Tuchtrecht

Goedkeuring winstprognose beleggingsfonds

Een registeraccountant keurt zonder deugdelijk onderzoek de winstprognose van een vastgoedbeleggingsfonds goed. Na een eerdere doorhaling vindt de Accountantskamer een berisping voldoende.

Accountantskamer

Zaaknummers:
21/1009 Wtra AK
Datum uitspraak:
05 augustus 2022
Oordeel:
deels gegrond
Maatregel:
berisping
Status:
nog niet definitief
Vindplaats:
ECLI:NL:TACAKN:2022:33

» Direct naar annotatie

Lex van Almelo

Belangrijkste feiten

Begin 2018 wordt een bv opgericht, die woningen wil kopen van gepensioneerden om deze weer aan hen te verhuren. Om het benodigde vastgoed te kunnen aankopen zal de bv obligaties uitgeven. De bv is vrijgesteld van de prospectusplicht, maar heeft besloten toch een prospectus op te stellen en een accountant te vragen om een verklaring uit te brengen bij de daarin opgenomen winstprognose.

Een werknemer van de onderneming benadert een administratiekantoor met het verzoek om onder meer een onafhankelijk verslag te laten opstellen door een accountant. Daarin moet worden verklaard dat:

  • de winstprognose of raming naar behoren is opgesteld op basis van de vermelde grondslagen;
  • de boekhoudkundige grondslag voor de opstelling van de winstprognose of -raming in overeenstemming is met de grondslagen voor financiële verslaglegging van de uitgevende instelling.

In mei 2018 stuurt een (per 10 november 2021 uitgeschreven) registeraccountant een ‘Goedkeurend onderzoeksrapport bij de Prognose 2019-2029’ van de onderneming. De naam van de functionaris van de opdrachtgever haalt hij er desgevraagd uit. Een kleine maand later stuurt de accountant de aangepaste versie van het rapport. Daarin staat onder meer dat:

  • de accountant de gewaarmerkte prognose voor de periode 2019-2029 heeft onderzocht;
  • deze prognose is opgesteld onder verantwoordelijkheid van de directie van de bv;
  • het de verantwoordelijkheid van de accountant is een onderzoeksrapport inzake de prognose te verstrekken;
  • het onderzoek is uitgevoerd in overeenstemming met Nederlands recht, waaronder de Standaard 3400 voor ‘Onderzoek van toekomstgerichte financiële informatie’;
  • de uitgevoerde werkzaamheden in hoofdzaak bestonden uit het inwinnen van inlichtingen bij functionarissen van de entiteit, het uitvoeren van cijferanalyses met betrekking tot financiële gegevens en het vaststellen dat de veronderstellingen op de juiste wijze zijn verwerkt;
  • de conclusie daarvan slechts een beperkte mate van zekerheid geeft;
  • het onderzoek naar de opstelling en de toelichting van de prognose slechts een redelijke mate van zekerheid geeft;
  • het onderzoek van de gegevens waarop de veronderstellingen zijn gebaseerd geen twijfels doet rijzen omtrent de redelijke basis voor de prognose;
  • de prognose op een juiste manier op basis van de veronderstellingen is opgesteld en toegelicht in overeenstemming met Titel 9 Boek 2 BW;
  • daarbij ook de toepasselijke grondslagen voor waardering en resultaatbepaling in aanmerking zijn genomen;
  • de werkelijke uitkomsten waarschijnlijk zullen afwijken van de prognose, aangezien de veronderstelde gebeurtenissen zich veelal niet op gelijke wijze zullen voordoen als hier is aangenomen;
  • de hieruit voortvloeiende afwijkingen van materieel belang kunnen zijn;
  • de prognose is opgesteld voor geïnteresseerde beleggers met als doel de bv in staat te stellen additionele fondsen te verkrijgen om haar doelen te realiseren;
  • de prognose hierdoor mogelijk niet geschikt is voor andere doeleinden;
  • het onderzoeksrapport daarom uitsluitend bestemd is voor die specifieke doelgroep geïnteresseerde beleggers en niet moet worden verspreid onder of worden gebruikt door anderen.

