (deels) ongegrond verklaard, terwijl dat niet verenigbaar is met het oordeel dat de accountants tekort zijn geschoten bij de controle van de post goodwill.

Oordeel

Het hoger beroep van de (voormalige) controleleider is gegrond voor wat betreft de maatregel; voor de rest zijn de hoger beroepen ongegrond.

Ad I Goodwill

Anders dan de accountants beweren, heeft de Accountantskamer niet gezegd dat de goodwill juist is geactiveerd. De kamer heeft alleen gezegd dat de accountants op dit punt onvoldoende controle-informatie hebben vergaard en vastgelegd. Volgens het college is ook in hoger beroep niet vast komen te staan dat het verwerken van de herstructureringen volgens de purchase accounting-methode destijds zo gebruikelijk en conform de toen geldende regelgeving was dat de keuze voor deze methode géén nadere toelichting of afweging behoefde. De accountants hebben niet aannemelijk gemaakt dat het conform de algemeen heersende opvatting was om goodwill op deze manier verwerken in deze context.

Ook het college vindt dat:

  • de accountants onvoldoende controle-informatie hebben vergaard en vastgelegd in het controledossier;
  • goodwill in de context van de BoerCroon-vennootschappen volgens paragraaf 115.107 van de Richtlijnen voor de jaarverslaglegging (RJ) kan worden aangemerkt als een moeilijke of discutabele zaak zoals bedoeld in paragraaf 18 van Standaard 220;
  • het uitgangspunt volgens RJ 115.107 is dat de economische realiteit van transacties moet worden weergegeven in de jaarrekening;
  • de fusie van een nieuwe BoerCroon-vennootschap met de oude holdingvennootschap conform de purchase accounting- methode is verwerkt op basis van een juridische benadering, waarbij beide rechtspersonen als afzonderlijke entiteit worden beschouwd;
  • het hierbij echter ging om een fusie onder gemeenschappelijke leiding, waarbij de nieuwe vennootschap alleen was opgericht om die te laten fuseren met de aangekochte entiteit; de juridische benadering daarom wringt met de economische realiteit van de transacties.

Volgens Standaard 220 had de verantwoordelijke partner ervoor moeten zorgen dat het controleteam vaktechnisch advies inwon over die verwerking en de gevolgen van het advies behoorlijk moeten vastleggen.

Ad II Verantwoordelijkheid

De controleleider had als manager de dagelijkse leiding over het controleteam en uit hoofde van deze functie inhoudelijke bemoeienis met de controle van de jaarrekening 2011 en de post goodwill. De controleleider was naar eigen zeggen vakinhoudelijk aanspreekpunt voor de andere leden van het controleteam. Hij heeft ook zelf controlewerkzaamheden uitgevoerd en was betrokken bij de risicoanalyse.

De manager/controleleider was dus vakinhoudelijk zo betrokken bij de controle 2011 dat hij (mede)verantwoordelijk kan worden gehouden voor de werkzaamheden bij de controle van de goodwill. Dat niet hij, maar de controlepartner de component van de goodwill heeft gereviewd, maakt niet uit.

Ad III Dividenduitkeringen

Volgens het college heeft de curator hierover wel degelijk geklaagd en heeft de Accountantskamer er dus terecht een oordeel over uitgesproken. De Accountantskamer heeft gezegd dat de accountant had moeten onderkennen dat de dividenduitkering in 2012 gerede twijfel kon oproepen over de juistheid van de gehanteerde continuïteitsveronderstelling. De kamer baseert zich daarbij onder meer op het memo van de controleleider, waaruit niet blijkt op basis van welke overwegingen hij meende dat:

  • de opeisbaarheid van de leningen van de partners als deze hun rente- en aflossingsverplichtingen niet nakwamen “niet sensitief is voor de going concern veronderstelling”;
  • de prognoses van het bestuur, waarop hij zich in februari 2014 baseerde, dateren van oktober 2013.

