Controle frauderend Mitra schoot tekort
Een registeraccountant heeft ten onrechte een goedkeurende verklaring afgegeven bij de jaarrekening 2014 van drankenketen Mitra. Hij had meer controle-informatie moeten hebben.
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Zaaknummers:
- 22/1341 en 22/1342
- Datum uitspraak:
- 16 juni 2026
- Oordeel:
- deels gegrond
- Maatregel:
- tijdelijke doorhaling voor 1 maand
- Status:
- definitief
- Vindplaats:
- ECLI:NL:CBB:2026:275
Lex van Almelo
Belangrijkste feiten
Drankenproducent annex slijterijketen Mitra* wordt gedreven door een groep ondernemingen, waarvan één persoon uiteindelijk de eigenaar is. Een registeraccountant controleert de (geconsolideerde) jaarrekeningen 2012, 2013 en 2014 van de vennootschap die aan de top van de groep staat (hierna: de top-bv) en verstrekt daarbij goedkeurende verklaringen. De controle van de jaarrekening 2015 wordt voortijdig afgebroken.
In de loop van 2016 laat de toenmalige cfo van de top-bv een intern onderzoek uitvoeren naar mogelijke fraude en onjuiste boekingen. In een interne notitie maakt de cfo melding van forse afboekingen voor in totaal 22 miljoen euro bij de top-bv. De huisbankier van het bedrijf weigert daarna het gevraagde krediet te verhogen, waardoor het drankbedrijf in juli 2016 in surséance van betaling gaat. De Rechtbank Zeeland-West-Brabant verklaart de onderneming elf dagen later failliet en benoemt twee curatoren.
De ceo van Mitra, die tevens bestuurder was van de top-bv, verklaart in augustus 2019 schriftelijk dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan boekhoudfraude bij Mitra door in de administratie memoriaalboekingen op te nemen zonder voldoende basis. De curatoren van de failliete groep vragen de accountant herhaaldelijk om inzage in de controledossiers, maar die weigert dat. De controlerend accountant geeft wel een algemene toelichting en drie bijlagen, die meer licht werpen op zijn controlewerkzaamheden. In een kort geding proberen de curatoren vergeefs inzage in het dossier af te dwingen.
De curatoren klagen er bij de Accountantskamer over dat de accountant:
- te weinig controlewerkzaamheden heeft verricht ten aanzien van:
- de memoriaalboekingen;
- de filiaalvoorraad;
- de materiële vaste activa;
- de liquide middelen;
- crediteuren en overlopende passiva;
- de consolidatie;
- de volwaardigheid van de vorderingen op een bedrijfsonderdeel;
- bewust onjuiste en misleidende verklaringen heeft afgelegd in het kader van een kort geding;
- ten onrechte heeft geweigerd een afschrift van (delen van) de controledossiers te verstrekken aan de curatoren.
De Accountantskamer verklaart klachtonderdeel a – op punt 3 na – gegrond en de rest van de klacht ongegrond. Zowel de curatoren als de accountant gaan in hoger beroep.
Hogerberoepsgronden
De accountant vindt dat de Accountantskamer klachtonderdeel a (op punt 3 na) ten onrechte gegrond heeft verklaard en een te zware maatregel heeft opgelegd.
De curator vindt de ongegrondverklaring van a.3 en de klachtonderdelen b en c onterecht en vindt bovendien dat de Accountantskamer het verstrekken van goedkeurende verklaringen in de boekjaren 2012, 2013 en 2014 ten onrechte buiten behandeling heeft gelaten.
Oordeel
Het hoger beroep van de accountant is gegrond voor zover het de gegrondverklaring van de klachtonderdelen a.1, a.2 en a.4 betreft inzake de post overige waardebonnen.
Het hoger beroep van de curator is gegrond voor zover hij betoogt dat de accountant ook geen voldoende deugdelijke grondslag had om bij de door hem gecontroleerde jaarrekening 2014 een goedkeurende verklaring af te geven.