Op 1 augustus 2019 stuurt de bv alle obligatiehouders het bericht dat de werkzaamheden voortijdig worden beëindigd omdat de bank “vrij plotseling niet meer wilde meewerken”. De obligatiehouders krijgen ongeveer 37,5 procent van hun inleg terug. Ruim negen maanden later wordt de bv ontbonden. Enkele gedupeerde beleggers verenigen zich in een stichting die de accountant aansprakelijk stelt en een klacht tegen hem indient bij de Accountantskamer.

Klacht

De accountant heeft:

a. de opdracht niet op een behoorlijke wijze aanvaard;

b. geen behoorlijk onderzoek verricht;

c. het ten onrechte doen voorkomen alsof de bv een deugdelijke winstprognose had voor de periode 2019-2029;

d. toegestaan dat het rapport werd verspreid onder geïnteresseerde beleggers, terwijl hij wist dat er geen goed onderzoek was gedaan en het rapport gebrekkig was.

Oordeel

De klachtonderdelen a, b en d zijn gegrond.

Normenkader

Het onderzoeksrapport gaat over toekomstgerichte financiële informatie, zodat daarop in hoofdzaak Standaard 3400 en Standaard 3000D van toepassing zijn. Met een assurance-rapport verschaft de accountant een beperkte mate van zekerheid over toekomstgerichte informatie. De accountant wist dat de winstprognose zou worden opgenomen in een prospectus. Daarom is naast Standaard 3400 in beginsel ook Standaard 3850N van toepassing. De Accountantskamer laat deze Standaard echter buiten beschouwing omdat toetsing hieraan, áls de Standaard ook echt van toepassing zou zijn, in dit geval niet zou leiden tot een andere uitkomst.

De klacht en het verweer hebben nadrukkelijk een civielrechtelijke component, omdat de stichting de accountant aansprakelijk heeft gesteld voor de schade die de beleggers hebben geleden door te investeren in obligaties van de bv. De Accountantskamer beklemtoont dat zij niet oordeelt over de civielrechtelijke aansprakelijkheid en gaat daarom niet in op civielrechtelijke aspecten, zoals de vraag of de eigenlijke oorzaak van het debacle niet is gelegen in de opzegging van de dienstverlening door de bank.

Ad a Opdrachtaanvaarding

Volgens paragraaf 12 van Standaard 3400 moeten de accountant en zijn opdrachtgever overeenstemming bereiken over de voorwaarden van de opdracht. In de opdrachtbevestiging legt de accountant niet alleen deze voorwaarden vast, maar bedingt hij ook dat het bestuur van de entiteit verantwoordelijk is voor:

  • de veronderstellingen;
  • het verstrekken van alle relevante informatie en basisgegevens die aan de veronderstellingen ten grondslag liggen.

In paragraaf 10 van de Standaard staan enkele aanvullende overwegingen, die de accountant moet betrekken bij de aanvaarding van de opdracht. De accountant maakt in dit geval echter niet duidelijk dat hij aan al deze punten heeft voldaan bij de opdrachtaanvaarding. Hij heeft evenmin de opdrachtbevestiging overgelegd. De kans daarvoor krijgt hij niet alsnog. De stichting heeft dit klachtonderdeel al in haar klaagschrift onder de aandacht gebracht, zodat de accountant ruimschoots de gelegenheid heeft gehad zijn verweer op dit punt te onderbouwen. Omdat het verweer onvoldoende is onderbouwd, wordt het gepasseerd en is dit klachtonderdeel gegrond.

Ad b: Onderzoek

Volgens de stichting heeft de accountant de vermelde onderzoeksactiviteiten in werkelijkheid niet uitgevoerd. De accountant beweert van wel, maar heeft zijn verweer op geen enkel punt onderbouwd met vastleggingen uit zijn dossier. Daarom is het verweer niet te verifiëren en wordt dan ook gepasseerd.

Daar komt bij dat Standaard 3400 enkele basisvoorwaarden opsomt voor de uitvoering van een opdracht tot onderzoek van toekomstgerichte financiële informatie:

  • in paragraaf 2 staat onder b dat een accountant bij zo’n opdracht toereikende informatie moet vergaren om vast te stellen dat de bedoelde informatie op juiste wijze is gebaseerd op de veronderstellingen;
  • op grond van paragraaf 17 onder e moet de accountant de toereikendheid en betrouwbaarheid van de onderliggende gegevens in zijn overwegingen betrekken;
  • in paragraaf 18 staat dat de accountant de herkomst en betrouwbaarheid beoordeelt van de gegevens die ten grondslag liggen aan de schattingen van het bestuur van de entiteit.