De Accountantskamer vindt net als de curator dat de accountant gezien de niet rooskleurige vooruitzichten had moeten onderzoeken of er in februari 2014 redenen waren om die prognoses te herzien. Daarbij speelt mee dat de accountant zelf vond dat het niet meer was toegestaan om de goodwill zo in de jaarrekening te verwerken. Feitelijk konden nieuwe aandeelhouders namelijk niet meer toetreden zoals voorheen gebeurde en dit kon uiteraard gevolgen hebben voor het voortbestaan van de onderneming.

Anders dan de Accountantskamer vindt het college dat de accountant zijn overwegingen over de sensitiviteit van de opeisingsgrond wél heeft opgenomen in het memo en wel degelijk is nagegaan of de toekomstverwachtingen van het bestuur moesten worden geactualiseerd. Ook heeft hij onderzocht of er een (potentiële) bedreiging bestond voor de continuïteit van de vennootschappen, omdat een leningsovereenkomst van de bank begin 2013 direct opeisbaar was geworden. Uit het memo blijkt dat hij die conclusie baseert op de mededeling van het bestuur, dat het niet noodzakelijk was dat BoerCroon “dividend uitkeert c.q. een minimum resultaat moet halen”. Volgens het college is deze informatie zo belangrijk voor de uitleg van de waiver van de bank en de beoordeling van de continuïteit dat de accountant die volgens Standaard 500.6, 500.9 en 570 had moeten verifiëren bij de bank.

De accountant had verder moeten onderkennen dat de omstandigheden gerede twijfel deden rijzen over de juistheid van de gehanteerde continuïteitsveronderstelling. Hij vond zelf dat nieuwe aandeelhouders niet meer op dezelfde wijze konden toetreden en de goodwill dus niet meer zo kon worden verwerkt als in 2011. Dit kon uiteraard gevolgen hebben voor het voortbestaan van de onderneming.

Het model voor het in- en uittreden van nieuwe aandeelhouders was alleen te handhaven met aanzienlijke dividenduitkeringen, zodat de aandeelhouders hun persoonlijke leningen voor de aandelenaankoop konden financieren. Uit de jaarrekening 2012 blijkt echter niet dat aandacht is geschonken aan het risico voor het voortbestaan van de onderneming als gevolg van dit negatieve oordeel van de accountant.

De accountant had moeten aandringen op een passende toelichting in de jaarrekening. De BoerCroon-directie merkt in haar verslag bij de jaarrekening 2012 echter alleen maar op dat zij verwacht in de komende maanden een structurele oplossing te vinden voor de kwestie. De accountant had duidelijk moeten maken dat dit twijfels kon oproepen over de juistheid van de gehanteerde continuïteitsveronderstelling. Door dit na te laten heeft hij in strijd gehandeld met Standaard 570 en met de fundamentele beginselen van deskundigheid en zorgvuldigheid en van professioneel gedrag (VGC) respectievelijk van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid (VGBA).

Ad IV Niet inconsequent

De curator gaat ervan uit dat de goodwill (helemaal) niet meer mocht worden verwerkt in de jaarrekening 2011, zodat de dividendruimte in dat jaar veel kleiner was dan de bedragen die daadwerkelijk zijn uitgekeerd. De Accountantskamer vindt dat de twee accountants (volstrekt) onvoldoende hebben gemotiveerd waarom zij de verwerking en waardering van de goodwill aanvaardbaar vonden. Volgens de Accountantskamer heeft de controlepartner er verder terecht op gewezen dat dividenduitkeringen mogelijk zijn ondanks een negatief eigen vermogen. De Accountantskamer vindt de controle van deze post daarom niet onvoldoende.

De Accountantskamer heeft overigens niet gezegd dat de accountants tuchtrechtelijk verwijtbaar hebben gehandeld door de goodwill-verwerking conform de purchase accounting-methode te aanvaarden in de jaarrekening 2011.

Dat ligt anders bij de dividenduitkering in de jaarrekening 2012. Volgens de Accountantskamer had de tekenend accountant moeten onderkennen dat de dividenduitkeringen in 2012 gerede twijfel konden doen ontstaan over de juistheid van de gehanteerde continuïteitsveronderstelling. Volgens het college betekent dit dat de accountant de aanvaardbaarheid van de uitkering in 2012 nader had moeten onderzoeken en zijn bevindingen had moeten documenteren. Als je het zo leest heeft de Accountantskamer de klacht van de curator gegrond verklaard. De Accountantskamer heeft de dividenduitkering in 2012 ook terecht niet onrechtmatig verklaard.