Het college volgt in zijn beoordeling de klachtonderdelen.
Ad a.1 Memoriaalboekingen
De klacht over de controle van de memoriaalboekingen bij een commanditaire vennootschap (cv) uit de groep is volgens de Accountantskamer gegrond, omdat de accountant zich heeft gebaseerd op de Excellijst die de controller van de cv heeft overhandigd aan een lid van het controleteam. De controlerend accountant en zijn medewerkers hebben die niet afgestemd met de journaalposten in het Exact-grootboek van de cv. In de controle is niet vastgesteld dat de Excellijst volledig was en dus alle memoriaalboekingen van de jaarafsluiting bevatte die in het grootboek waren verwerkt. Dit had gemoeten vanwege het geïdentificeerd risico op management override.
De accountant voert aan dat hij mocht uitgaan van de Excellijst met memoriaalboekingen. Hij had ten tijde van de controle geen indicaties van mogelijke fraude, zodat er ook geen aanleiding was voor een nader onderzoek conform Standaard 240.
Volgens Standaard 240, aldus het college, is de accountant die een controle uitvoert verantwoordelijk voor het verkrijgen van een redelijke mate van zekerheid dat de financiële overzichten als geheel geen afwijkingen van materieel belang bevatten die het gevolg zijn van fraude of fouten (Standaard 240.5). Volgens Standaard 200 moet de accountant gedurende de gehele controle een professioneel-kritische instelling handhaven, rekening houdend met de mogelijkheid van een afwijking van materieel belang die het gevolg is van fraude (Standaard 240.13).
Uit stukken uit het controledossier blijkt dat het controleteam in juni 2015 van de controller van Mitra een Excellijst heeft ontvangen van de memoriaalboekingen van P13 van 2014. Volgens Standaard 240.14 mag een accountant de vastleggingen en documenten als authentiek aanvaarden, tenzij deze aanwijzingen heeft om het tegendeel te veronderstellen. Volgens de aangeklaagde accountant is een lid van het controleteam standaard aanwezig bij het uitdraaien van de Excellijsten. Er waren geen aanwijzingen dat deze lijst niet authentiek was.
Dat achteraf is gebleken dat er is gefraudeerd, betekent volgens het college dan ook niet dat er voor de accountant tijdens de controle fraudesignalen waren en dat de accountant de beroeps- en gedragsregels heeft geschonden door de fraude niet te ontdekken. De curator heeft niet betwist dat er op het moment geen frauderisico's bestonden.
De verklaring van de ceo dat hij heeft gefraudeerd, biedt onvoldoende aanknopingspunten voor de aanwezigheid van fraudesignalen op het moment van de controle. Hieruit blijkt namelijk niet duidelijk hoe de fraude is gepleegd en of het de accountant al tijdens ten tijde van de controle duidelijk had moeten of kunnen zijn dat er memoriaalboekingen waren verwijderd uit de Excellijst. Uit de stukken blijkt dat het ging om 25 verwijderde memoriaalboekingen op een totaal van ruim 12.500 memoriaalboekingen. Daarom mocht de accountant de Excellijsten als authentiek aanvaarden en gebruiken voor de controle van de memoriaalboekingen.
Door vervolgens te toetsen of de in de Excellijst opgenomen memoriaalboekingen aanvaardbaar zijn, heeft de accountant voldaan aan Standaard 240.33 (voorheen 240.32): zet de controlewerkzaamheden zo op en voer deze zo uit dat je toetst of de in het grootboek vastgelegde journaalposten en andere aanpassingen die tijdens het opstellen van de financiële overzichten zijn aangebracht aanvaardbaar zijn. Dat achteraf gebleken is dat deze lijst niet volledig was, maakt dat niet anders.