De accountant moet beoordelen of de veronderstellingen zijn gebaseerd op plannen die passen binnen de mogelijkheden van de entiteit. De Accountantskamer kan bij gebreke van een onderbouwd verweer niet vaststellen dat de accountant heeft voldaan aan deze (basis)voorwaarden.

De bv was kort tevoren opgericht en nog niet begonnen met haar activiteiten. De winstprognose was dan ook niet gebaseerd op een doorrekening van behaalde resultaten uit het verleden en actuele cijfers, maar nagenoeg volledig op een aantal schattingen, hypotheses en veronderstellingen. De winstprognose en veronderstellingen zijn opgesteld door de bv. De accountant moest op grond van Standaard 3400 (par. 17c) ook beoordelen of het bestuur van de bv bekwaam genoeg was om zo’n prognose betrouwbaar op te stellen.

Daarvan heeft de accountant onvoldoende werk gemaakt. Hij heeft op de zitting gezegd dat hij met één van de directieleden heeft gesproken voordat hij het onderzoeksrapport uitbracht. Het is echter niet duidelijk met welk directielid hij heeft gesproken en evenmin of dit directielid over de bedoelde bekwaamheid beschikte. De accountant heeft hiervan ook geen vastlegging overgelegd.

Of en hoe diepgaand de accountant de herkomst en betrouwbaarheid van de veronderstellingen van de winstprognose heeft beoordeeld, kan de Accountantskamer niet vaststellen. Op de zitting is onder meer gesproken over de veronderstelling ten aanzien van de reservering onderhoudsdepot voor de woningen. De bv reserveerde daarvoor vanaf het tweede jaar een oplopend bedrag. Op de vraag of dat bedrag reëel en toereikend is, zei hij dat dit “ervaringscijfer niet gek is gekozen”. Hij heeft echter niet inzichtelijk gemaakt op welke grond hij tot die inschatting is gekomen.

Datzelfde geldt voor de aanname dat het onroerend goed met 3,5 procent per jaar in waarde zou stijgen en voor de gekozen inflatie. Deze aannames vindt de accountant “niet raar”, al waren beide percentages naar zijn smaak te laag gekozen. Daarmee heeft hij onvoldoende toegelicht hoe diepgaand hij de herkomst en betrouwbaarheid van de gegevens heeft beoordeeld.

De accountant heeft niet aangetoond dat hij professioneel-kritisch genoeg de veronderstellingen die aan de winstprognose ten grondslag lagen (Standaard 3000D par. 37) heeft onderzocht. De Accountantskamer heeft niet kunnen vaststellen of de werkzaamheden breed en diep genoeg gingen om de conclusies van het eindrapport deugdelijk te onderbouwen.

Ad c Winstprognose 2019-2029

Omdat de accountant ontoereikend onderzoek heeft gedaan naar de veronderstellingen die aan de winstprognose ten grondslag liggen (zie klachtonderdeel b) kan de Accountantskamer niet beoordelen of sprake is van een klassieke piramidebelegging. De Accountantskamer kan ook niet vaststellen of beleggers opzettelijk zijn misleid en of de accountant dit had moeten signaleren en rapporteren.

De winst zou volgens de accountant uiteindelijk worden behaald door de combinatie van enerzijds de waardeontwikkeling en anderzijds de aankoop van het vastgoed tegen maximaal 80 procent en in een enkel geval zelfs 55 procent van de marktwaarde. Door woningen te verkopen zou de negatieve cashflow positief kunnen worden beïnvloed en de prognose volgens de accountant alsnog behaald. Gezien dit verweer is dit klachtonderdeel onvoldoende onderbouwd en daarom ongegrond.

Ad d Verspreidingskring

Volgens de Accountantskamer had de accountant zich moeten realiseren dat zijn accountantsverklaring is gebaseerd op gebrekkig onderzoek. Als verklaring voor zijn summiere onderzoeksactiviteiten heeft hij aangevoerd dat de prospectus – inclusief winstprognose – ook zou worden beoordeeld door de AFM. De vraag is waarom de accountant dit dacht. Er bestaat namelijk geen verplicht AFM-toezicht op de prospectus van de vastgoedbeleggings-bv.