Het college vindt niet dat de Accountskamer inconsequent is en is het met de kamer eens dat de curator onvoldoende heeft aangetoond dat de accountants ten onrechte de hertstructureringen (recaps) mogelijk hebben gemaakt, althans onvoldoende hebben gewaarschuwd voor de risico’s en toelaatbaarheid daarvan. De accountants waren niet betrokken bij de recaps en hebben daar ook niet over geadviseerd.

Maatregel

De accountants vinden de tijdelijke doorhaling voor één maand te zwaar, omdat:

  • het verwijt niet zo ernstig is;
  • de Accountantskamer niet had mogen meewegen dat zij “geen blijk hebben gegeven lering te hebben getrokken uit hun handelswijzen”;
  • zij geen assurancewerkzaamheden meer uitvoeren;
  • er geen sprake is van bewust, frauduleus of opzettelijk dan wel voor eigen gewin handelen;
  • zij een goede en integere staat van dienst hebben.

Het college vindt de tijdelijke doorhaling van de controlepartner passend en gebod. Door de jaarrekening over 2011 goed te keuren zonder toereikende controle-informatie heeft hij zijn kerntaak als controlerend accountant veronachtzaamd. Het gaat om een zeer wezenlijke balanspost in de jaarrekening over 2011, die van belang was voor het toe- en uittreden van aandeelhouders van de holding en het voortbestaan van de onderneming.

Het verzuim van de controleleider bij de controle over 2011 vindt het college minder ernstig dan dat van de controlepartner, die de eindverantwoordelijkheid droeg en de post goodwill heeft gereviewd. De controleleider heeft bij de controle van de jaarrekening 2012 echter te weinig oog gehad voor de gevolgen van zijn afkeurend oordeel, dat een mogelijke bedreiging vormde voor de continuïteitsveronderstelling die door de entiteit werd gehanteerd. Voor hem is een berisping passend en geboden.

Annotatie Lex van Almelo

In deze zaak draait het om:

  • de activering van goodwill;
  • dividenduitkeringen;
  • continuïteit.

Goodwill

Na drie herstructureringen en een gekunstelde fusie met een speciaal opgerichte bv, die juridisch wordt behandeld als een aparte entiteit, zijn de goodwill en andere immateriële activa geactiveerd volgens de purchase accounting-methode.

In 2010 en 2011 keurden de controlepartner en controleleider dit goed, terwijl zij onvoldoende controle-informatie hadden. Zij hadden moeten aandringen op een toelichting waarom de purchase accounting-methode gehanteerd en geoorloofd was.

De accountant die bij de controle 2011 controleleider was, keurde de jaarrekening 2012 af, omdat het om ‘interne goodwill’ ging en het eigen vermogen te hoog werd voorgesteld.

De Accountantskamer en het college laten zich niet uit over de geoorloofdheid van de gehanteerde purchase accounting-methode, maar vinden dat de controlepartner en controleleider te weinig controle-informatie hadden. De tuchtcolleges plaatsen overigens wel grote vraagtekens bij de methode. De fusie met de nieuwe vennootschap was een juridische constructie waarbij beide rechtspersonen werden beschouwd als afzonderlijke entiteit. Maar economisch gezien ging het natuurlijk om dezelfde partij. Daarom had de accountant volgens Standaard 220 vaktechnisch advies moeten inwinnen over deze discutabele zaak en de conclusies daarvan moet vastleggen in het dossier. De jaarrekening moet immers de economische realiteit van transacties weerspiegelen en niet de juridische, zeggen de tuchtrechters onder verwijzing naar RJ 115.107.