De memoriaalboekingen in P14 van 2014 heeft de accountant niet gezien en niet gecontroleerd. Anders dan de Accountantskamer vindt het college dat de accountant op het moment van het uitdraaien van de Excellijst geen aanleiding had om ervan uit te gaan dat ook memoriaalboekingen waren gedaan in P14 en deze had moeten betrekken bij de controle. Zowel in 2012 als in 2013 ging het bij de memoriaalboekingen alleen om het klaarzetten van de beginbalans voor het volgende boekjaar. Deze boekingen hebben dus geen invloed op het lopende boekjaar en hoefden om die reden dan ook niet betrokken te worden bij de controle.
De accountant had ook geen aanleiding om te veronderstellen dat voor 2014 wel correctieboekingen in P14 zouden worden geboekt. Daar komt bij dat de memoriaalboekingen van P14 van 2013 nog niet waren geboekt ten tijde van de controlewerkzaamheden voor de jaarrekening 2013. Het was in zoverre dan ook niet opmerkelijk dat er in de uitgedraaide Excellijst geen boekingen stonden in P14 van 2014.
Voor wat betreft de memoriaalboekingen heeft de accountant daarom niet in strijd gehandeld met het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid. Klachtonderdeel a.1 is ten onrechte gegrond verklaard.
Ad a.2 Filiaalvoorraad
Dit klachtonderdeel betreft zowel de risico-inschatting bij de gekozen controle-aanpak van de filiaalvoorraad als de controle van de waardering van de filiaalvoorraad bij Mitra.
Standaard 500.6 bepaalt dat de accountant controlewerkzaamheden moet opzetten en uitvoeren die in de omstandigheden geschikt zijn om voldoende en geschikte controle-informatie te verkrijgen. Het college stelt op grond van de overgelegde stukken uit het accountantsdossier vast dat controlewerkzaamheden zijn verricht op de voorraad. In deze situatie zijn die geschikt om voldoende en geschikte controle-informatie te verkrijgen.
Anders dan de Accountantskamer vindt het college een specificatie van de voorraad per filiaal niet essentieel voor een goede analyse van de gehele voorraad. Voor de jaarrekening ging het namelijk niet om de voorraad per filiaal, maar om de totale voorraad van de slijterijketen. Het college vindt de uitgevoerde controleaanpak in dit geval aanvaardbaar, omdat de voorraad een laag-risicopost was en Mitra beschikte over een sterke inventarisatieprocedure.
In tegenstelling tot de Accountantskamer vindt het college dat de accountant voor wat betreft boekjaar 2014 niet in strijd heeft gehandeld met het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid. Klachtonderdeel a.2 is wat betreft de controle van de waardering van de voorraad in 2014 ten onrechte gegrond verklaard.
De curator vindt dat de klacht voor wat betreft de controle van de waardering van de voorraad in 2012 en 2013 ten onrechte ongegrond heeft verklaard. Volgens het college had de accountant de beschikking over specificaties van de voorraad per filiaal uit DistRetail. Hij had echter geen aanleiding om aan te nemen dat de controlewerkzaamheden van de voorraad in 2012 en 2013 onvoldoende dan wel niet geschikt waren.
Ad a.4 Liquide middelen
Dit klachtonderdeel slaat op drie onderdelen van de controle van de liquide middelen van Mitra:
- het kasgeld;
- de openstaande pinbetalingen en bankstortingen; en
- de overige waardebonnen.
In hoger beroep gaat het om het kasgeld en de overige waardebonnen.
Kasgeld
Het college is het met de accountant eens dat de gemiddelde hoeveelheid kasgeld per filiaal op een bepaald moment niet vergelijkbaar is met de gemiddelde hoeveelheid kasgeld op een ander moment. De hoeveelheid kasgeld fluctueert en er is geen sprake van gelijkwaardige filialen. Daarbij komt dat het aantal filialen in 2014 is afgenomen, waardoor vergelijking van de gemiddelde hoeveelheid kasgeld per filiaal niet betrouwbaar is. Anders dan de Accountantskamer vindt het college dat de toename van de hoeveelheid kasgeld per filiaal dan ook geen reden voor de accountant had hoeven zijn om nader onderzoek te verrichten.