De aanbieding van de bv bestaat uit de uitgifte van obligaties voor maximaal 4,9 miljoen euro. De bv viel daarom onder de destijds geldende Vrijstellingsregeling Wft. De bv moest zich daarbij wel melden bij de AFM en daarbij het standaard informatiedocument overleggen. Verder gaat de AFM-controle in zo’n geval niet, op de anti-witwascontrole na. Bovendien ontslaat een eventuele beoordeling door de AFM de accountant niet van zijn verplichting deugdelijk onderzoek te doen.

De accountant wist dat zijn verklaring gebruikt zou worden voor geïnteresseerde beleggers, die waarde hechten aan een deugdelijk onderzoek naar de betrouwbaarheid van de winstprognose. Dat onderzoek heeft de accountant niet, althans onvoldoende gedaan. Het valt hem te verwijten dat hij de verspreiding van het rapport bewust heeft toegestaan, terwijl hij zich had moeten realiseren dat zijn onderzoeksactiviteiten ontoereikend waren voor een deugdelijke grondslag.

Maatregel

De accountant heeft de toegevoegde waarde van zijn verklaring voor de potentiële beleggers onderschat. Hij heeft te zeer geleund op de veronderstellingen van de bv zonder zelf een professioneel-kritisch oordeel te vormen. De ernst van de feiten rechtvaardigt in beginsel een doorhaling. Aan de accountant is echter al eerder een (definitieve) doorhaling opgelegd met een verbod tot herinschrijving voor de duur van vijf jaren. Daarom wordt nu volstaan met een berisping.

Annotatie Lex van Almelo

Een vastgoedbeleggingsfonds denkt ouderen hun eigen woning te kunnen aftroggelen voor 80 procent van de marktwaarde en die woning vervolgens weer aan de senioren te verhuren. Voor de aankoop van de woningen wil de onderneming obligaties uitgeven. De onderneming hoeft geen prospectus uit te brengen, maar doet dat toch. Het vindt een registeraccountant bereid de winstprognose goed te keuren op basis van de cijfers en uitgangspunten van het fonds. Dat het een piramidefonds zou zijn, dat hen opzettelijk misleidde, hebben de beleggers niet aangetoond. Maar nadat de onderneming zichzelf ophief toen de bank de dienstverlening ‘plotseling’ stopzette, voelen de gedupeerde investeerders dat wel zo. Zij kregen slechts 37,5 procent van hun inleg terug.

Bij gebrek aan dossiervorming kan de Accountantskamer amper zeggen hoe oppervlakkig de accountant zijn werk heeft gedaan. Maar het lijkt een kwestie van: u vraagt, wij draaien. De ernst van de feiten rechtvaardigt een doorhaling volgens de kamer, die het houdt bij een berisping. Waarom? Omdat de inschrijving van deze accountant al eerder werd doorgehaald, met een herinschrijvingsverbod van “(na hoger beroep) vijf jaar”. De toevoeging tussen haakjes doet vermoeden dat de maatregel in eerste instantie anders uitviel. Mede gezien het jaar waarin de accountant zich heeft ingeschreven in het register moet het bij de eerdere doorhaling gaan om deze uitspraak. Daarin is de maatregel in hoger beroep gematigd tot een termijn van vijf jaar. Kennelijk is dat voor de Accountantskamer een reden om nu zelf alvast op de rem te trappen.

Terecht? Ook bij de eerdere doorhaling betoonde de accountant zich veel te hulpvaardig tegenover de opdrachtgever. Toen was de schatkist (fiscus) de dupe. Nu investeerders, die afgingen op de betrouwbaarheid van de accountantsverklaring.

reacties

Reageer op dit artikel

Spelregels debat

    Aanmelden nieuwsbrief

    Ontvang elke werkdag (maandag t/m vrijdag) de laatste nieuwsberichten, opinies en artikelen in uw mailbox.

    Bent u NBA-lid? Dan kunt u zich ook aanmelden via uw ledenprofiel op MijnNBA.nl.