De controleleider zegt in hoger beroep dat hij niet verantwoordelijk is voor deze misser, omdat hij slechts vakinhoudelijk aanspreekpunt was voor de andere leden van het controleteam. Het college wuift dit weg: hij heeft ook zelf controlewerkzaamheden uitgevoerd en was betrokken bij de risicoanalyse. Daarom was hij dus vakinhoudelijk zo betrokken bij de controle dat hij (mede)verantwoordelijk kan worden gehouden.

Dividend en continuïteit

In het boekjaar daarop plaatst de controleleider als tekenend accountant wel vraagtekens bij de activering van de ‘interne goodwill’ en keurt daarom zelfs de jaarrekening af. Volgens de curator had de accountant daarom ook vraagtekens moeten plaatsen bij de uitkering van dividend en bij de continuïteitsveronderstelling. Als hij vond dat interne goodwill niet op de balans hoorde, had hij volgens de Accountantskamer moeten onderkennen dat de dividenduitkering in 2012 gerede twijfel kon oproepen over de juistheid van de gehanteerde continuïteitsveronderstelling, want:

  • het bestuur hanteerde een gedateerde prognose (drie maanden oud);
  • de bank kon de persoonlijke leningen van de aandeelhouders opeisen als zij hun rente- en aflossingsverplichtingen niet nakwamen.

De accountant schreef in zijn memo dat de opeisbaarheid van de leningen “niet sensitief is voor de going concern veronderstelling”, omdat het bestuur van BoerCroon zei dat het niet noodzakelijk is dat BoerCroon “dividend uitkeert c.q. een minimum resultaat moet halen”. De bank zou er daarom van afzien de leningen op te eisen. Het college vindt deze informatie zo belangrijk voor de continuïteit dat de accountant deze bewering volgens Standaard 500.6, 500.9 en 570 had moeten verifiëren bij de bank.

Nasleep

Het college vindt de tijdelijke doorhaling van de controlepartner uit 2011 passend en geboden, omdat hij zijn kerntaak als controlerend accountant heeft veronachtzaamd door de jaarrekening goed te keuren zonder toereikende controle-informatie. De goodwill was van belang voor het toe- en uittreden van aandeelhouders van de holding en daarom essentieel voor het voortbestaan van de onderneming.

Aan het verzuim van de controleleider tilt het college minder zwaar, omdat hij niet eindverantwoordelijk was en de post goodwill niet heeft gereviewd. Daarom wordt diens tijdelijke doorhaling een berisping. In het boekjaar daarop heeft de controleleider echter ook een uitglijder gemaakt. Toen hij bij de controle van de jaarrekening 2012 zelf eindverantwoordelijk was, heeft hij te weinig oog gehad voor de gevolgen van zijn afkeurend oordeel. Het college zegt dat het afkeurend oordeel aanleiding was voor gerede twijfel, terwijl de Accountantskamer zegt dat de dividenduitkeringen twijfels hadden moeten oproepen aan de going concern-veronderstelling. Ik weet niet of dit verschil van materiële betekenis is. Maar de uitspraak maakt in ieder geval duidelijk dat je niet de jaarrekening kunt afkeuren en zwijgen over de continuïteitsveronderstelling.

De twee accountants hebben afscheid genomen van de assurancepraktijk, schrijft het college. Daar staat eigenlijk dat KPMG afscheid heeft genomen van de twee accountants. Kennelijk tilt ook het kantoor zwaar aan de kerntaak van de controlerend accountant.

Deze uitspraak is definitief, maar de zaak is nog niet afgedaan. In het meest recente faillissementsverslag schrijft de curator van BoerCroon: “De Accountantskamer heeft nog niet op alle klachten beslist, maar in afwachting van het oordeel van het CBB al wel bepaald dat de zaak wordt aangehouden tot en met 10 november 2020 voor schriftelijke uitlating over de stand van zaken.”

reacties

Reageer op dit artikel

Spelregels debat

    Aanmelden nieuwsbrief

    Ontvang elke werkdag (maandag t/m vrijdag) de laatste nieuwsberichten, opinies en artikelen in uw mailbox.

    Bent u NBA-lid? Dan kunt u zich ook aanmelden via uw ledenprofiel op MijnNBA.nl.