De accountant zegt dat hij de hoeveelheid kasgeld zowel systeemgericht als gegevensgericht heeft gecontroleerd. Mitra beschikte volgens hem over een sterke en consistente wijze van kasgeldtelling door het jaar heen en voor de jaren 2012 en 2013 is een proceduretest uitgevoerd naar de administratieve organisatie en interne beheersing van de kasgeldtelling. Voor het jaar 2014 is vastgesteld dat deze hetzelfde is gebleven. Daarnaast heeft de accountant voor 2014 specificaties opgevraagd van de kastelling van twee filialen. Deze specificaties sloten aan op de centrale administratie.
Uit de specificatie F-110 kasgeld per filiaal en de 'workpaper kas en banken' volgt dat de totale hoeveelheid kasgeld 478.367 euro bedroeg. Dit bedrag sluit aan op de saldibalans en wordt niet bestreden. Volgens specificatie F-110 bestaat de hoeveelheid kasgeld onder andere uit een boeking op post ‘0317 filialen algemeen’ van 100.000 euro. De accountant beschikte niet over deze specificatie zodat hij deze boeking op post 0317 niet heeft gecontroleerd. Het is dan ook onduidelijk hoe hij kon vaststellen dat de hoeveelheid kasgeld overeenkwam, terwijl een groot deel daarvan bestond uit kasgeld dat niet aan een filiaal was toe te rekenen.
Omdat de totale hoeveelheid kasgeld boven de uitvoeringsmaterialiteit lag, had de accountant meer onderzoek moeten doen dan twee filialen controleren en had hij moeten beschikken over de specificatie F-110 waarop het kasgeld per filiaal stond. Als hij deze specificatie zou hebben gehad, dan zou de boeking van 100.000 euro op de post 0317 filialen algemeen hem moeten zijn opgevallen. Klachtonderdeel a.4 is wat betreft het kasgeld terecht gegrond verklaard.
Saldo overige waardebonnen
Uit de overgelegde stukken blijkt dat het vermelde saldo is gestegen van 65.801 euro eind 2013 naar 594.560 euro eind 2014. Hierin zat een post van 326.065 euro inzake de afwikkeling van een vaststellingsovereenkomst met Trivento Groupe LFE.
Volgens de Accountantskamer betekent het enkele gegeven dat een post beneden de uitvoeringsmaterialiteit ligt op zichzelf genomen niet dat hieraan bij een controle geen aandacht hoeft te worden besteed. Een vaststellingsovereenkomst, zoals de overeenkomst met Trivento, is een bijzondere post waaraan voldoende aandacht had moeten worden besteed. Onder deze omstandigheden had de accountant onderzoek moeten doen naar het bestaan en de reden van de vordering en deze overeenkomst. Door dat na te laten heeft hij volgens de Accountantskamer in strijd gehandeld met het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid.
De accountant voert aan dat hij wel onderzoek heeft gedaan naar het bestaan van de vordering en de vaststellingsovereenkomst. Het management heeft aangegeven dat Mitra een minnelijke regeling had getroffen met Trivento, die is vastgelegd in de vaststellingsovereenkomst. Dit is ook vastgelegd in het controledossier.
In het 'workpaper kas en banken' staan bovengenoemde bedragen. Bij de post overige waardebonnen is vervolgens verwezen naar 'ref. 20.002', specificatie waardebonnen. In deze specificatie:
- wordt onder andere vermeld dat in een vaststellingsovereenkomst is afgesproken dat Trivento een betaling aan Mitra en extra investeringen zal doen;
- staat ook een opmerking van een medewerker van het controleteam.
Hoewel de accountant de vaststellingsovereenkomst zelf niet heeft gezien, blijkt hieruit voldoende dat een lid van het controleteam die wel heeft gezien. Dit wijst erop dat onderzoek is gedaan naar het bestaan en de onderliggende reden van de overeenkomst. Daarnaast is het bedrag van de vordering gecontroleerd. Dat deze vordering is opgenomen op grootboekrekening '1441 overige waardebonnen', waar deze eigenlijk niet thuishoorde, is hier niet van belang. De vordering is voldoende gecontroleerd. Anders dan de Accountantskamer vindt het college dat de accountant op dit punt niet in strijd heeft gehandeld met het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid.
Liquide middelen boekjaren 2012 en 2013
Net als de Accountantskamer vindt het college dat de controle over deze boekjaren niet kan worden beoordeeld. Over de jaren 2012 en 2013 zijn te weinig gegevens bekend.
Ad a.5 Crediteuren en overlopende passiva
Dit klachtonderdeel gaat over:
- de balanspost totaal handelscrediteuren, waarvan grootboekrekening '1493 Transitie (...)' deel uitmaakt; en
- de balanspost totaal overlopende passiva, waarvan grootboekrekening '1694 Nog te betalen kosten' deel uitmaakt.
Deze posten slaan op de onderlinge verhouding tussen Mitra en een dochtermaatschappij van de Holland Trading Group BV.
De Accountantskamer vindt dat de accountant het bestaan van de vordering voldoende heeft gecontroleerd, maar aanvullende controlewerkzaamheden had moeten uitvoeren naar de hoogte van de vordering ad 2.460.525,85 euro in plaats van zonder meer af te gaan op de gegevens uit het financiële-administratie-onderdeel ASPOS. Het gaat om een nieuwe overeenkomst waaruit onder meer vorderingen van Mitra voortvloeiden, die in het tweede halfjaar van 2014 als afgeronde bedragen zijn geboekt. Er is niet gebleken van een finale afrekening met de debiteur en de vordering was tijdens de afronding van de controle nog niet voldaan. Door geen aanvullende controlewerkzaamheden te verrichten, heeft de accountant onvoldoende controle-informatie verkregen over de hoogte van deze vordering en daardoor in strijd gehandeld met Standaard 500.6 en het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid.
De accountant legt zich neer bij dit oordeel, maar de curator vindt dat de Accountantskamer ten onrechte voorbij is gegaan is aan het in grootboekrekening 1694 genoemde "debet bedrag ad 1.146.591,47 euro" en het klachtonderdeel ten onrechte ongegrond heeft verklaard op basis van een niet onderbouwde, door de curator betwiste, toelichting van de accountant.
In wat de curator heeft aangevoerd ziet het college geen aanleiding om het oordeel van de Accountantskamer onjuist te achten. De curator heeft geen nieuwe argumenten aangevoerd.
Ad a.6 Beoordeling consolidatie
Heeft de accountant terecht niet beoordeeld of op het niveau van de Beheer BV had moeten worden geconsolideerd en of hij voldoende inzicht had in de omgeving en de financiering van de groep?
Volgens de Accountantskamer verzetten de fundamentele beginselen zich er niet tegen dat een externe accountant een opdracht aanvaardt voor de controle van de (geconsolideerde) jaarrekening van een groep die zelf deel uitmaakt van een andere groep. Door de opdracht te aanvaarden voor de controle van de jaarrekening(en) van de Mitra-groep heeft de accountant dan ook niet in strijd gehandeld met enig fundamenteel beginsel. Dit oordeel staat in hoger beroep niet ter discussie.
Over de tweede vraag overwoog de Accountantskamer dat Standaard 600.17 bepaalt dat de accountant de risico's op een afwijking van materieel belang identificeert en inschat door inzicht te verwerven in de entiteit en haar omgeving. Dit was hier in het bijzonder van belang omdat de onderlinge verwevenheid tussen Mitra en de Beheer BV groot was. Zo was sprake van een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting, was er een gemeenschappelijke bestuurder en was sprake van onderlinge financiële vervlechting.
In deze omstandigheden is het belangrijk een adequate analyse uit te voeren van:
- de omvang en samenstelling van de groepsentiteiten; en
- de onderlinge transacties en verhoudingen.
Dit is mede van belang om het risico te onderkennen dat de opdrachtgever de controleopdracht in zo'n situatie vanuit financiële motieven beperkt tot een bepaald deel van de vennootschappen om daarmee het financiële plaatje rooskleuriger voor te stellen dan het is. De Accountantskamer vindt dat uit het controledossier onvoldoende blijkt dat de accountant het vereiste inzicht heeft verworven in de entiteit en haar omgeving.
Op de zitting heeft de accountant verklaard dat hij de onderlinge verhoudingen tussen Mitra en de Beheer BV bij de opdrachtaanvaarding besproken heeft met het management van Mitra. Dat is hiervoor op zichzelf genomen onvoldoende. Hij had zijn overwegingen en een beoordeling van het risico op een afwijking van materieel belang in verband met deze onderlinge verwevenheid moeten vastleggen in het controledossier. Door dit niet te doen heeft hij in strijd gehandeld met Standaard 600.17.
Door zijn overwegingen niet deugdelijk vast te leggen heeft hij ook in strijd gehandeld met Standaard 230.8, die bepaalt dat de accountant de controledocumentatie zo opstelt dat die voldoende is om een ervaren accountant, die niet eerder bij de controle betrokken was, in staat te stellen inzicht te verwerven in:
- de aard, timing en omvang van de controlewerkzaamheden die zijn uitgevoerd overeenkomstig de Standaarden en de toepasselijke vereisten op basis van de wet- en regelgeving;
- de uitkomsten van de uitgevoerde controlewerkzaamheden, alsmede de verkregen controle-informatie; en
- significante aangelegenheden die tijdens de controle aan de orde zijn gekomen, de daaruit getrokken conclusies en significante professionele oordeelsvormingen die tot de conclusies hebben geleid.
In dit verband is van belang dat in Standaard 230.6 onder a staat dat voor de toepassing van de Standaarden onder controledocumentatie wordt verstaan: "De vastlegging van de uitgevoerde controlewerkzaamheden, de verkregen relevante controle-informatie en de conclusies die de accountant heeft getrokken."
Het college sluit zich hierbij aan. Hoewel de accountant bij zijn hoger-beroepsschrift meer stukken heeft overgelegd die slaan op de groep en haar omgeving en financiering, blijkt hieruit niet of deze stukken al op de controledatum in het controledossier zaten en of de accountant iets met deze stukken heeft gedaan. Op de zitting van het college heeft de accountant hierover ook geen duidelijkheid kunnen verschaffen. Op het moment van de controle van de jaarrekeningen was dan ook niet duidelijk of de accountant het vereiste inzicht had.
Klachtonderdeel a.6 is terecht gegrond verklaard, omdat de accountant in de boekjaren 2012, 2013 en 2014 onvoldoende inzicht heeft verkregen in de omgeving en de financiering van de groep.
Ad a.7 Beoordeling volwaardigheid vorderingen
Dit klachtonderdeel slaat op de controle van enkele vorderingen van Mitra op vennootschappen die behoorden tot de Beheer BV c.s., waaronder een vordering van 9.130.000 euro na verrekening. Ultimo 2014 bedroeg de totale waarde van deze vorderingen 24.831.000 euro. De accountant vecht de gegrondverklaring van dit onderdeel aan, maar onderbouwt zijn standpunt onvoldoende.
Dat dit klachtonderdeel ook wat betreft de boekjaren 2012 en 2013 gegrond zou moeten worden verklaard, heeft de curator niet nader onderbouwd.
Goedkeurende verklaring jaarrekeningen 2012, 2013 en 2014
De curator heeft in hoger beroep aangevoerd dat:
- de klacht ook inhield dat de accountant ten onrechte goedkeurende verklaringen heeft verstrekt bij de jaarrekeningen 2012, 2013 en 2014;
- de Accountantskamer deze klacht ten onrechte niet heeft behandeld.
Het college stelt vast dat dit tuchtrechtelijk verwijt inderdaad onderdeel uitmaakte van de klacht en dus beoordeeld had moeten worden door de Accountantskamer. Het college vindt dat de accountant ten onrechte een goedkeurende verklaring heeft verstrekt bij de jaarrekening 2014. Zoals hiervoor is geoordeeld, heeft de accountant in strijd gehandeld met het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid voor wat betreft de klachtonderdelen a.4 (behalve bij de post overige waardebonnen) tot en met a.7. Hij heeft op deze onderdelen van de controle geen voldoende en geschikte controle-informatie verkregen. Het is dan ook onduidelijk of de posten, waarop de klachtonderdelen a.4, a.5 en a.7 betrekking hebben, op juiste waarde zijn weergegeven in de financiële overzichten. Wat betreft klachtonderdeel a.6 ontbreekt het volgens Standaard 600.17 en Standaard 230.8 vereiste inzicht. Hierdoor was er onvoldoende grondslag voor het afgeven van een goedkeurende verklaring bij de jaarrekening 2014.
Voor de boekjaren 2012 en 2013 heeft de accountant alleen voor klachtonderdeel a.6 gehandeld in strijd met het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid. Dit acht het college in dit geval onvoldoende om te zeggen dat de accountant ten onrechte een goedkeurende verklaring heeft afgegeven bij de jaarrekeningen van 2012 en 2013.
Ad b Afgelegde verklaringen bij rechtbank
Dit klachtonderdeel gaat over de verklaringen die de gemachtigde van (onder andere) de accountant heeft afgelegd tijdens een kortgedingprocedure die de curator aanhangig had gemaakt tegen een vennootschap. Deze verklaringen zouden volgens de curator bewust onjuist en misleidend zijn. De accountant heeft tegen deze verklaringen geen bezwaar gemaakt, terwijl hij wel bij de zitting in de kortgedingprocedure aanwezig was.
Het gaat om de onterechte verklaringen dat:
- de door de curator genoemde memoriaalboekingen niet terug te vinden waren;
- de detailboekhouding van de slijterijketen overeenkomt met de uiteindelijke geconsolideerde jaarrekening van de groep;
- de facto geen enkele post onder de materialiteitsgrens van 750.000 euro is gecontroleerd;
- geen aanleiding bestond om een voorziening te treffen voor de oninbaarheid van vorderingen op de Beheer BV c.s.
De curator voert in zijn hoger beroep aan dat de Accountantskamer deze klacht ten onrechte ongegrond heeft verklaard. Net als de Accountantskamer vindt het college dat de curator bij geen van de opmerkingen aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is geweest van bewuste misleiding. Dat hij het niet eens is met de opmerkingen betekent nog niet dat sprake is van (bewuste) misleiding.
Ad c. Weigering verstrekking controle-informatie
Volgens het college heeft een accountant als opdrachtnemer niet zo'n algemene en onbeperkte verantwoordingsplicht dat deze (afschriften van) stukken uit zijn dossier moet afgeven aan zijn opdrachtgever, laat staan aan de curator in het faillissement van die opdrachtgever. De invulling van die verantwoordingsplicht is afhankelijk van:
- de aard van de werkzaamheden die zijn verricht ter uitvoering van de opdracht;
- de deskundigheid van de opdrachtgever; en
- de specifieke feiten en omstandigheden van het geval.
Dit neemt niet weg dat een accountant in beginsel bereid moet zijn de opdrachtgever en de curator in het faillissement van die opdrachtgever op hun verzoek in algemene zin informatie te verstrekken over de werkzaamheden die deze heeft uitgevoerd voor de opdracht (zie bijvoorbeeld deze uitspraak van het college). De accountant was dan ook niet verplicht om de volledige controledossiers over de boekjaren 2012, 2013 en 2014 aan de curator te verstrekken.
Het college volgt het oordeel van de Accountantskamer dat de accountant met zijn brief uit oktober 2020 afdoende heeft gereageerd op de diverse onderdelen van de verzoeken van de curator. Ook op de aanvullende verzoeken van de curator die nadien zijn gedaan, heeft hij zorgvuldig gereageerd en waar hij dat nodig vond, onderbouwd met stukken. Hiermee heeft hij voldaan aan zijn verantwoordingsplicht en heeft hij niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld.
Maatregel
Tijdelijke doorhaling voor één maand.
De klachtonderdelen a.1, a.2 en a.4 worden voor wat betreft de post overige waardebonnen alsnog ongegrond verklaard. De resterende schendingen van de gedrags- en beroepsregels wegen naar het oordeel van het college wel zo zwaar dat voor matiging van de opgelegde maatregel geen aanleiding bestaat. De accountant heeft voor meerdere (materiële) onderdelen van de jaarrekening onvoldoende controlewerkzaamheden verricht, waaronder het kasgeld, pinbetalingen en bankstortingen, de hoogte van de vorderingen van Mitra op een debiteur en de beoordeling van de volwaardigheid van de vorderingen op de Beheer BV c.s. Ook had hij onvoldoende inzicht in de omgeving en financiering van de groep. Hierdoor heeft hij meerdere Standaarden niet nageleefd en heeft hij in strijd gehandeld met het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid. Door de schending van de gedrags- en beroepsregels heeft hij bij de jaarrekening 2014 een goedkeurende verklaring is afgegeven, terwijl daarvoor onvoldoende deugdelijke grondslag bestond. De Accountantskamer is daar ten onrechte aan voorbijgegaan.
Annotatie Lex van Almelo
Een registeraccountant controleert de jaarrekeningen 2012, 2013, 2014 en 2015 van de Mitra-Groep. Bij de drie eerstgenoemde geeft hij een goedkeurende verklaring af. De controle over 2015 staakt hij, nadat de cfo van de groep een intern onderzoek heeft laten uitvoeren, waaruit blijkt dat bij de top-bv van de groep 22 miljoen euro is afgeboekt. De ceo bekent later dat hij memoriaalboekingen heeft doorgevoerd zonder grondslag. Vanwege de uitkomst van het onderzoek weigert de bank uitbreiding van het krediet en leidt daarmee het faillissement van Mitra in. De klacht van de curatoren dat de accountant onvoldoende controlewerkzaamheden heeft uitgevoerd, wordt grotendeels gegrond verklaard. De uitspraak blijft op een paar punten na overeind in hoger beroep.
Omdat de Accountantskamer ten onrechte het verwijt onbehandeld liet dat de accountant goedkeurende verklaringen heeft verstrekt bij de jaarrekeningen 2012, 2013 en 2014 velt het college daarover alsnog een oordeel. Vanwege het gebrek aan controle-informatie bestond voor de goedkeurende verklaring over boekjaar 2014 geen deugdelijke grondslag. De steken die de accountant in boekjaar 2012 en 2013 heeft laten vallen, zijn niet zwaar genoeg om te zeggen dat de goedkeurende verklaringen ongefundeerd waren.
Vermeldenswaard zijn nog de overwegingen over de verantwoordingsplicht tegenover de opdrachtgever. Die gaat niet zo ver dat de accountant (afschriften van) stukken uit zijn controledossier moet afgeven aan zijn opdrachtgever of de curator in het faillissement van de controlecliënt. De reikwijdte hangt af van de aard van de werkzaamheden, de deskundigheid van de opdrachtgever en de specifieke feiten en omstandigheden van het geval. Maar in beginsel moet de accountant bereid zijn de opdrachtgever en de curator in het faillissement desgevraagd in algemene zin te informeren over de uitgevoerde werkzaamheden (zoals het college ook al zei in deze uitspraak). De accountant was in dit geval niet verplicht de volledige controledossiers over de boekjaren 2012, 2013 en 2014 te verstrekken aan de curator. Hij heeft afdoende en zorgvuldig gereageerd op informatieverzoeken door schriftelijk antwoord te geven en de antwoorden te onderbouwen met stukken.
*) De naam is uit anderen hoofde bekend en het bedrijf is failliet; daarom wordt de naam hier genoemd.
